Van der Hoek
Documenten

Cd Back Up 17 April 2007 Generatie 17

Generatie 17 (stam-oudbetovergrootouders, 65536-131071)

  1. Willem Bever Danielsz (of: Willem Danielszn de Bever), geb ca 1400, ovl te Dordrecht in 1464, noemt zich pas op latere leeftijd VAN BEVEREN, herkomstnaam van zijn moeder, trouwt in 1429 met
  2. Catharina Hendricks VAN WEEDE, geb ca 1405, ovl 1454.

Willem BEVER (jawel!) draait al op jonge leeftijd mee in het stadsbestuur van Dordrecht. In 1427 gaat hij als stadsgecomitteerde op diplomatieke reis mee naar Vlaanderen en Brabant. Op 15-8-1431 meldt een document hem als burger van Dordrecht, houder van een schrootambacht metter zoutmate, een gewilde economische functie. In 1436 staat hij als havenmeester vermeld en in 1437 als Heilige Geestmeester. Hij woont aan de Voorstraat te Dordrecht in het huis “De Grooten David” tot 1455, daarna in het huis “de Gans” naast de Munt in het centrum van de stad. Hij overlijdt er in 1464. Catharina VAN WEEDE is ca 24j oud wanneer ze met Willem, ongeveer 5 jaar ouder en al volop regentesk, trouwt. Zij is ook van goede familie. Door de watersnood van 1421 (St.Elisabetsvloed) raakten echter de landen bij Weede en Cillaarshoek, familiebezit, verloren en zo werd deze familie praktisch minder gegoed. Te Dordrecht probeerde zij zich te hernemen. De familie VAN WEEDE voerde als wapen zes rode lelies op een zilveren veld, het wapen van de heerlijkheid Weede en Cillaarshoek die in de St.Elisabethsvloed verdronk. Het deel Cillaarshoek op de Keizersdijk verdronk overigens niet. Catharina overlijdt in 1454, Willem in 1464. Per 28-1-1465 vindt een boedelscheiding plaats. Catharina was bij leven een devote rooms-katholiek. Samen met haar man schonk zij de kerk een altaarkleed waarin hun beider wapens geweven waren (dat werd op prijs gesteld, maar niet heus) en in 1450 financierde (stichtte) zij in de Grote Kerk te Dordrecht de Heilige Kruiskapel, naast de al bestaande van Beverenkapel (St.Eliszabethsaltaar). Ook dit werd geen succes. Denk ik.

Willem en Catharina werden na overlijden begraven in de van Beverenkapel binnen de Grote Kerk te Dordrecht. Ouders van: Jacob Willemsz VAN BEVEREN (kw 48824)

  1. Dirk Springer Goets (van Houten)
  2. Haeck Ouders van: Elisabeth Dirk Springer Goetsdr van Houten (kw 48825)

  3. Dirck Karrezoon (van Bakel) 97653. Ouders van: Claes Dirck Karrezn (kw 48826)

  4. Screvel Hendricksz

  5. Nn de Joode Ouders van: Geertruid Screvels de Joode (kw 48827) te Dordrecht

  6. Henrick Jansz SNOECK, geb ca 1421, schepen van Gorinchem 1456/65 97657.

De bijnaam SNOECK doet al vermoeden dat we hier met een familie van riviervissers te maken hebben. Dit blijkt ook uit het feit dat Henrick en zijn broer Adriaen op een bepaald moment door hertog Filips de Goede gebannen worden (later in ere hersteld), vanwege een hoog opgelopen conflict over de visserij in de rivier tussen Gorinchem en Woudrichem.

Ouders van: Jacob Henricks SNOECK (kw 48828)

  1. Evert Loeffszn 97659. Ouders van: Maria Everts Loeff (kw 48829)

  2. Beijen Doens (Beye Doedijnsz), geb ca 1425, ovl voor 28-1-1485, op 11-9-1452 beleend met het leenland van zijn vader, in 1454/55 en 1457 gemeld als leenmangetuige voor de heer van Putten, boerenbedrijf, belastinginner, schepen van Poortugaal (vermeld 1458, 1463), gehuwd met

