Van der Hoek
Families

Honderdzestig Jaar

'De knaap was lang berucht. Voor 't baasje, dat gelijk een vogel door de lucht Kon vliegen over 't ijs. 't Is Pier, die de ellef steden Van Friesland, op één dag, heeft in het rond gereden, En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek Te Bolsward in den stal, bij Vetlap Van der Hoek.'

Fenno L. Schouwstra vroeg via een ingezonden brief in de Leeuwarder Courant (16 januari 1969) aan lezers of zij wisten wie de dichter was van dit versje en uit welk jaar het stamt. Het versje was afgedrukt in dezelfde krant in 1940, in een artikel over vroege Elfstedentochten. De krant had het toen over 'een dichter uit de 18e eeuw'.

HONDERDZESTIG JAAR

VAN DER HOEK/DE JONG

1835-1995

1. WESTLAND

Vakantie was er niet bij voor het tuindersgezin. Een dagje naar het strand misschien of naar de stad, als de tuin het toeliet. Alleen in de winter, als het rustig was op de tuin, was er meer tijd voor nutteloze bezigheden, zoals schaatsen. Voor de rest was het leven: werken, bidden, eten en slapen.

In 1985 wijdde het Westlands Streekmuseum (Naaldwijk) een tentoonstelling aan het leven van Westlandse tuindersvrouwen in de periode 1920-1940. Rangen, standen en godsdiensten speelden een grote rol. Katholiek tuinde bij katholiek, gereformeerd bij gereformeerd. Het aantal kassen en schoorstenen bepaalde je positie en huwelijkskansen. Had je geen schoorstenen, dan was je van de koude grond. Voor de vrouwen waren huishouden en moederschap de voornaamste taken, maar de tuin moest daarmee worden gecombineerd. Als de druiven gekrent moesten worden of de tomaten gehobbeld, gingen de kinderen mee de kas in. Eén in de buik, éen aan de borst en éen in de box, was het moederpatroon. Met carbid en water werden de klompen voor de zondag wit geschuurd. Je werd moe van het stampen van de was in de tobbe. Vierhonderd keer stampen voor de witte was. Vierhonderd keer voor de bonte. Vierhonderd keer voor de donkere was. En dan nog een keer. In de avonduren moest het vele verstelwerk worden gedaan.

Het was niet veel anders in de jaren voor 1900, toen Neeltje Roem in Naaldwijk opgroeide. Tuindersdochter. In november 1871 werd ze geboren. Haar vader was 45, haar moeder veertig. Ze zullen wel van de koude grond zijn geweest.

Gezin

Neeltje (28) trouwde 2 september 1900 te Naaldwijk. Bonne Van der Hoek, uit Friesland, was 25 en al enkele jaren aan het heen en weer trekken in het zuiden van Holland. Hij hield zich in leven door allerlei klusjes, was niet onbekwaam met naald en schaar, kon kleren maken. Het patroon van éen in de buik, éen aan de borst en éen in de box trad onmiddelijk in werking. Binnen acht jaar was het jonge echtpaar zes kinderen rijk, vier dochters en twee zoons.

Drie dochters kwamen eerst. Hiltje, genoemd naar Hiltje Lukkes (1840-1915) de moeder van Bonne. Antje, naar de moeder van Neeltje, Antje van Beek (1832-1905). Janna, vernoemd naar Bonne's vader, Jan Woltersz Van der Hoek (1835-1927).

Op 30 april 1906 werd het vierde kind geboren. Een zoon die de naam Willem kreeg, naar de vader van Neeltje, Willem Roem (1826-1907). Oma Antje (van Beek), de moeder van Neeltje, was het jaar ervoor overleden. Opa Willem (Roem) overleed, 81 jaar oud, een jaar na de geboorte van zijn kleinzoon Willem. Bonne en Neeltje bleven in Naaldwijk wonen en kregen er nog een dochter, Willemien en op 7 januari 1909 een tweede zoon. Die werd vernoemd naar Bonnes vader: Jan Wolters.

Verhuizing Ruim twee jaar later werden kinderen en huisraad ingepakt. Het Westlandse gezin ging naar Friesland, naar de geboortestreek van Bonne. Bonne was geen tuinder. Door een handicap was hij tot een zittend beroep veroordeeld. Kleermaker, want er viel veel verstelwerk te doen (zie boven). 'Een echte kleermaker was hij niet', volgens de latere, Friese, schoondochter Lieske. Die het kon weten omdat ze ook met verstelwerk haar eerste kost verdiende.

