het Vroege Keizerrijk
HET VROEGE KEIZERRIJK
QIN-dynastie (221-207 vChr) Vroege HAN-dynastie (206 vChr – 9 nChr) XIN-dynastie (Wang Mang) (9-23) Late HAN-dynastie (25-220) De Drie Koninkrijken (221-265) Westelijke JIN-dynastie (265-316)
Door de militaire overmacht van de Qin kwamen in 221 vChr alle toenmalige staten van China onder heerschappij van de Qin-leider Zheng. Deze liet zich tot keizer kronen. Ruim 21 eeuwen bleef China een keizerrijk (tot en met de kind-keizer Xuan Tong in 1912), maar onder heel verschillende bewinden. De Qin-dynastie waarmee de reeks begint, houdt het slechts 14 jaar vol.
- QIN-DYNASTIE (221-207 vChr)
Qin-leider Zheng had in de voorgaande jaren alle rivaliserende staten overrompeld en onder zijn gezag gebracht. Omdat hij nu de baas was over al de koningen die hij had onderworpen, wilde hij een bijzondere titel: QIN SHI HUANGDI. De Soevereine Qin-Keizer, vertaald. DI (“keizer”) was een oud en gecompliceerd woord, dat goddelijkheid of godsgratie betekende. De Taoïsten gebruikten het voor de (halfgoddelijke) figuren “die zij wensten te zien als hun eigen inspiratie”. Zoals de legendarisch Gele Keizer (HUANG DI) als de oude wijze van wie hun leringen afkomstig waren. Zheng eigende zich de naam van de Gele Keizer toe. SHI was ook de naam voor de leden van de geleerde en bestuurlijke klasse. “Hun sociale positie verleende hun een vrijheid van gedachten en beweging die zowel de edelen boven hen als de boeren en ambachtslieden onder hen moesten ontberen.” Hier vertaald in: soeverein. En Zheng was een Qin.
Zheng was rond 60 jaar oud toen hij zich tot (eerste) keizer kon laten kronen. Zijn belangstelling voor de metafysica van het Taoïsme blijkt misschien uit de titelkeuze. Als Huangdi liet hij voor zich een mausoleum bouwen bij de Drakeberg (de berg Li) en deed hij een poging om in contact te komen met “de onsterfelijken”. Hij wilde het levenselixer in handen krijgen. Misschien speelde mee dat hij in de voorgaande jaren aan drie moordaanslagen was ontglipt, die hem wantrouwig hadden gemaakt ten opzichte van zijn omgeving. “Behalve dat zijn angst voor de dood erdoor werd vergroot en de vruchteloze speurtochten naar een middel voor onsterfelijkheid werden aangewakkerd, leidden deze voorvallen er ook toe dat hij zich uiteindelijk van iedereen afzijdig hield, behalve een kleine groep adviseurs, wat indirect aanleiding gaf tot de intriges die zo rampzalig bleken voor de dynastie na zijn plotselinge dood in 210 vChr.”
De QIN-keizerdynastie duurde uiterst kort. Maar was wel beslissend omdat China één was geworden onder één heerser en omdat de burokratische bestuursvorm die onder de Qin-monarchen voorheen werd ontwikkeld, nu algemeen model werd voor de gehele politieke organisatie. Tijdens het korte bewind van Qin-keizer Zheng werd een stroom van edicten uitgevaardigd, bedoeld “om zijn onderdanen in bedwang te houden, hun kracht in goede banen te leiden en de natuurlijke rijkdommen te gebruiken voor het verrijken en versterken van de staat.” Aan de noordelijke grenzen bleef de dreiging van de Xiongnu-nomaden die zich moeilijk af lieten schrikken, terwijl de aristocratie van de feodale staten aan de Gele Zee die pas sinds kort waren onderworpen, van de “barbaarse” Qin-keizer weinig moest hebben. De edicten dienden ter bevestigen van het centrale gezag en van de militaire macht ervan:
“Feodale landgoederen werden afgeschaft en de adellijke families werden gedwongen zich te vestigen in Xianyang, nu de hoofdstad van heel China; de boeren kregen meer rechten op hun land, maar werden onderworpen aan belastingen; het keizerrijk werd verdeeld in nieuwe bestuurlijke districten, er werden garnizoenen op strategische posities gelegerd en er werd een groep inspecteurs aangesteld om de financiën te controleren en tevens toezicht te houden op bestuur en rechtspraak; maten en gewichten, munten, de geschreven taal en wagenassen werden gestandaardiseerd; er werd een nationaal wegennet aangelegd en de kanalen werden verbeterd teneinde het leger te kunnen bevoorraden; en als maatregel tegen de Xiongnu werd de Ordoswoestijn geannexeerd en verdedigd door middel van de bouw van de Grote Muur, die van de provincie Gansu in het westen naar het schiereiland Liaodong in het oosten liep.”
