Van der Hoek
Documenten

China Vóór het Keizerrijk

CHINA VÓÓR HET KEIZERRIJK

China wordt in 221 voor Christus een keizerrijk. Dat blijft het ruim 21 eeuwen tot en met de kind-keizer Xuan Tong in 1912. Vanaf 1913 is China een republiek.

PREHISTORIE

De prehistorische periode eindigt voor wat betreft China in de 17de eeuw vChr met de stichting van de SHANG-dynastie. Met die dynastie beginnen de geschreven bronnen.

Vroege bewoning van het Chinese gebied door (proto-)mensen is via opgravingen aangetoond. In het zuidoostelijke deel, boven Laos/Vietnam, dat later Yunnan (“ten zuiden van de wolken”) ging heten, werden resten opgegraven van de “Yuanmou-mens” die daar 1,7 miljoen jaar geleden zal hebben gewoond. “De aanwezigheid van as en geblakerde beenderen bij de plaats waar de fossiele tanden van de Yuanmou-mens zijn opgegraven, duiden op het mogelijk gebruik van vuur.” De “Lantian-mens” die in 1963 in de buurt van de stad Xi’an werd gevonden (bij het dorpje Lantian, 60 km zuidoostelijk van Xi’an), dateert van ca 600.000 jaar geleden. Een vrij dikke schedel en vooruitstekende kaak, herseninhoud 780 cc. In 1938 trof men restanten van de “Peking-mens” die rond 500.000 jaar geleden woonde bij Zhoukuodian in het noordoostelijke deel van het Chinese gebied (bij Peking/Beijing). “Een ontwikkelde mensachtige, wiens ledematen en romp normale proporties hadden.” Rond de grot bij Zhoukuodian woonde een groep jagers en verzamelaars. “De Pekingmens was in staat gereedschappen te maken, kende vuur en had een gevarieerd dieet van eetbare bladeren, noten en wortelen, aangevuld met vlees van de dieren die in de buurt rondzwierven – herten, antilopen, schapen, paarden, varkens, buffels, katten, neushoorns, kamelen en sabeltijgers.”

“Al deze vroege mensachtigen waren afhankelijk van wat de natuur hun te bieden had. Als jagers en voedselverzamelaars moesten ze mobiel zijn om de seizoensveranderingen van de natuur te volgen en daarom was er weinig tijd beschikbaar voor de ontwikkeling van een cultuur. Ze zagen zich bovendien gesteld tegenover wijzigingen in de natuurlijke omstandigheden die werden veroorzaakt door het oprukken van het ijs: de Pekingmens doorstond twee lange perioden van koud, droog weer en een korte warme en vochtige periode, zonder biologische veranderingen te ondergaan. Pas op een relatief recent tijdstip, binnen de laatste 10.000 jaar, waren de voorouders van het Chinese volk klaar voor een sedentaire levenswijze, gebaseerd op landbouw.”

Het oudste opgegraven dorp ligt bij Banpo, vijf kilometer ten oosten van Xi’an. Dit dorp is gedateerd tussen 4700 en 4200 vChr en is representatief voor ten minste 400 nederzettingen op de lössterrassen van het stroomdal van de rivier Wei, die iets verder oostelijk uitmondt in de Gele rivier. “Aan het eind van de ijstijd werd een laag löss afgezet in een groot deel van Noord-China, op sommige plaatsen bijna 100 meter diep. Deze gele aarde werd door de wind meegenomen van de semi-aride steppe en is gemakkelijk te bewerken en zelfbemestend als zij goed wordt bewaterd, zodat de primitieve brandcultuur onnodig werd.

“Op dit vruchtbare land ontwikkelde zich in het 5de millennium vChr langs het middendeel van de Gele Rivier en de rivier de Wei de eerste sedentaire cultuur. Deze wordt Yangshao genoemd, naar het dorp in de provincie Henan waar in 1921 de eerste identificatie plaatsvond.”

Vroegste nederzettingen

“De archeologische vondsten hebben niets opgeleverd dat erop wijst dat de Chinezen of de proto-Chinese Yangshao-mensen ooit een pastorale fase hebben doorgemaakt. Melk en melkproducten kwamen bijna niet voor in de voedingsgewoonten van de Chinezen, terwijl de taal rijk is aan metaforen die betrekking hebben op de landbouw.”

Om de Banpo-nederzetting (ca 500-600 inwoners) heen lag een ringvormige greppel van zes meter diep die een terrein van bijna 50.000 m2 omvatte. In Banpo-opgraving restanten van schoffels, spaden, snijwerktuigen, graafstokken en maalstenen (gierst). Varken was het belangrijkste gedomesticeerde dier. Ook jagen en vissen. “Hoe belangrijk rivieren en stroompjes waren, kan worden afgeleid uit de grote hoeveelheid visgerei die werd gevonden, maar ook uit het veelvuldig gebruik van gestileerde vissen ter versiering van het aardewerk. Meer dan een half miljoen stukken aardewerk werden gevonden, waarvan er zo’n duizend goed genoeg bewaard zijn gebleven om de kwaliteit van de Yangshao-keramiek aan te tonen. Terwijl een fijn-aardewerksoort met geometrische figuren in zwart, rood en bruin werd gereserveerd voor rituele doeleinden, voldeden grove, grijze stukken met een ingedrukte versiering voor dagelijks gebruik. Deze laatste werden versierd met indrukken van touw, matten of manden.”

De meeste onderkomens van de Banpo-inwoners zijn half ondergrond. De löss-aarde “kan gemakkelijk worden uitgegraven voor vuurkuilen en voorraadkelders en er kunnen richels, zitplaatsen en bedplatforms van worden gevormd.”. In Banpo ook fundamenten van een grote hut (20 bij 12,5 meter), die d.m.v. scheidingswanden was verdeeld in afzonderlijke kamers met stookplaatsen. “De huisvloeren waren gewoonlijk bepleisterd en boven de lage muren van met leem opgevuld vlechtwerk staken rieten daken, ondersteund door houten palen. Buiten de verdedigingsgreppel lagen de begraafplaats, waarop 130 volwassenen begraven waren, en een pottenbakkerij met niet minder dan zes ovens, waarvan er een nog ongebakken potten bevatte.

“Een geloof in een hiernamaals wordt geimpliceerd door het plaatsen van voedsel en gebruiksvoorwerpen in de graven, zodat we kunnen concluderen dat hier het vage begin ligt van voorouderverering, die onweerlegbaar aanwezig was in de latere LONGSHAN-culturen.”

“De prehistorische Chinezen waren (..) nooit een homogeen volk en de uitbreiding van het oorspronkelijke culturele gebied, dat was gevestigd in de Yangshao-tijd, kwam tot stand door de geleidelijke overname van een en dezelfde levenswijze door verschillende groepen.Van centraal belang was de ontwikkeling van een religie die voornamelijk gericht was op de verering van mannelijke voorouders.”

