Cd Back Up 17 April 2007 Generatie 16
Generatie 16 (stam-oudovergrootouders, 32768-65535)
VDH-lijn Zuid-Holland:
- (Meester) Pouwels Pouwelsz, geb ca 1410, ovl voor 7-8-1487, 75-80j oud. Gehuwd (27-9-1435 vermeld) met
- Maritgen Willemsdr – zijn moeder heette vrijwel gelijk –
Op 15-5-1430 verkoopt hij het Ver Nelle land in Kethel. Hij bezit het ‘s-Gravenhuis in Overschie. 12-7-1446: hij verkoopt aan Jan Smit 4 morgen land gemeen met Huyge die Grote in een kamp van 8 morgen in Schieban in het ambacht van Heynric van Naeltwijck. Belend ten westen: de zusteren van Rotterdam en Claes Robbrechtsz., ten oosten: binnen de watering Claes Arentsz. en daar buiten de Strijpt, ten noorden: de lange kade, ten zuiden: het huis en erf van Andries Claesz.
Uit het huwelijk: (1) Meester Pouwels Pouwelsz VAN AMERSOYEN, pensionaris van Dordrecht. Koopt 15-2-1497 het ‘s-Gravenhuize uit de boedel van zijn schoonvader met twee boomgaarden, jaagpad en 8.5 morgen land. Gehuwd met Russent Dircksdr VAN ALKEMADE. (2) Agniet, non in St.Agathaklooster te Delft. (3) Dirck Pouwels . ZIE kw 21440.
- Pieter DE BIJE, ca 1450 (?) 42929. Uit dit huwelijk: Claas Pietersz de Bije (kw 21464)
Stamoudovergrootvader Pieter, één van onze circa 16.000 stamoudovergrootvaders, ontspringt de vergetelheid dankzij het patroniem van zijn zoon. Heette hij al DE BIJE of DE BEYE? De naamsdeskundigen van het Meertens Instituut vermoeden twee mogelijke herkomsten van deze (aloude) familienaam: “1. Patroniem in onverbogen vorm bij de voornaam Beij(e), een klankvariant van Baij(e) of Boij(e), op zich naamvormen die uit verschillende namen kunnen zijn voortgekomen, zoals uit de Germaanse naam Baio, uit een Bern-naam (bv. Bernard) of via Boidin uit Baldwin (Boudewijn). 2. Evenals de lidwoordvorm De Beij, in samenhang met De Baaij of De Booij, ontstaan uit: -mnl. bay = roodbruin (De Roodbruine); vgl. Beijaard. – mnl. boy = jongen, broer, knaap; vgl. het Engelse woord ‘boy’.” Dat geeft niet zoveel verklaring dus. Was Pieter een rossig (roodbruin) type?
- Jacob Willemsz VAN BEVEREN, genoemd te Dordrecht 1439-1457, ovl aldaar in 1461, trouwt 1454/57 met
- Elisabeth Dirc Springer (Goetsdr VAN HOUTEN), ovl 2-5-1493 te Dordrecht (aangifte).
Beiden begraven in de Grote Kerk, Van Beverenkapel. Ze woonden bij zijn vader in het huis “De Gans” naast de Munt. Hun zoon Willem trouwt met Maria van Baeckel, dochter van de muntmeester, het buurmeisje dus.
Ouders van: Willem Jacobsz VAN BEVEREN (kw 24412) 48826. Claes Dirck Karrezn (vermoedelijk identiek met: Claes VAN BAECKEL Dirckzn), muntmeester te Dordrecht, gehuwd met 48827. Geertruid Screvels DE JOODE
Claes Dirckzn VAN BAECKEL begon zijn maatschappelijke carriere als schutmeester bij de Kruysboog te Dordrecht, werd lid van de Achtraad 1472, van de Veertigraad 1481, schepen in 1481/82 en 1487/88, burgemeester in 1481 en 1483/91, muntmeester-generaal van de grafelijke munt, “waerdyn” van de munt (1488/90). De naamgeving “Claes Dirck Karrezn” refereert wellicht aan een eerder patroniem (Karelszn?). Claes en Geertruid lieten hun portretten met die van hun kinderen schilderen en de schilderijen hangen in de Beverenkapel (zie Beverenboek voor afbeelding).