Terwijl de maatregelen werden uitgevoerd, waren er natuurlijk belangrijke partijen met forse kritiek en zelfs tegenwerking. De kritiek van de geleerden-ambtenaren was voor de keizer vooral hinderlijk. De confucianisten stelden dat “niets blijvend zou zijn dat niet was gemodelleerd op de oude zaken”, maar Li Si die de koning van jongsaf had geadviseerd en nu eerste minister van de keizer was, gaf hem de raad hier hard tegen op te treden en een einde te maken aan deze kwaadsprekerij. Li Si adviseerde een onverwachte en heel ingrijpende maatregel: “Uw dienaar stelt dan ook voor dat alle mensen die literaire werken en discussies van de filosofen in bezit hebben, moeten worden verplicht deze te vernietigen. Zij die deze niet binnen dertig dagen na uitvaardiging van het bevel hebben vernietigd, moeten worden gebrandmerkt en tewerkgesteld als veroordeelden. Boeken die voor deze vernietiging moeten worden gespaard, zijn die over de geneeskunde, de landbouw en waarzeggerij. Personen die wensen te studeren, dienen ambtenaren te nemen als hun leraren.” De keizer ging in op deze raad. Met het gevolg dat er, 213 vChr, een grootschalige vernietiging plaatsvond van boeken en documenten uit en over de voorgeschiedenis van China tot dan toe. Wat allemaal verloren ging is niet te bepalen. Onze kennis over die voorgeschiedenis berust slechts op de restanten die nog bleven bewaard. (Kort erna, in 206 vChr werd de keizerlijke hoofdstad Xianyang door opstandelingen platgebrand. Daarbij ging ook de keizerlijke boekencollectie verloren waarin misschien exemplaren van de verboden literatuur nog aanwezig waren geweest.)
De boekvernietiging beeindigde veel culturele erfenis, maar de kritiek van de levende geleerden raakte er niet door verstomd. In 212 vChr stemde de keizer in met een “zuivering” onder de geleerden. Daarbij werden ca 460 van hen ter dood veroordeeld, “alchemisten die miljoenen hebben verspild zonder enig elixer te verkrijgen en geleerden die zeggen dat het de troon aan deugdzaamheid ontbreekt.” De kroonprins Fu Su probeerde zijn vader de executie van de geleerden uit het hoofd te praten (onnodig, onrust onder het volk) maar zonder succes. Hij werd met zijn medestanders door de keizerlijke vader verbannen, die tegelijk ook “de vernietiging van alle stadsmuren” verhaastte.
Keizer Zheng (de Eerste Keizer) overlijdt plotseling in 210 vChr op éen van zijn reizen door de oostelijke gebieden. Er staat dat hij 50 werd, maar volgens mij werd hij 70 jaar oud. “Deze reizen moesten doorgaan voor inspectietochten, maar waren in wezen langdurige speurtochten naar de onsterfelijkheid. Nadat hij een droom had gehad over een zeegod, die werd beschouwd als een kwade geest die hem wilde afhouden van het contact met de onsterfelijken, zwierf hij over de noordelijke kust van de provincie Shandong tot hij met een kruisboog een vis doodde, waarschijnlijk een walvis. Kort daarna werd de Eerste Keizer ziek en overleed, maar uit angst voor hun eigen leven hielden Li Si en de eunuch Zhao Gao het nieuws geheim en stuurden zij een vals edict uit waarin Fu Su het bevel kreeg zelfmoord te plegen. Toen gingen ze op weg naar Xianyang en lieten een kar vol rottende vis vlak voor de keizerlijke draagstoel rijden.” Volgens de verhalen. De geur van de rottende vis moest verbergen dat de keizer dood was en zijn lichaam al in ontbinding. Aangekomen in Xianyang werd het overlijden van de keizer bekendgemaakt. Volgens het testament dat Li Si meebracht zou Hu Hai, de tweede zoon van de keizer, diens opvolger moeten zijn. In de grote onrust die ontstond kwam uiteindelijk een stroman van eunuch Zhao Gao als Tweede Keizer naar voren, Ersho Huangdi. De sfeer was goed verziekt door deze eunuch. Zijn keizer Ershi organiseerde in 208 vChr de executie van de oude adviseur Li Si, waarna in het volgende jaar de tweede keizer door de eunuch werd gedwongen tot zelfmoord. Zhao Gao was zelf uit op de hoogste macht, maar toen hij deze op kwam vragen keerde in de audiëntiezaal het verzamelde ambtenarenhof zich tegen hem en werd hij “door drie personen bedreigd”. Volgens de Documenten: “In het besef dat de Hemel had geweigerd hem het keizerrijk te schenken en dat de ambtenarij als geheel niet zou meewerken aan zijn verlangens, liet hij een neef van de Eerste Keizer komen en overhandigde met tegenzin het keizerlijke zegel.”