LONGSHAN (‘DRAKEBERG’) –CULTUUR

In 1929 werd dichtbij de Longshan of “Drakeberg”, zuidelijk van waar de Gele Rivier in zee uitmondt, een cultuur ontdekt die onstond voordat de Yangshao-cultuur werd afgesloten. Was misschien een ontwikkeling vanuit die cultuur dan wel “een aparte oosterse traditie die banden heeft met het noordoostelijk gelegen Oost-Siberië.” Rechthoekige wallen, acht meter breed aan de basis, van aangestampte aarde, “ongetwijfeld een voorloper van de ommuurde steden die later ingang vonden bij de SHANGS”. Ruimte die ze omsloten vijfmaal zo groot als die binnen de Banpo-greppel. “Andere overeenkomsten met latere tijden zien we o.a. in de methoden van waarzeggerij, in de vorm van het aardewerk en interessant genoeg in een aantal pottenbakkerstekens die gelijk zijn aan karakters die zijn aangetroffen in orakelinscripties van de Shang.” Aardewerk: dun, hoog gepolijst materiaal in grijs of zwart, dat naar bepaalde tekenen te oordelen op een draaischijf is gemaakt.

De LONGSHAN-cultuur bloeide tot aan het begin van het Bronzen Tijdperk, enige tijd na 1800 vChr. “Terwijl de Longshan-cultuur in de provincie Henan de voorloper was van de Shang-beschaving (met haar steden, metaalbewerking, schrift en gedetailleerde kunst), lag dezelfde cultuur in de provincie Shaanxi ook ten grondslag aan de latere ZHOU-dynastie, in de provincie Shandong aan de befaamde staat QI en in de Yangzi-delta aan de in opmars zijnde machten van YUE en WU.

“De grafgiften op de Longshan-begraafplaatsen wijzen zowel op steeds groter wordende sociale verschillen als op de cultus van de mannelijke voorouderverering. Uit de provincie Shaanxi komt het oudste, keramische fallussymbool, dat is gedateerd op het eerste kwart van het derde millennium voor Christus. De associatie hiervan met rituele gebruiken kan worden afgeleid uit de etymologie van ZU, het karakter voor voorouder, dat eenvoudig een afbeelding is van een fallus.”

Misschien kwam de mannelijke voorouderverering gaandeweg met de uitbreiding van het cultuurgebied van de Longshans, “in zoverre dat migraties leidden tot conflicten, wat het gezag van de krijgsman vergrootte.” Huang Di (volgens historicus Sima Qian, ca 100vChr) was de eerste sterfelijke heerser, de Gele keizer, naar verondersteld in 2697 vChr op de troon gekomen. Als resultaat van zijn militaire successen tegen oorlogszuchtige stammen. “Hij werd beschouwd als de grondlegger van de overheidsinstanties. Volgens sommige tradities is hij ook de uitvinder van het magnetische kompas en van de geslagen munt, die de huizen van de porseleinslak verving als ruilmiddel. En zijn vrouw zou hebben uitgeblonken in huishoudelijke vaardigheden en de zijdecultuur, hoewel we er ons van bewust zijn dat er al in de Yangshao-periode zijderupsen zijn gekweekt.”

Waarzeggerij: d.m.v. de barsten die ontstaan in verhitte dierenboteen (schouderbladen van schapen, runderen en varkens, soms ook van herten. Na 1300vChr onder de SHANGS verregaand gestandaardiseerd.

DE XIA-DYNASTIE (voor 1650 vChr)

Waarschijnlijk de eerste van de Drie Dynastieën van voor de stichting van de keizerlijke eenheidsstaat in 221 vChr. Na de Xia volgde de Shang en daarna de Zhou. In voorgaande tijden zou de troonsopvolging via verkiezing zijn geregeld op basis van verdiensten. Zo ‘verenigde de bekwame en deugdzame Yao het zwartharige volk en bracht harmonie in het land’. De vloed werd onder bedwang gebracht door de ‘uitstekende Shun, die de rivieren verdiepten’. Hun minister Yu (2205-2197 vChr) was dertien jaar bezig met het ‘overmeesteren van het water’, zonder ook maar eenmaal naar huis terug te keren en zijn vrouw en kinderen op te zoeken.

“Het gegeven dat de oude Chinezen Yu in verband brengen met waterbeheersing, ondanks het feit dat pas vanaf de 5de eeuw voor Christus grote werken werden uitgevoerd, moet betekenen dat de erkenning van het politieke belang hiervan zeer oud is. Irrigatiekanalen, reservoirs en ontwateringswerken werden in de tijd van het keizerrijk meestal aangelegd als openbare werken, waardoor ze nauw verbonden waren met de lotgevallen van het heersende huis.”

“Tot dusverre zijn er geen afdoende bewijzen gevonden voor het bestaan van de Xia-dynastie.” Maar de Chinese annalen zijn zo accuraat, dat het dwaas zou zijn om de Xia-dynastie als een mythe terzijde te schuiven. “Een koninklijke genealogie noemt de namen van zeventien koningen die samen bijna vijfhonderd jaar hebben geregeerd en er is opgetekend dat zeven befaamde vorstendommen uit de Xia-dynastie werden hersteld toen de Zhou in 1027 vChr de Shang ten val brachten.” De laatste Xia-koning zou de tirannieke en wrede Jie zijn geweest.

VROEGSTE TIJD

DE SHANG-BESCHAVING (ca 1650-1027 vChr)

De laatste XIA-koning, Jie, werd afgezet door Tang die begiftigd was “met moed en wijsheid als een teken en leidraad voor de talloze landstreken om de oude wegen van Yu weer te volgen.” Dit zou hebben plaatsgevonden in 1766 vChr. De regering van Tang zelf werd bekend door militaire wapenfeiten (nu uitgerust met strijdwagens) en aandacht voor binnenlandse aangelegenheden.

“De periode die door Tang werd ingeluid, kenmerkt zich door de opkomst van een beschaving in China, daar de Shang zich niet alleen onderscheidden in ambachten en technologie; zij introduceerden het beeldhouwen, het bronsgieten, het gebruik van strijdwagens in de oorlog, het schrift, een gesystematiseerde orakelmethode, stedelijke paleizen, het koningschap, de adel, grootscheepse openbare werken, een accurate kalender, een panteon van goden, georganiseerde voorouderverering en grote tombes vol schatten en mensenoffers. (..) Maar bovenal gaven de Shang het oude China een gecentraliseerde staat, die in staat was de stammen op te nemen die ten noorden van de rivier de Yangzi woonden. Dit vergemakkelijkte een historisch proces waarin het samengaan van verscheidene regionale LONGSHAN-culturen leidde tot de geboorte van de Chinese beschaving”.