  3. Lijsbeth, ovl 17-12-1485 te Poortugaal. Ouders van: Doen Beijensz (de Jonge) (kw 49068) Beye Doedijnsz neemt op 8-12-1455 twee droge dijken te Poortugaal in leen. De later geheten Cruysdijk en de dijk langs de korenmolen (Zweerdijkse dijk). Door de inpoldering van de Albrantswaard bezuiden Poortugaal kwamen deze dijken achter de nieuwe buitendijk te liggen. Hij betrekt vermoedelijk de Thomashofstede bij het kruispunt van genoemde droge dijken. Voor deze boerderij moet jaarlijks 1 kapoen worden betaald en Beye doet dat over de periode 1459-1469. Gedurende dezelfde periode betaalt hij 32sc 6 d aan jaarlijkse erftijns voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk van Poortugaal en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land die de Grote Weyde wordt genoemd. Over de periode 1459-1465 betaalt hij jaarlijks 18sc hollands voor de quade 6 gemet. In 1461 pacht hij de tienden van Waddenswaert en in 1465 die voor het dorp en “de lammertiende” wat hem belastinginner maakt. Hij pacht de staalvisserij van Battenoert voor 37 pond hollands en de poting in die Roden als rietbroek en visserij (Roden = Rhoon) 1466-1468 voor 5 1/2 pond en in dezelfde periode de zwaandrift in Poortugaal voor 2 pond. Kortom, want er is meer, hij is een van de grotere bazen/pachters in het gebied. Hij vestigt zijn memorie en die van zijn zoon Aert op 2 gemeten in Ver Nellenhouck (Nieuw-Rhoon), te versterven op zijn zoon Doen. Deze zoon wordt na het overlijden van zijn vader met diens lenen beleend.

Uit het huwelijk: Marritgen Beijensdr, trouwt met Wouter Pietersz (die in 1464 genoemd wordt als zwager (= schoonzoon) van Beije Doens Doen Beijensz (de Jonge, kw 49068) Aert Beijens, ovl voor 1484 Cornelis Beijens Maria Beijensdr, gehuwd met Willem VAN BEAUMONT

  1. Offke DOTINGA, grietman van het Marsumer Nieuwland (Menaldumadeel) rond 1470, trouwt (1) met Doedt OEDTSMA, trouwt (2) met
  2. Luts Feddes MERNSTRA (HAERDA)

Ouders van : Doedt Offkes DOTINGA (kw 52851)

Het Marsumer Nieuwland was nieuwbedijkt gebied aan de westkant van de (vroegere) Middelzee, tegenover het Leeuwarder Nieuwland aan de oostkant van die zee. In de eerste regel stellen we dat Offke Dotinga grietman van het Marsumer Nieuwland was, maar in het grietmannenregister staat hij, Ofcke Dottingha, vermeld als grietman van Leeuwarderadeel vanaf 1470. Het kan zijn dat de bedijking van dit Nieuwland ook vanuit Leeuwarderadeel werd ondernomen.

Zijn eerste vrouw Doedt Oedtsma kan dochter zijn geweest uit het hoofdelingengeslacht OEDTSMA te Boksum, dat iets ten westen van Marsum ligt.

Anno 1444: “Een nieuwe oorlog ontstond er weder tusschen de Schieringers en Vetkoopers in Westergo. Sikko en Douwe Sjaardema, Doeke en Abbe DOTINGA, Rommert Gabbinga, Keimpo Unia, Lieuwe OEDSMA, Worp Juckema, Rienk Kamstra, Sikko Martens, Ruurd Roorda en Gerrolt Herama trokken met eene menigte van hunne vrienden en hunnen aanhang voor de sterke stins van Sjoerd Grovestins te Engelum. Zij bemagtigden dit slot, een der sterksten in gansch Friesland, stormenderhand, namen Grovestins en zijnen zoon gevangen, die zij op Sjaardema huis te Franeker in bewaring stelden.”

Naast dochter Doedt (kw 52851) wellicht meer kinderen uit dit huwelijk. Een eventuëel DOTINGA-parenteel schijnt nog niet gemaakt.

Notities: Bij Dronrijp was er een sate Groot-Dotinga. Volgens berichten ging hieraan vooraf een DOTINGA-sate die rond 1520 werd verwoest, de stenen werden gebruikt voor de verdedigingswerken te Leeuwarden. Dotinga was dan partij in de twisten tussen Schieringers en Vetkopers, wellicht aan de kant van de Schieringers (zie hierboven). Nog te documenteren. Na 1600 levert een DOTINGH-familie burgemeesters van Leeuwarden. Mogelijk verband nog te vinden. In de kerk van Marsum noemen enkele grafzerken de DOTINGA-naam. Zoals: “Ano 1580 de 7 janiuarius sterf de ersaeme Annle Dotinga tot Marssum”, “Ao 1591 de 6 maius sterf d erbaere Imck Anles dr Dotinga syn wife h.b.” en “Ao 1592 in ianuarij sterf den ersaemen iongeling Hans Anles Dotinga”.

  1. Gerrold Minthyezn, geb ca 1481, ovl voor 1540, vader van Hoyte Gerrolts (kw 53196)

  2. Jorryt Hereszn, ovl voor 1554, vader van Here Jorrits (kw 53198)

De edelvader Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. De naam “Mernstra” heeft misschien te maken met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. “Haerda” is nog niet verklaard. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij een zoon of kleinzoon van edelvader Fedde. Engelum is dorp in Menaldumadeel, noordelijk op korte afstand van Marssum. H.W. Steenstra “Geschiedenis van Friesland” (1845), deel II pag 264.