Ouders van: Maria VAN BAECKEL (kw 24413)
- Jacob Hendricks SNOECK, geb ca 1440, woonde te Gorinchem, laagdijkheemraad van den Lande van Arkel, mogelijk ook secretaris van Gorinchem, ovl 29-5-1466, gehuwd ca 1460 met
- Maria Evertsdr LOEFF, geb ca 1440, ovl in 1515.
Jacob is 25-30 jaar oud wanneer hij overlijdt, Maria overleeft hem rond 50 jaren. Zij schijnt niet te zijn hertrouwd. Na haar dood op rond 75-jarige leeftijd treden een Jan Snoeck Jacobszn (een zoon?) en een Roelof Melserszn (aangetrouwd?) als haar testamentaire erfgenamen op. De zoon Evert Jacobsz SNOECK (kw 24414) is vanaf 1508 beweerd op bedevaart gegaan en van hem of over hem wordt sindsdien niets meer vernomen. Hij liet vrouw en minstens 1 kind na.
Ouders van: Evert Jacobsz SNOECK (kw 24414)
-
Jacob (BLOCK) 48831. Ouders van: Emma Jacobsdr BLOCK (kw 24415)
-
Joost Joostz, vermoedelijk Mijnsheerenland 48833. Ouders van: Cornelis Joosten (kw 24416)
-
Doen Beijensz (de Jonge), geb ca 1450, ovl voor 17-12-1515, gehuwd met
-
Haaske Ouders van: Cornelis Doensz (kw 24534)
-
Doen Beijens (de Jonge), geb ca 1450, ovl voor 17-12-1515. Schepen van Poortugaal (vermeld 1491 en 8-5-1507), leenman van Putten. Gehuwd (1) met Neeltgen Wollebrantsdr BOOT (Neeltje Wollebrant Jansdr) en (2) met
- Haasken (Aeskin, Haesje) nn.
Memorie 88. Memoria perpetua van Neeltgin Wollebrant Jansdr., de huisvrou van Doen Beijensz. staet op twee ende een half lijne lants, geleegen buyten Zweerdijck onder sijn huis aen den Cruisdijck; dit sal staen op beyde haer kindern te samen ende 't eynde haer doot te coemen in den boosum daer 't uytgecoemen is. Welk jaar? Neeltgen heeft het in dit testament over 2 kinderen. Van Doen Beijensz zijn 7 kinderen bekend. Doen Beijensz wordt op 28-1-1485 door de Hofstad van Putten beleend met de leengoederen van zijn vader. Op 6-1-1513 laat hij te Poortugael testament maken waarbij hij zijn memorie vestigt op de helft van 3 1/2 lijn land en besluit dat de opbrengst moet worden gebruikt om zijn nakomelingen viccary te laten stuydeeren. Als vervolg hierop hield de secretarie in Poortugaal in de 17de en 18de eeuw een parenteel van hem bij. Fondateur van de "Grote Memorielanden" op 35 gemet land te Poortugaal. Door de eigendomsadministratie ("blaffaards") van deze Memorielanden zijn de mannelijke en vrouwelijke nazaten van Doen Beijens tot ver na de reformatie bekend. Doen Beijensz is de stamvader van vele grote boeren en bestuurders in de Hoekse Waard en IJsselmonde. Doen en Haesje bestemden de opbrengst van de Grote Memorielanden "omme denzelven uit het innekomen viccary te laten studeren, bequam te maken en onderhouden tot een priester". Ze wilden het land, met alle plichten tegenover de kerk, voor eeuwig in de familie houden: "dat op den oudsten en naasten van syne Descendenten tot een eeuwige memorie soude cuccederen". De eigendomsadministratie werd na de reformatie op het gemeentesecretarie van Poortugaal voortgezet, possesseurs vermeld tot 1825!