Tang’s hoofdstad heette Po. Verschillende plaatsen komen in aanmerking. Voorlopig denkt men dat het Erlitoe is geweest, binnenlands aan de Gele Rivier. Paleis opgegraven: aarden platform van 108 bij 100 meter, daarop rechthoekige gebouwen met een houtskelet, waarvan de voornaamste pilaren rustten op stukken steen onder in een daartoe bestemd gat. Huisvloeren, voorraadkelders, ovens, aardewerken waterbuizen, vormen voor de bronsgieterij, kroezen, stenen en beenderen. Gedateerd op 16de eeuw vChr. Eerdere bewoningsniveaus dan het paleis zijn gedateerd op kort voor 2000 vChr. De oudste bronzen die in China zijn opgegraven zijn hieruit afkomstig, dunne, spaarzaam gedecoreerde stukken die zijn gemaakt met behulp van mallen.

De grootste hoeveelheid bronzen is gevonden in Anyang (wordt Groot Shang genoemd in de orakelinscripties), de laatste hoofdstad van de Shang-koningen. Voordat Groot Shang in ongeveer 1400 vChr de hoofdstad werd, was de regeringszetel al zesmaal verplaatst. Po deed twee eeuwen dienst. De Tweede Shang-hoofdstad Ao, gesticht door Zhong Ding, de 10de heerser, lag waarschijnlijk in Zhengzhou, een eind oostelijk aan de Gele Rivier. Daar werden interessante zaken teruggevonden. Hoe groots Ao ook werd opgezet, er schijnt snel iets mis te zijn gegaan. De 12de heerser verplaatste in ieder geval, na 26 jaar, de regeringszetel naar een plaats die Xiang heette. Nog niet geidentificeerd, maar aan de overkant (noordkant) van de Gele Rivier, op behoorlijke afstand van deze rivier. Enkele volgende verhuizingen hebben plaats gevonden tot en met Geng, gekozen door de heerser Zu Yi. Kennelijk was men zich weer ten zuiden van de Gele Rivier gaan vestigen, want als Pan Geng zijn mensen na veel moeite ervan heeft kunnen overtuigen dat een nieuwe verplaatsing noodzakelijk is, laat hij iedereen de Gele Rivier oversteken naar Groot Shang, waar hij zijn beambten opdracht gaf ‘zorg te dragen voor het leven van de mensen, zodat de nieuwe stad een blijvende woonplaats zal zijn’. Pan Geng in zijn toespraak: “Wanneer er grote rampen neerdaalden uit de Hemel, bleven de heersers van weleer niet op hun geliefde plek. Zij hadden het welzijn van het volk op het oog en daarom verplaatste elk van hen de hoofdstad.” En: “Ik heb de schaal van de schildpad geraadpleegd en het volgende antwoord ontvangen: Dit is geen plaats om te wonen.” Groot Shang (Anyang) lag aan de noordzijde van de Gele Rivier ook op enige afstand, maar dichterbij dan Xiang. Men heeft hier een enorm paleiscomplex opgegraven, met een centrale groep van 21 grote hallen die volgens een bepaald plan in onderlinge samenhang zijn opgetrokken. In drie rijen op een noord/zuid-as. De middelste rij bestaat uit drie grote zalen en vijf poorten op het zuiden. Dicht daarbij staat iets waarvan men denkt dat het een altaar is. Dicht bij de poorten van Anyang zijn offers begraven (mensen, dieren, strijdwagens) en deze kunnen daar tijdens de bouw zijn neergelegd. Geen omringende muur. Begraafplaatsen.

Groot Shang werd in 1027 vChr verwoest. De laatste Shang-koning, Di Xin, wordt voorgesteld als een zeer verdorven man. In vervoering over de grote schoonheid van Dan Ji, verwaarloosde hij zijn plichten, hij oefende terreur uit. Tenslotte keerden edelen zich van hem af. “De hogere en lagere ritualisten van Shang gingen naar Zhou, met medeneming van hun rituele en muzikale toebehoren. Daarop voerde Wu de heer van Zhou, zijn volgelingen aan in een oorlog tegen Di Xin.” Aan het begin van de slag draaiden de voorste gelederen van de Shang zich om en verjoegen hun eigen leger. Di Xin vluchtte naar het Herteplatform in de hoofdstad, “deed zijn kostbare jade gewaden aan en ging in een vuur zijn dood tegemoet.” Het geblakerde lijk werd vervolgens doorboord met drie pijlen en het afgehouwen hoofd op een vlaggemast gezet.

DE VROEGE ZHOU (1027-771 vChr)

Het koningshuis van de Zhou beweerde af te stammen van Houji (hij die de gierst regeert), terwijl een andere vooraanstaande clan zijn moeder, Jiang Yuan, als eerste voorouder aanwees. Het is bekend dat beide clans, waarvan de leden over en weer met elkaar in het huwelijk traden, hun naam ontleenden aan zijrivieren van de Wei, het kerngebied van de Yangshao-cultuur. “Het is mogelijk dat een steviger economische basis in dit gebied en een overblijfsel van halfbarbaarse bedrevenheid met de wapenen er samen voor hebben gezorgd dat het Shang-koninkrijk werd vervangen door dat van de Zhou.”

Het jaartal 1027 vChr is een schatting. De vroegste vaststaande datum in de Chinese chronologie is 841 vChr, toen een opstand tegen een Zhou-koning leidde tot een regentschap waarvan de data precies konden worden vastgesteld. Maar laten we het eenvoudig houden: 1027 vChr dus. De eerste Zhou-koning is Wu die Anyang (Groot Shang), met hulp van de Shang-factie die tegen hun laatste koning rebelleerde, innam. Tan, een jongere broer van Wu, zou overigens jaren aan het Shang-hof hebben doorgebracht en de edelen daar door en door hebben gekend. Dit werpt een nader licht op het succes van de Zhou-overname.

Deze Tan, de hertog van Zhou, treedt na de dood van Wu op als regent wegens de minderjarigheid van de nieuwe koning, de zoon van Wu. De periode van regentschap wordt later, onder meer door de filosoof Confucius, bejubeld als een periode van goed bestuur. Tan zal ook de hand wel hebben gehad in de formuleringen van de acht doelstellingen uit de proclamatie van Wu bij de machtsovername: “Ten eerste voedsel ; vervolgens rijkdom en luxeartikelen; ten derde offers; ten vierde openbare werken; ten vijfde onderricht; ten zesde het bestraffen van de misdaad; ten zevende beleefdheid ten opzichte van gasten, en ten slotte het leger.” Tan onderdrukte een opstand, vaardigde wetten uit, riep een centrale bureaucratie in het leven, stichtte scholen in het hele rijk en toonde een gepast respect voor het gevallen huis door maatregelen te treffen voor de voortzetting van de offers aan de voorouders. Zijn meest verzoenende gebaar was het zoeken van werk voor Shang-beambten. Hij leerde de jonge koning over zijn verplichtingen door in diens bijzijn zijn eigen zoon, desnoods hardhandig, de les te lezen over diens verplichtingen als komende hertog van Zhou. Zo hoefde hij de grenzen van te betonen eerbied voor de koning niet te overschrijden.

