Van der Hoek
Families

Aardsgeluk

Aardsgeluk

‘De plattegronden van boerderijen van de vroege zestiende eeuw zijn rechtstreeks terug te voeren op het oude Friese huis. Deze plattegronden, zoals ze beschreven worden in de oude Friese wetten uit de elfde tot de veertiende eeuw, bestaan uit een gemeenschappelijke ruimte voor mensen en dieren waarvan de wanden van vlechtwerk zijn en de strodaken rusten op gebinten. De vuurplaats was oorspronkelijk een open plaats op de grond, en de rook ontsnapte via een gat in het dak. Tegen de zestiende eeuw was het woongedeelte afgescheiden van de stal, en in die eeuw werd er dikwijls nog een melkkamer aan toegevoegd. De gemiddelde omvang van het middeleeuwse oude Friese huis was zo’n negen vakken, of gedeeltes van ongeveer elk twee meter – de afstand waarop de gebinten van elkaar stonden en die elke koe zijn eigen plek in de stal gaf. Een huis van negen vakken was dus ongeveer 18 meter lang en 8 meter breed. Zo’n boerderij had dus niet zo veel plaats voor opslag van boerenproducten of hooi, en evenmin voor veel dieren. Tegen het midden van de zestiende eeuw had ruimtegebrek de boeren gedwongen hun huizen enigszins te verlengen. De boedelinventarissen van Leeuwarderadeel uit 1566-1574 laten zien dat het oude Friese huis het algemene type was, maar de lengte was nu doorgaans veertien vakken. Bijna de helft van de gebouwen die beschreven zijn, had aparte melkkamers van twee of drie vakken, en de grotere boerderijen hadden vaak nog een apart klein gebouw van drie of vier vakken. Het proces van verlenging was geen definitieve oplossing voor de opslag van volumineuze producten. In de late zestiende eeuw experimenteerden boeren derhalve met nieuwe boerderijtypen. Verschillende nieuwe typen ontstonden en verspreidden zich. Allemaal waren ze voorzien van ruime schuren voor de opslag van hooi, grote melkkamers, en meer woonruimte. (..) In Hennaarderadeel monopoliseren gebouwen oude-stijl met een gemiddelde van twaalf vakken de boedelinventarissen uit 1550-1562; een eeuw later wordt er alleen nog maar gesproken van huis en schuur. Deze transformatie ging gepaard met een vervanging van het strodak door een pannendak (in ieder geval voor het woongedeelte), en met een verschuiving van het gebruik van vlechtwerk naar baksteen voor de wanden.’ (Jan de Vries, pgs 89-90).

‘De boedelinventarissen bieden een onverwachte bron voor de demografische geschiedenis van deze streek. Historici vermoeden al lang een daling van de huwelijksvruchtbaarheid en van de gezinsomvang tussen de vroege en late zeventiende eeuw. Als het aantal bedden van een huishouden een grove samenhang vertoont met de omvang ervan, dan kunnen we (..) een plotseling daling van de gezinsomvang rond het midden van de zeventiende eeuw aflezen. Zelf als men geen samenhang wil accepteren tussen het aantal bedden en mensen dat in een huishouding aanwezig is, staat de daling van het aantal bedden buiten discussie. Deze daling heeft op zichzelf de vraag naar dekens en lakens – en ook het andere linnengoed – verminderd. Als we bijvoorbeeld het aantal dekens per bed berekenen, ontdekken we een opmerkelijke stabiliteit. Onder gelijke omstandigheden hebben kleinere huishoudens minder textiel. Maar de omstandigheden waren niet gelijk. Textiel werd goedkoper, en toch liep het bezit ervan terug.’ (Jan de Vries, pg 91).

‘Een verfijnder, duurder meubilair vervangt grovere objecten in het boereninterieur. Deze verfijning komt het best tot uitdrukking bij kasten. In zestiende-eeuwse boedelinventarissen worden ze nauwelijks genoemd. De kist en de tresoor dienden als opbergruimte voor linnengoed en waardevolle voorwerpen. De grote, dure, eiken kast, soms buitenissig beschilderd, dikwijls elegant bewerkt, werd een belangrijk voorwerp in de vroege zeventiende eeuw. Tegen het einde van de eeuw had ze haar plaats gekregen als een van de karakteristieke elementen van het Nederlandse boereninterieur.’ (Jan de Vries, pg 93)

‘Gedurende het grootste gedeelte van de onderzoeksperiode (1550-1750) vonden tinnen schalen en borden langzamerhand een plaats naast de meer algemene houten borden en schalen. Het einde van de zeventiende eeuw bracht een nieuwe ontwikkeling, waarbij zowel tin als hout zijn plaats afstond aan aardewerk en porselein. Veel achttiende-eeuwse boedelinventarissen vermelden borden, kopjes en schoteltjes als “delftswerk”. (Vroegere boedelinventarissen vermelden nooit kopjes en schoteltjes. Hun aanwezigheid is duidelijk gerelateerd aan de verspreiding van het koffie- en theedrinken.) De boedelinventarissen die in vroeger eeuwen zelden voor meer dan één à twee gulden servicesgoed en glaswerk noteerden, somden in de achttiende eeuw porselein op met een totale waarde van tien tot dertig gulden. In de boedelinventarissen van 1759-1785 werden geen houten en nog slechts een paar tinnen borden gevonden. Ze waren vervangen door Delfts aardewerk. Grote boeren hadden gemiddeld 19.8 borden en kleine boeren 13.6. In deze cijfers zijn kopjes, schoteltjes en andere soorten aardewerk niet inbegrepen.’ (Jan de Vries, pg 93-94).