Kinderen van Doen Beijensz: (1) Beye Doens, ovl ca 1553. Eigenaar van land in Hoogvliet en Albrandswaard. Heemraad van Poortugaal (1538), schepen (1543/49), tekent de 10e Penning van Poortugaal 1543. Trouwt (1) met Maritje Claassen. Kinderen: Adriaen Beijens, Pieter Beijens, Doen Beijens, Commer Beijens, Klaasje Beijens. Trouwt (2) met Neeltje Leenerts (zij komt voor in de 10e Penning van Hoogvliet 1543, met huis getaxeerd op 8 pond, 10st, woont na 1556 in Den Briel). (2) Liedewij Doens (Doenen). Trouwt (1) Willem Claesz (van Groenendijk), ovl. voor 1545, trouwt (2) Lambrecht. Weduwe Liedewij is 1557 medekoopster van tienden in de heerlijkheid Rhoon (belastinginster). Haar tweede echtgenoot was waarschijnlijk Lambrecht Jansz VERSTOUP, schout van Albrandswaard en van Poortugaal, ovl 10-3-1553. Diens zerk in de kerk van Poortugaal heeft als tekst:"HIER LEIT BEGRAVEN LAMBRECHT VERSTOUP JANSZ. ENDE STERF INT JAER ONS HEEREN MCCCC ENDE III DEN THIENDEN DACH MARTIJ. BIDT VOER DE ZIELE". De familiewapens zijn uit de zerk weggehakt (wellicht rond 1795?), een palmtak en een St.Catharinenrad resteren nog als zerktekens. “In de 16e eeuw werd het mode om een pelgrimstocht te maken. Als teken, dat die tocht was volbracht, voerden de z.g. "Jeruzalemridders" in hun wapen o.a. een palmtak, een z.g. "Jeruzalemsveer". Verder indien Constantinopel was bezocht, het gebroken St. Catharinarad. (de H. Catharina werd geradbraakt en daarna onthoofd).” (3) Cornelis Doens. Gehuwd met Baertgen Jansdr. ZIE kw 24534. (4) Willem Doens. Gehuwd (verm 2de huwelijk) met Ida Jansdr. In de 10e penning van 1543 komt hij voor met een huis en 52 gemet lands in Poortugaal. Samen met Willem van Seventer bezit hij 10 gemet 1 lijn en een kwart roede land in Sweerdijk. Samen met Pieter Cornelisz koopt hij in 1567 de memorie nr 82 af, gesticht door Lijsbeth, de weduwe van Beye Doens (de Oude), ovl Poortugaal 1556/1561. (5) Neeltje Doens (6) Lijsbeth Doens (7) Aart Doens. Gehuwd met Engeltje Claasse.
DJ-lijn: Friesland Westergo:
-
Folpert Tiettezn, geb in Schingen bij Dronrijp, in 1511 genoemd als meier te Oosterend. 52849. Ouders van: Tiette Folperts BAERDT (kw 26424)
-
Sjoerd AESGAMA, ook genoemd Sjoerd in de Poelen, geb ca 1463, “in de Poelen” bij Dronrijp, ovl (gesneuveld) 16-7-1500
- Doedt Offkes DOTINGA, ovl na 1511
Ouders van: Duedt Sjoerdsdr. (Syuerdtsdr.) (kw 26425)
Stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen werd slechts 37 jaar oud. Hoe kwam dat? In 1493 vindt de Duitse keizer Frederik III dat het onderlinge gedonder in Noord-Nederland maar eens uit moet zijn. De partij van de Vetkopers had in de jaren ervoor de Groningers bij hun strijd tegen de Schieringers te hulp geroepen en dat had succes gehad, in die zin dat Groningse legertjes heel Oostergo en een deel van Westergo terroriseerden. De keizer stuurde gezant Otto van Langen naar Zwolle en riep gemachtigden van Groningen en van Sneek (Schieringerpartij) op daar te verschijnen “en hunne aangelegenheden open te leggen”. Formeel gold het hele gebied immers als onderdeel van het keizerrijk, al toonden de opeenvolgende keizers meestal weinig belangstelling. Keizer Frederik III deed dat nu dus wel. De Schieringers vaardigden Douwe, pastoor van Ytens, “een geleerd heer”, af als hun voornaamste woordvoerder. Pastoor Douwe bleek zo’n goede pleiter “dat de Keizer, van de onregtvaardigheid der Groningers overtuigd, een nader onderzoek over die belangrijke zaak instelde.” Voordat dit kon worden afgerond, overleed de keizer. Zijn zoon Maximiliaan volgde hem op.