De Zhou breidden hun rijk uit en brachten het feodale systeem “tot volle wasdom (..) door de onderwerping van de dichtbevolkte oostelijke steppe. Prinsen en verwanten van de koning werden geinstalleerd als heren van de benedenloop van de Gele Rivier en hun gezag werd in het begin ondersteund door garnizoenen Zhou-krijgers. Deze vazallen waren trouw verschuldigd aan de koning, die zichzelf de Zoon van de Hemel noemde, net als in de Shang-tijd.” Het slavenklasse die onder de Shang-koningen nog bestond, verdween grotendeels. Het hele systeem (met hogere en lagere adel) steunde op de arbeid van de boeren die zorgden voor de voedselproductie (eerste doelstelling), onbetaald meewerkten aan de openbare werken (vierde doelstelling) en in bepaalde seizoenen fungeerden als dienstplichtig militair (achtste doelstelling). In de proclamatie van Wu wordt de noodzaak van actieve samenwerking tussen de mens en de machten die boven hem staan benadrukt. Met de erkenning dat:

Hemel en Aarde de ouders zijn van alle wezens en de mens Van alle wezens het meest begiftigd is…. Moest de Hemel de mindere mensen helpen Door te zorgen voor heersers En te zorgen voor leraren, zodat ze in staat zouden zijn Shang Di te helpen en de rust in de vier kwartieren van het koninkrijk Veilig te stellen… Na het brengen van speciale offers aan de Hemel en Het uitvoeren van de vereiste diensten aan de Aarde, leidt de Ene de massa Om de wil van Shang Di ten uitvoer te brengen. De Hemel bekommert zich om de mindere mensen. Wat zij verlangen zal de Hemel ten uitvoer brengen. Daarom heeft de Zoon van de Hemel hun steun nodig Om alles tussen de vier zeeën te louteren.

De geleidelijke uitbreiding van het Zhou-rijk in oostelijke richting langs de benedenloop van de Gele Rivier betekende gaandeweg dat de verbondenheid aan het thuisland in het stroomdal van de Wei minder sterk werd en aparte (deel-)staatjes ontstonden. “De bevolkingsgroei en de economische ontwikkeling legden ook een zware druk op het feodale stelsel. “Vreemd genoeg was dit de periode waarin het Chinese concept over het behoren tot een unieke beschaving werd samengevat in de naam die ze hun land gaven, het Rijk van het Midden (Zhongguo).”

Het gebied dat trouw verschuldigd was aan de ZHOU-koning omvatte de provincies Shaanxi, Shanxi, Henan, Hebei en Shandong.

Het einde van de vroege Zhou

Ernstige binnenlandse moeilijkheden ontstaan er onder de tiende Zhou-koning, “de buitengewoon wrede en meedogenloze” Li. Hij werd beheerst door wantrouwen in de voornaamste leden van de adel en liet zich adviseren door een “tovenaar” die pretendeerde alle kwaadwilligen persoonlijk te kunnen aanwijzen. Na een terreurregime van drie jaar kwam de opstand van 841 vChr. De koning werd verdreven in permanente ballingschap.

De dynastie was hier geeindigd, wanneer de hertog van Zhao niet de jonge kroonprins had beschermd. Om de mensen tot bedaren te brengen gaf hij hen zijn eigen zoon prijs, die ongeveer even oud was als de kroonprins. Hoe edel…! De hertog trad op als regent tot de kroonprins oud genoeg was om koning te worden. De dynastie kon verder. Hertog eerst en koning daarna overleden. Diens zoon, You, schijnt de nare trekken van zijn grootvader te hebben overgekregen, “een door en door slechte en gewetenloze man” volgens de Documenten. In 788 vChr kon het regime zich nog herstellen van een zware nederlaag tegen stammen uit de zuidelijke gebieden Sichuan en Gangsu. In 771 vChr spanden familieleden van de koningin, door You opzij gezet voor een concubine, met die stammen samen. De hoofdstad Hao (aan de Wei) werd geplunderd en koning You werd gedood. Weer schoten voorname edelen de dynastie te hulp door de kroonprins te redden. Een nieuwe hoofdstad werd gesticht, bij Luoyang, een meer veilige plaats, iets westelijker aan de Gele Rivier. Maar: “Het prestige van het koningshuis was teniet gedaan en de ware macht en ware energie gingen over op de edelen die de grootste leengoederen bezaten en onafhankelijk waren, behalve in naam. ‘Een andere onverstandige daad was het adelen van de hoofdman van de Qin. Uit dankbaarheid voor het sturen van soldaten om hem te bewaken op zijn weg naar de nieuwe hoofdstad, verhief Ping (de zoon van de afgewezen koningin) de hoofdman niet alleen tot de adelstand, maar gaf hem bovendien genoeg land om zijn nieuwe positie op te houden, waarin de hoofdstad die hij zojuist had verlaten de voornaamste stad was.’ Van deze behoeder van de mars naar het westen zou uiteindelijk Zheng afstammen, de Eerste Keizer van China.”

Het dankbare gebaar van koning Ping hield in dat hij de leiding over het oorspronkelijke thuisland van de Zhou uit handen gaf. Aan de westelijke Qin die het welvarende gebied goed konden gebruiken, in hun voortdurende strijd met de stammen nog westelijker die voor plundertochten steeds de grenzen overstaken. De Qin ontwikkelden zich tot een formidabele militaire macht en dat zou men nog merken.

DE KLASSIEKE TIJD (770-221 vChr)

De 550 jaar die volgden na de verwoesting van Zhou-hoofdstad Hao en beloning van de Qin-aanvoerder die Ping had helpen vluchten naar de nieuwe hoofdstad, met gunning van adelstand en schenking van het Zhou-thuisland (met Hao) aan deze Qin, worden in de oude Chinese geschriften onderscheiden in: De Lente- en Herfstperiode (770-481 vChr), en de Periode van de Strijdende Staten (481-221 vChr). Het gaat om perioden van vele generaties en er gebeurde van alles. Hoewel de ZHOU-dynastie (in naam) de hele tijd aan het bewind bleef, werden de feitelijke machtslijnen steeds meer verlegd. De QIN-leiders kregen almeer gezag.