De Derde Keizer, neef uit de Qin-dynastie, komt niet aan regeren toe. Na drie maanden bereiken legers opstandelingen de hoofdstad (begin 206 vChr) die de keizerlijke familie uitmoorden en Xianyang tot de grond toe afbranden. “De extreem zware last van dwangarbeid die de Qin-dynastie had opgelegd, vooral voor de rij forten die de Xiongnu moest tegenhouden, de gedwongen volksverhuizingen naar pas veroverde gebieden in het hoge noorden en verre zuiden, de wreedheid van de wetscode en de afslachting van de feodale aristocratie, hadden het regime onverdraaglijk gemaakt.”
De opkomst van de Qin, hun veroveringsoorlogen en het uiteindelijke resultaat van een verenigd Chinees keizerrijk liep wat de Qin-dynastie betreft uit op een kort en schandalig einde. De regeringsvorm werd overgenomen en bleef gehandhaafd, zonder Qin op de hoogste post.
2. VROEGE HAN-DYNASTIE (206 vChr – 9 nChr)
De opstandelingen die begin 206 vChr de keizerlijke Qin-familie uitmoordden en de hoofdstad Xianyang aan de Wei-rivier (Qin-land) afbrandden, hadden geen gezamenlijk plan in het hoofd over wie eventuëel de volgende keizer zou moeten worden. Misschien was het hele keizer-idee velen van hen vreemd. Maar door hun daden ontstond een vacature en allerlei partijen bemoeiden zich ermee. Uit de ingewikkelde strijd tussen verscheidene groepen opstandelingen kwam uiteindelijk Liu Bang, een “man van het volk”, als overwinnaar naar voren. Hij werd de Vierde Keizer. De eerste Han-keizer. Liu Bang leefde 247-195 vChr, was rond 40 jaar toen hij werd benoemd en van boerenafkomst. Volgens de geschiedschrijvers had hij ook een boers uiterlijk, dat wil zeggen een vooruitstekende neus, een bol voorhoofd, 72 moedervlekken op zijn linkerdijbeen, - kortom een plaatje. Ook werd geschreven dat hij in 209 vChr met een groot aantal “veroordeelden” een tocht maakte naar de berg Li (Drakeberg) waar de eerste keizer het jaar ervoor was begraven. Tijdens die tocht was hij verscheidende veroordeelden kwijt geraakt en had hij vervolgens de anderen vrijheid geschonken, waarna hij zichzelf aan het hoofd van deze ‘bandieten’ had gesteld. Een omslachtige manier om goed te praten dat Liu Bang, de nieuwe keizer, geen aristocraat van origine was, maar wel acceptabel als leider van en vanuit het volk. Hij was met zijn groep eerder dan de grootste rebellenlegers bij de hoofdstad aangenomen en had toen de koninklijke familie van de Qin onder zijn hoede genomen en de schatkamers en paleizen verzegeld en laten bewaken. Aldus het verhaal. De Chu-edelman Xiang Yu die met zijn grotere legers later de stad bereikte en voorname rivaal was voor de keizer-functie, liet daarentegen zijn mensen de stad plunderen en de beschermingen doorbreken, met de bloedige gevolgen.