‘Een groot scala andere voorwerpen werd gedurende de periode van ons onderzoek in het huishouden van boeren geïntroduceerd. Het diffusie-proces van spiegels vond plaats in de eerste eeuw, en het accumulatie-proces in de tweede. Klokken, onbekend tot in het laatste decennium van de zeventiende eeuw, werden plotseling algemeen in huishoudens met een behoorlijk inkomen. In de zeventiende-eeuwse boedelinventarissen wordt weliswaar gerefereerd aan schilderijen, maar op basis van de geldwaarde die de notaris eraan toekent, nemen we aan dat het slechts zelden olieverfschilderijen betreft. Het waren veeleer decoratieve bordjes en andere tegen de muur opgehangen voorwerpen. De objecten, die op een paar stuivers per stuk werden gewaardeerd, werden halverwege de zeventiende eeuw tamelijk gewoon.’

‘Zelfs vóór de Reformatie (die in Nederland veel later kwam dan elders in Europa) vermelden een paar boedelinventarissen al de aanwezigheid van “Duytschen bybels”. Na de Reformatie wordt het bezit van bijbels, psalmboeken en gezangenbundels veel gewoner, maar zelden universeel. Nog interessanter is het bezit aan wereldlijke werken in “bibliotheken” van boeren vanaf de vroege zeventiende eeuw. De meeste notarissen geven slechts het aantal boeken zonder de titels te vermelden, maar van de enkeling die complete informatie geeft, leren wij dat boeren in de vroege zeventiende eeuw reisboeken bezitten en geschiedenissen van Friesland en Amsterdam. Hun grote aantal is nog opmerkelijker wanneer men in aanmerking neemt dat ze in het Nederlands geschreven zijn, hetgeen niet de moedertaal van de Friezen is. De religieuze boeken konden wanneer ze versierd waren met boeksluitingen tamelijk duur zijn, maar de hele boekerij van de meeste boeren werd zelden op meer dan 4 gulden gewaardeerd.’ (pg 94)

‘Het oorijzer was oorspronkelijk een ijzeren ring waarmee de Friese vrouwen hun lange haar rond hun hoofd bonden. In de zestiende eeuw werden slechts een paar oorijzers vermeld, in de late zeventiende eeuw werden ze algemeen. In de achttiende eeuw zijn gouden oorijzers talrijker dan zilveren geworden. Gedurende deze lange periode verandert hun vorm ook. Van een smalle zilveren band in de zestiende eeuw, neemt hun breedte langzamerhand toe tot in de tweede helft van de achttiende eeuw het oorijzer de gehele schedel bedekt. De achttiende-eeuwse gouden oorijzers werden gewaardeerd op 60 tot 105 gulden.’ (pg 95-96)

‘De meest voorkomende schulden in de periode 1550-1599 zijn – in afnemende volgorde – voor textiel, arbeid, brood, graan, schoenen, smidswerk, ijzerwaren, bier en vee. In de periode 1616-1654 is de lijst heel anders: brood, bier, winkelgoederen (onder welke benaming een grote varieteit aan goederen schuilgaat die men kon kopen in plattelandswinkels, een zeventiende-eeuwse noviteit), textiel, ijzerwaren, schoenen, smidswerk, timmermanswerk, arbeid. In deze periode komen we ook nog schulden tegen aan wielenmakers, wagenmakers, meubelmakers en handelaren in veevoer. Er zijn geen verwijzingen naar de aankoop van graan. Dit onderzoekje naar de huishoudschulden is niet op een voldoende groot aantal boedelinventarissen gebaseerd om er veel conclusies aan te mogen verbinden, maar twee dingen zijn toch wel duidelijk: ten eerste, dat het thuis brood bakken – dat te oordelen naar de aankoop van graan misschien in de periode daarvoor bestaan heeft -, in de latere periode, waarin 83 procent van de onderzochte huishoudens schulden had bij een bakker, niet meer belangrijk is. Ten tweede, dat de tweede periode door een grotere verscheidenheid aan crediteuren gekenmerkt wordt, met name door makers van houten voorwerpen.’(pg 97)

Tussen 1550 en 1750 daalde het aandeel van de agrarische beroepsbevolking van rond de 70 tot niet meer dan 37 procent van het totaal. (pg 100)