De versnippering (verval van het feodalisme)

Zhou-koning You verstootte de koningin en stelde zijn minnares in haar plaats. De koningin en haar familie namen samen met vijandige stammen wraak, de hoofdstad Hao werd ingenomen en geplunderd, koning You werd gedood (en waarschijnlijk zijn minnares). Kroonprins Ping, zoon van de verstoten koningin, werd door bevriende edelen aan het geweld onttrokken. De legerleider van de Qin speelde een belangrijke rol daarbij. Een eind oostelijker van Hoa werd een nieuwe hoofdstad gesticht, bij Luoyang, en Ping schonk de edelen die hem hielpen grote vrijheden. De Qin-leider werd in de adelstand verheven en kreeg Hoa en het oude thuisland van de Zhou (de Qin woonden westelijk daarvan) toegewezen. In naam als vazal, maar in de praktijk was het machtsoverdracht. De feodale verplichtingen vervielen gaandeweg en het centrale gezag werd ondermijnd. De edelen of vazallen werden heersers in eigen aparte staatjes die elkaar in de weg zaten en steeds vaker gingen bevechten. Uiteindelijk leidde dit ertoe “dat de Zhou-koningen ten slotte nog slechts een religieuze functie hadden en een verarmd domein rond Luoyang bezaten”. Volgens het Boek der Riten (Liji) bestonden er in de tijd van de VROEGE ZHOU (1027-771 vChr) in totaal 1763 leengoederen binnen het rijk. In het begin van de 7de eeuw vChr waren er in plaats daarvan 200 feodale staten. Tegen 500 vChr was dit aantal gedaald tot minder dan 20. En in de Periode van de Strijdende Staten (481-221 vChr) bleven er tenslotte maar 7 feodale staten over die in staat waren genoeg middelen op te brengen voor de oorlog. “Machteloos keek de Zhou-koning, de Ene, toe hoe twee grote machten, Qin en Chu, die niet eens helemaal gesinificeerd waren, meer en meer terrein veroverden door de ruzies tussen de oudere feodale staten. Tegen 221 vChr was Qin sterk genoeg om al zijn rivalen te vernietigen en het oude China in zijn geheel te verenigen in één en hetzelfde keizerrijk. De laatste Zhou-koning werd in 256 vChr bruut van de troon gestoten door Qin-troepen.”

DE LENTE- EN HERFSTPERIODE (770-481 vChr) – hegemon-systeem

Een belangrijke politieke ingreep onder de wankele Zhou-dynastie vond plaats door de hertog Huan, geadviseerd door zijn eerste minister Guan Zhong. Huan was hertog van Qi, een welvarende, noordoostelijke staat in de provincie Shandong, aan de zeekust bij de monding van de Gele Rivier. Qi was dankzij zoutwinning, ijzerproductie en irrigatiewerken economisch sterk. Huan zelf bleek doortastend tegen vijandige invallen en tegenover de rivaliteit van anderen binnen het rijk. Op advies van zijn eerste minister belegde hij “conferenties om zaken van wederzijds belang te bespreken, zoals het delen van rivieren” en om verbonden te sluiten tegen agressieve staten zoals het halfbarbaarse Chu in het zuiden. Afspraken over handhaving van waarden en normen werden ondertekend.

Een alternatieve regeermethode ontstond onder leiding van een ba (hegemon) en Huan werd de eerste hegemon (684-642 vChr). Het systeem zorgde voor nog enige orde tot de 5de eeuw voor Christus. Overigens moest Huan in de 42 jaar dat hij hegemon was, 28 maal ten oorlog trekken – het systeem kon niet zonder politiegeweld. Volgens de overlevering ging het denken van minister Guan Zhong over volledige gehoorzaamheid aan de wensen van de heerser, maar had deze als één van zijn hoofdverplichtingen de zorg voor de levensbehoeften van het volk: “Als het volk het goed heeft, is het tevreden met zijn dorpen en trots op zijn huizen. Als het tevreden is met zijn dorpen en trots op zijn huizen, zal het zijn meerderen respecteren en bang zijn om misdaden te begaan. Als het zijn meerderen respecteert en bang is om misdaden te begaan, is het gemakkelijk te regeren. Als de mensen arm zijn, veroorzaken ze moeilijkheden op het platteland en hebben niet veel respect voor hun huizen. Als het platteland onrustig is en de mensen zich niet bekommeren om hun huizen, zullen ze het wagen minachting te tonen voor hun meerderen en wetten te overtreden. Als ze minachting tonen voor hun meerderen en wetten overtreden, zijn ze moeilijk te regeren. Zo komt het dat ordelijke staten altijd welvarend zijn, terwijl onordelijke staten altijd arm zijn. Daarom zullen zij die bekwame heersers zijn eerst het volk verrijken en het daarna hun regering opleggen.”

Confucius ongeveer een eeuw later tegen zijn volgelingen: “Als Guan Zhong er niet geweest was, zouden we nu onze kleren opzij dichtknopen en ons haar op onze rug dragen.” De staat Qi was onder Huan een sterke buffer tegen barbaarse invallen. Beschermheer ook van de wetenschap, de hoofdstad Linzi een geliefde woonplaats voor geleerden. Maar Huan overleed in 642 en de familievete over de opvolging maakte een eind aan de status van Qi. De “hegemonie” ging even naar de buurstaat Song, ten zuiden van Qi, en daarna, in 636 vChr, naar de staat Jin. Deze staat was qua omvang de grootste van het rijk, langs boven- en middenloop van de Gele Rivier, tussen Qi en Qin in. Het koninklijk domein van de Zhou rond Luoyang lag binnen deze staat. In het zuiden grensde Jin aan het gebied van de Chu. De hegemonie bleef bij Jin tot 403 vChr toen Jin door interne problemen uiteenviel in de drie delen Han, Wei en Zhao. De hertog van Jin, als “hegemon”, riep de Zhou-koning naar believen op om naar zijn hof te komen en stuurde hem net zo gemakkelijk weer zonder plichtplegingen weg.

De hegemon Wen, hertog van Jin, bracht in 632 vChr de Chu een grote nederlaag toe. De Chu waren in het jaar ervoor vanuit het zuiden de buurstaat Song binnen gevallen. Wen ontzette zijn bondgenoot. De slag bij Chengpu ging nog op Chinees-ridderlijke manier. In de Strijd tussen de Staten ging het later heel wat gruwelijker toe.

De opkomst van de QIN

“Qin was ontstaan uit een klein leengoed aan de bovenloop van de Wei, ten westen van het oude koninklijke domein Zhou, en was verantwoordelijk voor de verdediging van de westgrens na de verplaatsing van de hoofdstad naar Luoyang in 770 vChr. Volgens een overlevering stamde het huis van Qin af van een paardenhandelaar, wat waarschijnlijk duidt op een niet-Chinese oorsprong, en zelfs in 266 vChr kon een edelman uit Wei nog opmerken dat ‘Qin de gewoonten heeft van de Jong- en Di-stammen. Het heeft het hart van een tijger of van een wolf. Het is inhalig en onbetrouwbaar. Het is niet op de hoogte van beleefde omgangsvormen, behoorlijke relaties en eerlijk gedrag. Wanneer de gelegenheid zich voordoet ergens voordeel uit te behalen, behandelt het verwanten alsof ze beesten waren.”