Hoewel de Groningers/Vetkopers misschien anders hadden verwacht, bleek de nieuwe keizer het “Friese” beleid van zijn vader een direct vervolg te geven. Zonder het beloofde nader onderzoek. Gezant Otto van Langen wordt eind 1493 er opnieuw op uitgestuurd “om de Friezen te doen weten, dat het de ernstige wil des Keizers was, dat zij alle tweedragt vergeten, eenen Potestaat uit hun midden, volgens oud vaderlijk gebruik, verkiezen en aan denzelven gehoorzaamheid bewijzen zouden; indien zij zich hiertoe niet lieten bewegen, zou de Keizer eenen heer naar zijn believen over Friesland aanstellen, en hen tot onderwerping dwingen.”
Pastoor Douwe had vermoedelijk goed duidelijk kunnen maken dat het om een Friese aangelegenheid ging en dat de Groningers onterecht erbij waren gehaald. Op 1 januari 1494 belegt de keizerlijke gezant te Sneek een landdag, “waar de voorname hoofden der Schieringers verschijnende, terstond eenen Potestaat kiezen, namelijk Juw of Julius Dekama, heerschap te Baard, die zich in de heerschende twisten zeer onzijdig en vredelievend had gedragen. Op den 14 Januarij had er een landdag te Bolsward plaats, en hier verschenen, behalve eenige Schieringers, de voornaamste hoofden der Vetkoopers, die, wel verre van Dekama als Potestaat te willen erkennen, spoedig alle onderhandelingen met de keizerlijke gezanten afbraken, zoodat van Langen zich gelukkig rekende, van behouden te Deventer te komen, waar hij wel nogmaals eenige edelen ter onderhandeling ontbood, doch zonder eenig gevolg.” Terwijl gezant van Langen de keizer ging berichten, dat zijn missie om de tweedracht onder de Friezen op te heffen, niet was geslaagd, gingen de Vetkopers/Groningers verhevigd met moord en brandstichting tegen de Schieringers te keer. Zo kwam het tweede deel van de “ernstige wil des Keizers” in werking. Hij wijst zijn ijzervreter, legerleider Hertog Albert van Saksen, aan tot landvoogd over Friesland “om de Friezen tot onderwerping te dwingen.”
Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Hertog Albert kreeg zijn benoeming in 1495 en bevond zich op dat moment al met een leger in Holland, maar hij pakte het strategisch aan. Hij stak de Zuiderzee niet over, terwijl de Schieringers hem toch als steun in de rug beschouwden. Zij keken nu ook over de grens en “verzamelden in Overijssel en Gelderland eenen hoop krijgsvolk onder de overste Nittert of Nuttert Fox, van geboorte uit Frankenland afkomstig, welke, in Friesland aangekomen, grooten schrik onder de Vetkoopers verspreidde.” De Schieringers hadden uiteraard niet verwacht dat dit huurleger voor eenzelfde schrik zou zorgen binnen hun eigen gebied (Zuiderzeekust, Wymbritseradeel rond Sneek, Gaasterland, Lemsterland). De huurlingen gingen in dat gebied erger te keer dan in de door de Vetkopers/ Groningers beheerste gebieden. Op 1 januari 1496 deed het leger wel een poging om Leeuwarden te overvallen, “doch tot het Galgeveld genaderd zijnde, overkwam hen plotselijk een geweldig onweder van regen en wind, dat hen niet alleen belette in hun voornemen, maar ook den moed benam, zoodat zij, na een molenhuis in brand gestoken te hebben, om zich te verwarmen, daardoor de burgerij tegen zich op de been bragten, die hen ijlings wegjaagden, en weder naar Sneek deden vluchten. De Groningers, voor het verlies van Leeuwarden beducht, zonden een groot aantal volks naar die stad, die er den geheelen winter stil bleven liggen, tot groote schade en kosten, gelijk ook tot misnoegen der stedelingen, die zich niet weinig over hunne verbindtenis met de Groningers beklaagden.”