Namen

Willem Roem 4 mei 1826 - 8 mei 1907 Naaldwijk, tuinder, gereformeerd

Antje van Beek 5 april 1832 - 28 maart 1905 Naaldwijk gehuwd met Willem Roem

Jan Woltersz Van der Hoek 8 april 1835 - 23 september 1927 Brongerga/Oranjewoud/Terband contractarbeider, gereformeerd

Hiltje Lukkes 29 februari 1840 - 12 augustus 1915 Brongerga/Oranjewoud/Terband gehuwd met Jan Woltersz Van der Hoek

Neeltje Roem 17 november 1871 - 15 november 1937 Naaldwijk/Heerenveen dochter van Willem en Antje gehuwd met Bonne Van der Hoek 2-9-1900

Bonne Van der Hoek 8 januari 1875 - 1 mei 1943 Oranjewoud/Terband/Naaldwijk/Heerenveen zoon van Jan Wolters en Hiltje kleermaker, gereformeerd

2. GRINTDYK

In Friesland was het geen weelde. Bij de stormvloeden van begin februari 1825 brak aan de Zuiderzeekust de dijk op tientallen plaatsen door. Het zuiden van Friesland, op de hoge gronden na, stroomde onder. Meer dan 50.000 personen, een kwart van de hele bevolking van Friesland, werden getroffen door de ramp en moesten vluchten. Na ongeveer drie weken pas konden ze weer terug naar hun meestal verwoeste boerderijen en woningen. Omdat het noodweer geleidelijk kwam (maar wel lang aanhield), waren er gelukkig maar weinig doden. Zo'n watersnood had men in generaties niet meer gekend.

In de Fryske Folksalmanak van 1860 schrijft de Leeuwarder stadsarchivaris Wopke Eekhoff een verslag over de werken die na 1825 allemaal werden uitgevoerd, met de hoge bedragen erbij. Het was een tijd van economische ellende maar 'de werken' werden wel gericht aangepakt. Wat de wegen betreft ging de aandacht de eerste twintig jaar vooral uit naar de belangrijkste hoofdwegen, buiten die van zeehaven Harlingen naar Leeuwarden (de trekvaart). De weg van Leeuwarden langs Heerenveen naar het Zuiden toe was het eerst aan de beurt (1827). De aanleg kostte 700 duizend toenmalige guldens, waarvan een deel door het rijk ('rijksstraatweg'), een deel door de provincie en het grootste deel door de aanliggende gemeentes werd betaald. Ook de andere hoofdwegen kwamen aan de beurt. Die van Bergum, via Drachten, Beetsterzwaag en Gorredijk, naar Heerenveen in 1851. Eekhoff is lovend over de miljoenenbudgetten die werden uitgegeven. In 1857 werd vanuit de Lemmer langs Oosterzee en Echten over de hele lengte van Schoterland tot aan Donkerbroek en Oldeberkoop een 'grintdijk' aangelegd.

Aan de grintdijk door Oranjewoud werd op 7 januari 1875 Bonne Van der Hoek geboren. Jongste zoon uit gezin van vier kinderen: Wouter, Griet, Bontsje en Bonne. Vader Jan Woltersz Van der Hoek was bijna veertig, moeder Hiltje Lukkes bijna 35 jaar oud bij Bonne's geboorte. Beiden afkomstig uit Brongerga, waren eventjes eerder naar de Grintdyk verhuisd. Nauwelijks twee kilometer ten zuidwesten van Brongerga. Uit de namen van hun twee jongste kinderen zou kunnen worden afgeleid dat ook in hun geval door overlijden van de ouders van Hiltje (Griet en Bonne Lukkes) de reden om in Brongerga te blijven wonen verdween. Bonne Lukkes zou dan na de geboorte van dochter Bontsje en voor de geboorte van zoon Bonne gestorven zijn. De ouderwetse gewoonte van vernoemingen van kinderen levert ouderwetse kindnamen op naar tegenwoordige ideeën, maar is wel nuttig bij historisch onderzoek.

Oranjewoud

In Friesland en de Friezen, gids voor reizenden (1877) wordt een schrijver uit 1727 geciteerd die over Oranjewoud schreef: - welke Princelijke Plaats, om deszelfs Heerlijke Huisinge, schone Lanen of Alées, Boschagie en aangename wandelingen, uitstekende Orangerije enz., zeer vermaart is, en in de Somer door de Vreemdelingen gestadig bezocht word.