De meneer zal overdreven hebben. Maar aannemelijk is dat de Qin minder met hoofse en meer met aardse zaken betrokken waren (“provincialen”), zoals de verbetering van de landbouw en de metaalbewerking. Ze hadden bovendien de westgrens te verdedigen. “Het opbouwen van een machtige basis was niet slechts een dringende noodzaak, maar zelfs de eerste levensvoorwaarde, die voor niets anders tijd overliet. Qin werd geheel op zichzelf teruggeworpen en daarom nam de heerser de hervormingen die Shang Yang opperde graag over om deze zo volledig mogelijk te benutten ten behoeve van de staat.”

Shang Yang was nakomeling van een koninklijke concubine uit de staat Wei (in 330 vChr door Qin geannexeerd). In 356 vChr werd hij adviseur van de jonge Qin-koning Xiao die om raad verlegen zat. Yang adviseerde hem met het verleden te breken: “Het is nutteloos over verandering te praten met een man die beheerst wordt door wetten; het is nutteloos hervormingen te bespreken met een man die de slaaf is van riten. Laat uwe hoogheid niet aarzelen.” De koning: “Men moet zich in zijn plannen laten leiden door de behoeften van het moment – daar twijfel ik niet aan.” “Shang Yang kreeg de vrije hand en introduceerde een nieuwe wetscode, die was gericht op het versterken van de militaire macht van Qin. Hij was erop uit de invloed van de aristocratie te verminderen, machtige clans kapot te maken en de boeren uit hun lijfeigenschap te ontzetten; in plaats van traditionele banden kwam hij met collectieve verantwoordelijkheid als de methode om de orde te bewaren.” De negatieve kant hiervan was dat er een soort politie- en verklikkersstaat werd ingevoerd. Toen in 338 vChr de koning overleed, werd Shang dan ook snel door tegenstanders vermoord. Het despotisch systeem werd verzacht maar zeker niet verlaten. De Qin-koningen hielden vast aan een grote macht voor zichzelf binnen een gedisciplineerde bureaucratie en met een sterk leger. De filosoof Xun Zi ca 246 vChr na een bezoek aan Qin: “De eenvoudige en primitieve inwoners kunnen alleen gunsten van hun superieuren verkrijgen door zich eervol te gedragen in de slag. En de beloning is groter naarmate de prestatie groter is; zo wordt een man die van het slagveld terugkeert met vijf hoofden van vijanden, benoemd tot meester over vijf families in zijn woonplaats.”

DE PERIODE VAN DE STRIJDENDE STATEN (481-221 vChr)

De periode begint ca 480 vChr, maar dat heeft geen duidelijke reden. Het kwam de antieke schrijver van het geschrift zo uit. De hevigste strijd vond in de 4de en vooral 3de eeuw voor Christus plaats.

In 403 vChr viel de centrale staat Jin uiteen in de drie delen Zhao (aan de noordgrens), Wei (ten zuiden van Zhao, tot aan de Gele Rivier) en Han (ten zuiden van de Gele Rivier, tot aan de bovenloop van de Huai-rivier, ten zuiden daarvan was het gebied van de Chu). In het westen grensden de drie nieuwe staten aan het gebied van de Qin. Het noordelijk deel van het rijk bestond nu uit 7 afzonderlijke staten (immers nog Yan en Qi aan de Gele Zee, plus de kleine staten Lu en Song tussen Qi en Chu in), die weinig eensgezind waren. Daardoor werden de Qin in het westen en de Chu in het zuiden de grote rivalen.

De Chu beheersten het grote deel van China rond de rivier Yangzi, behalve de gebieden waar deze enorme rivier uitmondt in de Gele Zee. Daar heersten de kleine maar strijdlustige machten Yue en Wu. In 506 vChr verwoestten Wu-troepen de Chu-hoofdstad Ying aan de Yangzi. De Chu moesten toen de Qin te hulp roepen om de Wu te verdrijven. De Wu deden hun aanval door met schepen de rivier stroomopwaarts te varen. In 486 vChr vielen ze de kleinere staten Song en Lu in het noorden aan, na een transportkanaal te hebben gegraven tussen de stroomgebieden van de Yangzi en de Huai (dit kanaal werd onderdeel van het vele eeuwen later gegraven Grote Kanaal). In 473 vChr werd Wu op zijn beurt overrompeld door een plotselinge inval van Yue, de grote macht langs de benedenloop van de Yangzi. “Pas in het jaar 333 vChr behaalde Chu een beslissende overwinning op deze staten en stelde het zijn oostelijke flank veilig, maar tegen die tijd had Qin al een grondige organisatie ondergaan (..) en was het klaar om tot de aanval over te gaan.”

In 330 vChr verlegde Qin zijn oostgrens naar de Gele Rivier ten koste van (de staat) Wei en in 316 vChr bracht een uitval naar het zuidwesten de annexatie van Shu tot stand. Shu is het grote gebied waar de Yangzi-rivier ontspringt en Qin kreeg hierdoor een enorm lange grenslijn met Chu.

Tijdens de 3de eeuw voor Christius lieten de Qin in dit gebied grote irrigatiewerkzaamheden uitvoeren (Min-rivier, een van de aanvoerstromen van de Yangzi), waardoor de landbouwproductiviteit er sterk toenam. “De hedendaagse welvaart van de provincie Sichuan berust nog steeds op het project van (de gouverneur) Li Ping.” In dezelfde periode lieten ze in hun thuisland boven de rivier Wei ook een belangrijk kanaal graven tussen de zijrivieren Jing en Lao. Dit gebeurde onder leiding van de water-ingenieur Cheng Kuo uit de staat Han die hiervoor zijn diensten aan de Qin aanbood, volgens zeggen in opdracht van de heerser van Han die voor expansie van Qin in zijn vruchtbare staat vreesde. Het kanaalproject zou de Qin veel geld en energie kosten en zou daarna hun areaal aan landbouwgrond binnen eigen grenzen sterk vergroten. De Han-koning had gelijk. In 246 vChr werd het kanaal geopend. Het project “maakte het thuisland van de Qin tot het belangrijkste economische gebied, een streek waar de agrarische produktiviteit en de transportmogelijkheden een hoeveelheid belastinggraan opleverden die zoveel hoger lag dan in andere gebieden, dat degene die over deze streek heerste, over heel China kon heersen.”