De Leeuwarders verlieten gaandeweg het starre standpunt van de Vetkopers/Groningers. Het teruggeslagen leger van overste Nuttert Fox moest zich intussen weer op Schieringer gebied in leven houden en verloor daar alle goodwill. Strooptochten door Gaasterland en Lemsterland, een bloedige slag op het dichtgevroren Sneekermeer waar “de Woudlieden” hen met alle macht probeerden tegen te houden. Ellende alom. Hoe werd dit opgelost? De Snekers (Schieringerbolwerk) richtten zich tot de tegenpartij, de “Groningers”. Geef ons geld zodat we dat huurleger van Fox af kunnen betalen en jullie en wij van die mannen af zijn. Van geven geen sprake natuurlijk, maar de “Groningers” deden wel mee: ze zorgden ervoor dat de 8000 benodigde goudguldens via de rijke kloosters in Oostergo en Westergo ter beschikking werden gesteld “stellende zich borg voor de wederbetaling”. Fox en zijn leger werden betaald en vertrokken. De dag erna stonden de “Groningers” al met hun legers in Sneek, Sloten en Harlingen, “om geheel Friesland nu onder hun gezag te brengen”.
Iedere dag weer wat nieuws in die jaren (maar kranten om erover te berichten waren er nog niet). Het bleef in 1496 volop onderlinge oorlog in Friesland. Alleen de stad Franeker kon zich als Schieringer-bolwerk staande houden (met stiekume ondersteuning vanuit Sneek en omstreken). Er werd gemoord en geplunderd bij het leven. Dat Hertog Albert van Saksen, nog steeds afwachtend in Holland, het sluw speelde, bleek later in het jaar toen Goslik Jongama uit Bolsward zich tot hem richtte met de vraag een verrassingsaanval te doen. De Hertog ging er op in en stuurde, jawel, overste Fox met rond 800 man per vloot de Zuiderzee over. Hoewel de “Groningers” enigszins voorbereid waren (landing bij Zurig), waren zij dat niet op de terugkomst van de Fox-veteranen. Binnen enkele weken had Fox heel Westergo “van den overlast en moedwil der Groningers verlost.” Maar het Fox-leger deed vervolgens wat het eerder deed (plundering etc.), zodat “eindelijk de edelen besloten, om in het algemeen in Westergo eene schatting in te vorderen, waarmede zij Fox en zijne lastige gasten betaalden, die voorts over Workum naar Holland vertrokken. Tjerk Walta en Sybrand Roorda werden als gevangenen door Fox medegevoerd, doch zij kochten onderwege hunne vrijheid, de eerste voor 800 gulden, en Roorda voor de helft dier som; echter durfden zij niet in het land komen, waarom Walta een tijd lang zich als balling te Zwol en Kampen ophield.”
Denk niet dat het tweede vertrek van het Fox-legertje betekende dat de Friese partijen de onderlinge strijd beeindigden. Helemaal niet. Bijna iedere dag nieuwe doden. Wel was Westergo nu even van “Groningers” bevrijd en kwamen “de prelaten, geestelijken, edelen en regters” van dit deel van Friesland tot een soort van verbond “om alle gevangenen te bevrijden, de verschillen te beslechten, vreemd volk te weren.” Hertog Albert van Saksen haakt hierop in en via landdagen te Franeker en vervolgens te Dronrijp (1497) laat hij zijn gezanten de kwestie van hem als aangewezen gouverneur over Friesland tot een formeel te erkennen feit voorleggen. Westergo en Oostergo sturen hun gemachtigden. En wat gebeurt? Zij staan gezamenlijk achter het verbond “vreemd volk te weren”. En de hertog van Saksen valt ook onder de noemer van vreemd volk.