Als keizer kreeg Liu Bang de naam Han Gaozu. Hij “was bijna zeker analfabeet en niet zo’n klein beetje intolerant ten opzichte van geleerden.” Hij toonde zich het liefst als een gewone man. “Zijn gewoonte om op zijn hurken te gaan zitten, gekoppeld aan zijn grove vocabulaire, bracht de welgemanierde hovelingen van hun stuk en accentueerde de goedgezindheid die het volk jegens hem voelde.” Zijn motto: Maak het niet te moeilijk. Gaozu benoemde de klerk Xiao He (gestorven 193 vChr) in de hoogste positie aan het hof. Deze was al zijn rechterhand tijdens de burgeroorlog geweest en had een goed organisatie-talent. Geen krijgsman maar een bestuurder. “Een groot deel van het vroege succes van de dynastie is te danken aan het sobere beleid van Xiao He en zijn assistenten.” Op advies van Xiao He werd in 202 vChr de hoofdstad Xianyang verruild voor een nieuwe hoofdstad aan de tegenoverliggende noordoever van de rivier de Wei: Chang’an (Eeuwigdurende Vrede). Gaozu begreep heel goed dat de nog altijd machtige Qin-aristocratie voorzichtig moest worden aangepakt en dat hij met herverdeling in andere richting van feodale macht mondjesmaat moest omgaan. Tot zijn dood in 195 vChr (hij werd ca 58 jaar) was hij in staat de partijen redelijk tevreden te stellen. Onder Gaozu werd begonnen het beleid te baseren op een confuciaans model. Hij had weinig op met de excessief-legalistische richting (“Maak het niet te moeilijk”). En had respect voor overgenomen Qin-praktijken. Zijn beleid werd voortgezet onder zijn zoon, die nog twee jaar kon profiteren van de aanwezigheid van Xiao He, maar na diens dood van de minstens zo voorzichtige en sobere adviseurs uit dezelfde school.
In 179 vChr werd de afstammeling Han Wen Di keizer (179-157 vChr). Deze hing openlijk de leringen van Confucius aan. “Wen Di stond bekend om ‘zijn welwillende, humane aard, om zijn strenge economie en om de onophoudelijke aandacht die hij had voor het belang van zijn volk’. Zijn zorg om het welzijn van zijn mensen hield onder andere in dat er op kosten van de staat hulp werd geboden bij hongersnood, dat er pensioenen kwamen voor de ouden van dagen, dat de slaven werden bevrijd en dat de wreedste Qin-methoden van executie werden afgeschaft. Hij stelde nog meer confucianistische geleerden aan in de hoogste staatsposities en stelde daardoor tegen het eind van de eerste eeuw voor Christus de zege van deze filosofische school veilig.”
Keizer Han Jing Di (156-141 vChr) wijzigde de erfwetten, na een opstand van de oostelijke grondbezitters in 154 vChr. Alle zonen werden mede-erfgenamen van hun vader en het land werd tussen hen verdeeld. Overmatig grote landgoederen kwamen hierdoor in meerdere verschillende handen. Keizer Han Wu Di (140-87 vChr) had een regeerperiode van ruim 50 jaar. Onder zijn bewind werd de onteigening van de oude aristocratie voltooid. Strenge ambtenaren mochten optreden tegen al te machtige families, of dit nu families van oude oorsprong waren of nieuwkomers, dat maakte niet uit. Wu Di was 14 jaar toen hij de troon besteeg. In 136 vChr riep hij het confucianisme uit tot erkende staatscultus, op advies van Dong Zhongshu (ca 179-104 vChr). Tijdens de regering van Wu Di was het Bureau voor Muziek een van zijn favoriete instellingen. Dit zorgde voor de verzameling van liederen en composities en subsidieerde orkesten en uitvoeringen. Na zijn dood volgden anderen met minder hobby voor muziek. Ook omdat na zijn tijd de economie verslechterde en de staatskas tekorten ging tonen.
+++++ rond pg 115 ==
Aan de rivier Wei in het thuisland van de Qin. Voor de meeste adellijken een plaats in de barbaarse rimboe. Li Si kende de belangstelling van zijn meester voor de magie. Hij sloot in zijn advies tot vernietiging de boeken uit die de keizer koesterde. Misschien besefte hij ook dat waarzeggerij-boeken een grote (onschuldige) verspreiding hadden en sloot hij ze uit om de campagne niet nodeloos ingewikkeld te maken. Kennis als keizerlijk monopolie. Boekvernietiging was al niet nieuw. In de 4de eeuw vChr had adviseur Shang Yang de Qin-heerser Xiao al laten overgaan tot verbranding van exemplaren van het Boek der Oden en het Boek der Documenten, omdat deze gezagsondermijnend werkten. Het gezag van Xiao betrof maar een deel van het rijk en genoemde boeken bleven toen elders onbedreigd. Omdat in die tijd kopieën schaars waren, was elk vernietigd exemplaar natuurlijk wel een groot gemis voor latere raadpleging. Een opmerkelijke maatregel: de stadsmuren stonden kennelijk het binnentrekken van de keizerlijke legers en politiemachten in de weg. In de ommuurde steden wist of vermoedde het keizerlijk bestuur de meeste tegenstanders. Drie pogingen hem naar kastjewijlen te verhuizen?
PAGE
PAGE 5 CHINA Arthur Cotterell 1988 vert 1991 – Vroege Keizerrijk