Vanaf 316 vChr, na de annexatie door Qin van het Shu-gebied, hadden Qin en Chu een gemeenschappelijke grens van ruim 2000 km lang. De Qin beheersten de bronnen en bovenloop van de Yangzi-rivier, de belangrijkste rivier door het Chu-gebied. In 280-278 vChr viel Qin, langs de Yangzi, tweemaal Chu binnen en annexeerde grote stukken langs de middenloop van de rivier. In 256 vChr werd de laatste Zhou-koning (in naam nog steeds de Ene) van de troon gestoten. Zijn domein rond hofstad Luoyang geannexeerd. Dit domein, aan de zuidkant van de Gele Rivier, lag binnen Han – verdere bedoelingen van Qin vielen te raden. In 253 vChr wordt Qin-kroonprins Zheng meerderjarig (zijn vader was in de tussentijd overleden). Hij vervangt Lu Buwei, de adviseur van zijn vader, door een nieuwe adviseur, Li Si, die ook van buiten Qin afkomstig was (Wei), een leerling van de confuciaanse filosoof Xun Zi die in 266 vChr had geschreven dat de Qin inhalig, onbetrouwbaar en onbeleefd zijn. Campagnes tegen Zhao (in het noorden) en Chu (in het zuiden) leveren aanvankelijk nederlagen op. Vanaf 230 vChr (bezetting van Han) gaat het dan stormenderhand: verovering van Zhao in 228, van Wei (tussen Zhao en Han) in 225 en de definitieve nederlaag van Chu in 223 vChr. Zheng, “de Tijger van Qin”, maakt het werk af door in 222 de staat Yan te overrompelen (noordoostelijk van Zhao, aan de Gele Zee). De staat Qi, aan de monding van de Gele Rivier, is nu geheel omsingeld en geeft zich een jaar later zonder strijd over. Zheng is heerser over heel China. China wordt keizerrijk.

ooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooooo

PS: FILOSOFIE etc VAN VOOR HET KEIZERRIJK

“De politieke moeilijkheden werden betreurd door talloze filosofen die een scherp besef hadden van hun eigen marginale invloed op de gebeurtenissen van hun tijd. Hun frustratie leidde tot een vloed van denkbeelden die onder de monolitische eenheid van het Chinese keizerrijk ongekend zouden zijn. Ze werden gedwongen boeken te schrijven omdat koningen slechts zelden naar hun adviezen wilden luisteren; heel wat van deze commentators verlangden terug naar de orde van de Vroege Zhou-periode, omdat de omstandigheden niet meteen gunstig waren voor een alternatief voor het feodalisme.” (Cotterell, pg 84)

Vier grote filosofieën ontwikkelden zich voor 221 vChr: het confucianisme, het taoïsme, het mohisme en het legalisme.

CONFUCIANISME

Confucius (551-479 vChr), “een moreel filosoof, baseerde zijn sociale gezindheid op een feodale ethiek waarin van de heerser werd verwacht dat hij welwillend en oprecht zou handelen en het gebruik van geweld te allen koste zou vermijden.” Confucius benadrukte de goede traditie “belichaamd door het concept van li, dat gewoonlijk wordt vertaald met riten, etiquette, ritueel, maar dat eigenlijk wellevendheid betekent. Het is de hoffelijkheid die essentieel is voor een beschaafd mens en zelfs nu nog beschouwen de Chinezen goede manieren als een teken van moreel karakter. Li is niet alleen het stelsel van beleefdheids-regels, maar eerder de juiste manier om iedere gedachte en daad te benaderen.” De beschaafde mens aanvaardt het gezag van zijn meerderen omdat hij houdt van gerechtigheid, in tegenstelling tot de zelfzuchtige die alleen voor zichzelf respect heeft. “Laat de prins een prins zijn, de minister een minister, de vader een vader en de zoon een zoon.” Confucius hechtte waarde aan geleerdheid: “Liefde voor de mens zonder liefde voor de wetenschap wordt al snel dwaasheid. Liefde voor de wijsheid zonder liefde voor de wetenschap wordt al snel gebrek aan principes. Liefde voor integriteit zonder liefde voor de wetenschap wordt al snel gestrengheid. Liefde voor moed zonder liefde voor de wetenschap wordt al snel chaos.” De houding van Confucius ten opzichte van het geloof was zuiver praktisch: “Ik heb ontzag voor de geesten maar houd ze op afstand.” Het hemelrijk is ver boven het menselijk begrip verheven en kan niet worden door het bestuderen van barsten in verhitte dierenbeenderen, zo min als natuurverschijnselen kunnen worden uitgelegd als de wil van de Hemel. In de geschiedenis van China komt “heilige oorlog” niet voor. Mencius (rond 300 vChr) stelde de doctrine op van de natuulijke goedheid van de mens. “Wanneer een heerser de instemming van zijn onderdanen kwijtraakte en verviel tot onderdrukking, was het Mandaat van de Hemel (tian ming) ingetrokken en was een opstand gerechtvaardigd.” De Hemel schonk de troon, maar de opvolging hing af van de vrijwillige aanvaarding van de nieuwe heerser door het volk. Continuïteit kon alleen worden gewaarborgd doordat de heerser vasthield aan traditionele waarden. “Wanneer een koning zich verheugt in de vreugde van zijn volk, verheugt zijn volk zich in zijn vreugde; wanneer hij rouwt om het leed van zijn volk, rouwt zijn volk om zijn leed. Een gemeenschappelijke band van vreugde zal het koninkrijk binden, een gemeenschappelijke band van leed zal hetzelfde doen.” Een eerlijke verdeling van het land, salarissen voor feodale ambtenaren en scholen zouden de beste mogelijkheden zijn om de stabiliteit van de staat te garanderen. Xun Zi (ca 298-235 vChr) beval een strikte sociale hiërarchie aan en een rigoureuze morele training vanwege zijn heterodoxe geloof in de slechtheid van de mens. In de tijd van Xun Zi was het feodale systeem veel verder vervallen dan in de tijd van Confucius. Alleen verdienste kon de basis voor een hoge positie zijn, was zijn mening. Zijn theorieën kwamen op bepaalde punten dicht bij die van de legalisten. Xun Zi had ten opzichte van het geloof een diep rationalistische houding. Het rijk der geesten was volgens hem een beleefde fictie. Hij bespotte bijgelovige praktijken: “Het wordt alleen voor de sier gedaan. Daarom beschouwt de beschaafde mens ze ook als sier, maar het volk denkt dat ze bovennatuurlijk zijn.” Die sier vond hij wel beter dan de toepassing van geweld.