Hertog Albert was uiteraard furieus over deze nieuwe en onverwachte afwijzing. Zonder zelf naar Friesland te komen, stuurt hij nieuwe plunderlegertjes op de provincie af. Via zuidelijk Friesland (de Zevenwouden) waar geen tegenweer vanuit de stadjes kan worden georganiseerd. Opnieuw maakt hij gebruik van Fox-veteranen. De uit Friesland gevluchte Vetkoper Tjerk Walta betrekt hij in het complot, met de belofte dat deze niet voor de kosten van het huurleger hoeft op te draaien. Begin 1498 vriest het hard. Het binnenvallende leger heeft dankzij het dikke ijs overal doorgang. Slechts enkele versterkte steden (zoals Sneek) laten zich niet overrompelen. Maar daar trekt het leger net zo lief dan omheen, plunderend en moordend. Pas in Barradeel, boven Harlingen, maar veel verder noordelijk in Westergo kon je niet, worden ze gestopt.
In Barradeel veroverden ze nog wel “Rippert Eelsma huis te Sexbierum, alsmede die van Pybo HAARDA en Seerp BOTNIA te Oosterbierum, welke zij uitplunderden, en de edelen zelve gevangen naar Bolsward vervoerden. De landeigenaars, en in het gemeen alle ingezetenen werden woedend over dit bedrijf van het vreemde volk. In en omstreeks Barradeel verzamelde zich eene groote menigte, die deze roovers een goed deel van den buit ontzettede, en hen verjaagde, slaande wel vijftig van hun dood.”
De tegenslag in Barradeel leek een incident. De Saksische legers werden vanuit het zuiden almaar aangevuld. Zo werd de Liauckema-state te Sexbierum nog bezet en bij verlating in brand gestoken. Barradeel leek verder niet interessant genoeg meer. Het zuidelijke deel van Westergo gaf nog genoeg plunderkansen en Menaldumadeel tussen Franeker en Leeuwarden: “Menaldumadeel werd mede door deze roovers bezocht en zwaar gebrandschat.” Menaldumadeel..? Dan ben je op het terrein van stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen (Sjoerd Aesgama).
Laat ik nu het verhaal, dat toch al lang werd (maar dit gebeurde) inkorten. Lees elders meer. Vanwege alle voortdurende oorlogvoerderij zonder uitzicht, krijgt Hertog Albert van Saksen eindelijk zijn zin: hij wordt door de Friese partijen als landvoogd tegen heug en meug uiteindelijk toch maar erkend en gehuldigd. Voordat dit gebeurde waren nieuwe legers nodig en ook een veldtocht van (de inmiddels bekende) overste Fox tot in Groningerland. Dat maakte de Groningers definitief stil. In mei 1499 landt hertog Albert van Saksen eindelijk in eigen persoon op Friese grond. Te Harlingen, “welke stad, toenmaals door de beroerten der tijden zeer geschokt zijnde, den nieuwe heer gewillig inhuldigde. Hij begaf zich voorts naar Franeker, Bolsward, Sneek en eindelijk naar Leeuwarden, alwaar hij in de kerk van Oldehove plegtig gehuldigd werd, welk voorbeeld de edelen en landzaten weldra navolgden.”
De hertog (strateeg) bleef niet lang. Hij benoemde een nieuw gerechtshof dat op strikte orde moest toezien, eigende zich een belangrijk deel van de nieuwe inpoldering Het Bild toe als persoonlijk eigendom, regelde een bestuurlijke gezagsstructuur met een Hoge Raad etc., en droeg zijn zoon Hendrik het opperbestuur over Friesland op. Albert was zelf hooguit zes maanden in Friesland. “Met eene som gelds beschonken zijnde”, vertrok hij na vele jaren wachten eind 1499 naar zijn geliefde Saksen.
Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Het antwoord op deze vraag komt akelig dichtbij. De jonge hertog Hendrik van Saksen die van zijn vader het bewind over Friesland kreeg opgedragen, ontpopte zich direct als een ambitieuze despoot. Hij koos het Sjaardema-slot te Franeker als zijn hoofdverblijfplaats (en joeg daarmee de Sjaardema’s van hun eeuwenoude plek) en gaf opdracht aan de havenmond te Harlingen een versterkt kasteel te bouwen. De hiervoor benodigde stenen werden o.a. beschikbaar gemaakt door stinsen in de omliggende dorpen te slopen (wat de eigenaren van deze stinsen uiteraard razend maakte). Ter betaling van de verdere kosten eiste hij ook nog “van alle steden, grietenijen en kloosters in Oostergo, Westergo en de Zevenwouden, om binnen acht dagen eene groote schatting, tot dit gebouw vereischt, op te brengen.” Bij overschrijding van dit termijn moest men het dubbele betalen. Omdat die boete meedogenloos in praktijk werd gebracht, slaagde de jonge Hendrik erin binnen enkele maanden na het vertrek van zijn vader “alle Friezen” tegen hem in het geweer te brengen.
Sjoerd Aijlva, Tjerk Walta (hierboven al eerder genoemd), Douwe Hiddema en Dooitze Bonga vormden het viertal edelmannen die de snelle opstand organiseerden. “Na uit alle oorden een leger van 16000 man bijeengebragt te hebben, begonnen zij den 12 Mei (1500) het beleg van Franeker, alwaar de Hertog zijn verblijf hield; ook bezette men op vele plaatsen de grenzen van Friesland, ten einde het binnenrukken van vreemd volk, tot onderstand van den Hertog te beletten.” Om vreemd volk te herkennen werd gebruik gemaakt van een leus die binnenkomers correct dienden te herhalen: Fjouwer lotter-claer leepaaijen op in finne herne yn ien nest. “Die deze woorden niet met eene genoegzame vaardigheid kon nazeggen, hield men voor eenen uitlander, en werd op staanden voet veroordeeld, om verdronken te worden.” De bedoelingen waren fraai, maar de belegering was slechts een belegering. Tot een inname van Franeker en gevangenname van Hertog Hendrik kwam het niet.
Hertog Albert van Saksen was op een rijksdag te Augsburg toen hij hoorde dat zijn zoon te Franeker omsingeld werd. De ijzervreter liet geen tijd vergaan en trommelde een leger bij elkaar te Aduard in Groningen. Het kostte hem weinig tijd om daar zelf te verschijnen en het Friese grensleger bij Bomsterzijl vervolgens in de pan te laten hakken (“wel vijfhonderd Friezen sneuvelden”). Hertog Albert liet geen tijd verloren gaan. “Alom ging de schrik het Saxische leger, dat steeds met plundering, moord en brandstichting voortging, vooruit, waarom de Friezen voor Franeker, op het vernemen van hunne komst, meestendeels de vlugt namen. Te Dronrijp en in het klooster Miedum, werden de geruchten van de komst der Saxen door de zoetelaars, die gaarne hunne waren duur wilden slijten, sterk en stellig tegengesproken, waardoor de Saxers, eer zij het dachten, hen in de schansen overvielen, en waarbij wel vijfhonderd Friezen verslagen werden, en er nog veel meer omkwamen van degene, welke in de vlugt veiligheid zochten. Zij namen de vlugt naar Miedum, Tzum en voorts landwaarts in, en werden overal van het woeste krijgsvolk des Hertogs vervolgd, dat dagen achtereen rondzwierf, steeds moordende en plunderende.”
Terwijl Hertog Albert vanuit het oosten binnenviel, stuurde Filips van Bourgondië, zoon van keizer Maximiliaan, graaf van Holland, vanuit het westen een leger, onder leiding van de graaf van Buren, over de Zuiderzee heen op Franeker af. Op 16 juli 1500 werd van beide kanten korte metten gemaakt met het beleg van Franeker.