TAOÏSME

Lao Zi (geboren 604 vChr?). Volgens zijn grootste volgeling, Zhuang Zi, “leefde hij zonder spoor na te laten en hield zich bezig met dingen die niet werden vastgelegd om bewaard te blijven.” Het boek Daodejing (Boek van de Weg en de Deugd) wordt aan zijn naam verbonden, maar is waarschijnlijk van later. Het Taoïsme brengt de rivaliteit van de prinsen in een kosmisch perspectief: “Wie geeft de voorkeur aan het tinkelen van jade hangers die eens de steen heeft horen groeien in een klip.” Lao Zi hield zich bezig met de wortels van de mens in de natuur, een innerlijke kracht die alle mensen wijzer maakt dan zij zelf weten. “De kennis bestudeert anderen; wijsheid is zichzelf bekend.” De sociale evolutie was met het feodalisme een verkeerde weg ingeslagen. De confucianistische nadruk op de familie als hoeksteen van de samenleving werd door de taoïsten afgewezen. “De tegenzin om een ambt te accepteren of te trachten hervormingen in te stellen was afkomstig van de overtuiging dat men de zaken beter hun gang kon laten gaan. Dit werd samengevat in het concept lijdelijkheid: rang. “De wijze man houdt zich aan de daad die erin bestaat geen actie te ondernemen en brengt de lering in praktijk die geen woorden gebruikt.” “Het kenmerk van de wijze is doeltreffende non-assertie. Hij geeft op om te krijgen; hij laat de teugels los om te begrijpen; hij verwelkomt een relatie die wederzijds is; hij wordt bewogen door een diep gevoel van niet-bezit.” Zhuang Zi (350-275 vChr) wees het eerste ministerschap van de grote staat Chu van de hand (de heilige schildpad al 3000 jaar dood ook liever levend en kwispelend in de modder). Hij hield liever het leven van een tevreden kluizenaar. “Een dief steelt een zak geld en wordt gehangen, terwijl een andere man een staat steelt en prins wordt.”

Een andere wortel van het Taoïsme bestond uit de magie van de wu – vrouwelijke en mannelijke wonderdoeners. Zij hielden het geloof in bovennatuurlijke krachten die konden worden benut in stand. “Onverantwoordelijke kluizenaars” oordeelden de confucianisten. “Xun Zi was ervan overtuigd dat de taoïsten volledig misleid waren in hun concentratie op de natuur en hij verwonderde zich erover dat ze tijd konden verspillen aan de bestudering van nutteloze dingen. In feite betekende deze afstandelijke instelling echter belangrijk voor de ontwikkeling van de wetenschap in China, omdat op geloofwaardige wijze is aangetoond dat de taoïstische observaties en experimenten met alchemie het vage begin vormen van een wetenschappelijke methode.”

MOHISME

Mo Zi (waarschijnlijk uit de staat Lu waar hij een school had, maar hij reisde veel) propageerde een utopische doctrine van universele liefde. Hij veroordeelde de confucianistische gepreoccupeerdheid met afstamming omdat deze de sociale verdeeldheid in de hand werkte. Had interesse voor het technische aspect van het staatsmanschap i.p.v. het morele aspect daarvan. Staten mochten alleen manieren zoeken om zichzelf te verdedigen en te blijven bestaan zolang China geteisterd werd door agressie. “De man van Chu is mijn broeder.” Volgens Mo Zi bestonden de geesten die werden gestuurd om mensen die kwaad doen te straffen. Het Mohisme raakte later ondergesneeuwd.

LEGALISME

Han Fei Zi (derde eeuw vChr, prins van het koninklijk huis van Han) was van mening dat een uitgebreid stelsel van wetten, ondersteund door onontkoombare straffen, noodzakelijk was voor een sterke staat. “De heerser alleen bezit macht en hij gebruikt die als de bliksem of als donder.” De oudste betekenis van fu, het basisidee van het legalisme, is “standaard”. Aanvankelijk in verband met gewichten, lengte en volume, later algemene regelgeving. Door legalisten werd geeist dat men de wet tot op de letter gehoorzaamde. De moraal van de dag werd door de legalisten de Zes Luizen genoemd: ze schreven medelijden, vrijgevigheid, deugdzaamheid, goed vertrouwen en geleerdheid voor.

Drie en een half keer zo groot als Jarmo in noordwestelijk Irak van rond 7000 vChr (ca 150 inwoners). De rijstteelt ontwikkelde zich verder zuidelijker in de delta van de rivier Yangzi, waar in de prehistorie niet-Chinese volken woonden. Rijstoverblijfselen daar worden gedateerd op ca 4000 vChr. Dicht bij elkaar in nette rijen. In latere Yangshao-periode werden begraafplaatsen door dorpen gedeeld: “gemeenschapsgevoel dat verder ging dan het eigen dorp.” Werd Banpo in haast verlaten? De eerste Xia-koning (2205-2197 vChr). Rechthoekige stadsmuur met lengte van meer dan 7000 meter, omsloten gebied 3,2 vierkante kilometer. Grootste breedte aan de basis 36 meter, hoogte iets minder dan 10 meter. Benodigde arbeid voor de bouw naar schatting 10.000 man gedurende 18 jaar. “Geeft een idee van de grote macht van de Shang-koningen, die net als hun tegenstanders uit het Bronzen Tijdperk in West-Azië en het Middellandse Zeegebied de boeren onder de duim konden houden door middel van een metaalmonopolie.” Waren de SHANG-koningen ooit de baas over de ZHOU? Lijkt me niet. In de geschiedbeschrijving duizend jaar later werden de dingen zo aan elkaar gekoppeld. Maar de Zhou (bij de Wei) hebben een eigen voorafgaande dynastie gekend die buiten de beschrijving bleef. De Zhou voegden nu Shangterrein aan eigen gebied toe. Misschien waren ze al eeuwen daarmee bezig, getuige het hoofdsteden-vluchtgedrag van de Shang. De Hemel = Shang Di = de hemelgod. De Ene = de hemelzoon = de koning. Die eerste keizer kwam pas 550 jaar later. De Zhou-dynastie zou over de hele tussenliggende periode nog blijven bestaan. Huan moest aan het begin van zijn heerschappij zijn broer vermoorden. Guan Zhong die zijn eerste minister werd, stond in die tijd aan de kant van die broer en bracht in de strijd Huan nog bijna dodelijk letsel toe. Maar Huan nam geen wraak en had hem nodig. Guan Zhong overleed ca 645 vChr. Huan in 642 vChr. Zijn begrafenis werd door onderlinge onenigheid van zijn zoons zolang uitgesteld dat het lijk afzichtelijk werd, met wormen die de kamer uit kropen en al. Geen leuke familie, terwijl hij als hegemon alle zorg uitte betreffende normen en waarden. De ideeën van Guan Zhong zijn door latere schrijvers zo verwoord en aan zijn naam verbonden.

PAGE

PAGE 15 CHINA Arthur Cotterell 1988 vert 1991 – VóóR KEIZERRIJK