Bij de omgekomen belegeraars o.a. de Friese edelen: Hessel Jongama, van Goënga; Lieuwe Fons, van Jorwerd; Wybe Laasz, van Boxum; Hero Rienks, van Dronrijp; Jarig Wybes, van Terschelling; Sjoerd in de Poelen, te Dronrijp; en Kempo Jaklesz, van Jelzum.
Dat hierna de Saksische bezettingsdruk op Friesland nog eens te groter werd, mocht je verwachten. Het verhaal heeft een lange staart. Maar hier stoppen we.
Stamoudovergrootvader Sjoerd sneuvelde in de strijd (1500). Zoals anderen.
Zijn naam was ook of eigenlijk: Sjoerd AESGAMA. Hij is ca 1463 geboren. Waar..? Te Sybrandaburen misschien (noordelijk van het Sneekermeer)? Over de AESGAMA-afstamming is nog weinig bekend. De naam lijkt te wijzen op een traditie van Friese “rechtsprekers” (a-saga), maar dit is speculatief.
In een nasleep van de “Donia-oorlog” die rond 1460 woedde in het midden van Friesland, pakte de houwdegen Agge Donia, in het voorbijgaan de Aesgama-stins te Sijbrandaburen, “die hij eenigen tijd bleef bezitten, roovende en plunderende van daar rondom op zijne vijanden”. Over waar de Aesgama’s na dit gebeuren (midden 1465) heentrokken en of zij terugkeerden, vinden we geen meldingen. Er is wel melding over een tak die naar Groningen vertrok (omgeving Ulrum), over Aesgama’s te Damsterwoude (Dantumadeel) en “onze” Aesgama’s rond Oosterend (bij Sneek) en vooral bij Dronrijp. Sjoerd Aesgama (Sjoerd in de Poelen) werd geboren vlak voordat Agge Donia de Aesgama-sate te Sybrandaburen veroverde en als uitvalsplaats voor plundertochten ging gebruiken.
- Hoyte Gerrolts
- Jets
Ouders van: Greolt Hoytes (kw 26598)
- Here Jorrits
- Gats
Ouders van: Ydt Heredochter (kw 26599)
Kwartierstaat Johan Gerard Stuut. Kwartierstaat van Schothorst. Daar wordt de suggestie gedaan dat Folpert via zijn huwelijk in relatie kwam met een familie Baerd-Aesgama, “vermoedelijk bezitters van de Baardazathe nabij Wommels en Oosterend”. (Baarda van Ba-wert). Zeker is dat zijn zoon Tiette de familienaam Baerdt kreeg en trouwde met Duedt Sjoerdsdr Aesgama. Oosterend is een terpdorp van grote ouderdom (vondst van aardewerk uit de Romeinse tijd) waaromheen al vroeg bedijkingen plaats vonden ( het zogenaamde “eiland van Oosterend”). H.W. Steenstra “Geschiedenis van Friesland” (1845), deel II pgs 315-342. De andere kandidaat was Maximilaans zoon, graaf Filips II van Holland, maar de keizer was Hertog Albert een heleboel geld verschuldigd dus diens benoeming tot erfpotestaat of gouverneur van Friesland (Albert zag het wel zitten) bevrijdde hem ook nog van een financiële last. Albert kon belastingen gaan innen voor zichzelf. Steenstra, II pag 319: “Tusschen de vier en vijfduizend Woudlieden kwamen hier om het leven, door het zwaard der vijanden en het water.” HAARDA of HAERDA: Was Pybo Haarda een broer misschien van edelvader Fedde Mernstra (Haerda) (kw 209406) of anderszins gelieerd? Het achteraf-verslag door Steenstra kan je niet echt objectief noemen. Het is niet te bepalen waar hij overdrijft. Zie ook kwartierstaat van Theunis-Jan en Ellen de Leeuw (Donia-kant). Steenstra II pag 285.