De 'prinselijke plaats' ontstond sinds 1664 toen Albertina Agnes een groot stuk heideveld kocht, zuidoostelijk van Heerenveen. 'Een eenzaam gebied,' schrijft Hendrik Algra (in 'Rondom de Oldehove' 1938/1952). 'Aan de noord- en de zuidkant veenachtige, waterige streken, op een zandrug wat kleine boerderijtjes, een kerkje en een klokhuis. Aan de westkant een weg, waar in normale tijden twee keer in de week de post langs ging naar Steenwijk. Daar in die stille streek bouwt Albertina Agnes een huis en noemt het Oraniënstein. Rondom het huis wordt een park aangelegd, rechte lanen en vierkante perken. Als zij er des zomers vertoeft, en er haar brieven schrijft, zet zij er boven Op 't Woud.' 3. ALBERTINE AGNES

Bonne Van der Hoek werd door zijn huwelijk met Neeltje Roem grootvader van 23 kleinkinderen, waarvan meer dan de helft ook in Oranjewoud werd geboren. Hoewel Bonne als jongetje al naar elders verhuisde en Neeltje nooit in Oranjewoud heeft gewoond. Hun zoon Willem kwam er in 1935 wel weer te wonen en zorgde voor dat Oranjewoudster nageslacht. Albertine Agnes was de aanstichtster.

Albertina Agnes, prinses van Oranje-Nassau, tweede dochter van Hollandse stadhouder Frederik Hendrik en van Amalia van Solms. Geboren 9 april 1634 in den Haag, overleden 14 mei 1696 in Oranjewoud. Ze trouwde op 2 mei 1652 met achterneef Willem Frederik, de stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Zo kwam ze in Leeuwarden terecht. Moeder Amalia (Frederik Hendrik was al overleden) was tegen het huwelijk met de twintig jaar oudere Willem Frederik, die nogal liet merken een stadhouderschap van de 'Hollandse' Oranjes over de hele republiek der verenigde Nederlanden niet te steunen. Het huwelijk werd toch gesloten. De kleinzoon van graaf Jan de Oude van Nassau (de oudste broer van Willem van Oranje) trouwde met een kleindochter van Willem van Oranje. Die kleindochter stichtte Oranjewoud. Terwijl Albertine op een zondagmorgen, eind oktober 1664, in de Grote Kerk te Leeuwarden een dienst bijwoonde, werd zij door een ijlbode uit de kerk gehaald. Willem Frederik was thuis gebleven en had zich bij het nakijken van zijn ruiterpistolen in het hoofd geschoten. Willem Frederik: 'Sij woudt gheen vuyr geven, doe sach ick ernae en in die tijd ginckse los.' Een nuchter verslag. Hij stierf aan de gevolgen, ruim een week later, op 31 oktober 1664.

Albertine werd regentes voor zoontje Hendrik Casimir, dat in januari 1657 was geboren (in den Haag). Vanaf 1664 liet zij 'het Friese Haagje' bouwen, omdat ze wel in Friesland moest blijven: Oranjewoud. Als een schrijver in 1727 de 'princelijke plaats' roemt, zitten we midden in de gloriejaren van de 'Oranjeresidentie'. Die duren relatief kort. Al in 1672, hij was toen 15 jaar oud en in de geschiedenis heet het 'het rampjaar' (invallen van Fransen en van de bisschop van Munster), werd Hendrik Casimir noordelijk stadhouder. Zijn neef Willem III (de Hollandse stadhouder, later ook koning van Engeland) vroeg hem met regimenten twee jaar later mee op te trekken tegen de Fransen. In de slag bij Seneffe kwam HC met zijn paard ten val en liep hij een inwendige kneuzing op waarvan hij nooit echt genas. Hij overleed op 25 maart 1696, 39 jaar oud, te Leeuwarden, moeder Albertine Agnes twee maanden later, 62 jaar oud, te Oranjewoud. Zowel Albertine als HC deden allerlei eigenzinnige dingen die bij de Hollandse Oranjes niet in goede aarde vielen. Ook de Friese Staten hielpen daarbij mee. De tweede helft van de 17de eeuw is vol onenigheid tussen de Hollandse en de Friese Oranjetakken (en Jan de Witt natuurlijk). Mede dankzij de sussende invloed van Henriette Amalia, prinses van Anhalt-Dessau (1666-1726, ook een afstammelinge van Frederik Hendrik), met wie HC in november 1683 trouwde, kwam het tot schikkingen. In de korte tijd van hun huwelijk kregen Amalia en Hendrik Casimir zeven dochters en een zoon. Nog voor de dood van HC wees Willem III die inmiddels tevens koning van Engeland was geworden en nog geen eigen kinderen had, die zoon, Johan Willem Friso, als zijn universele erfgenaam aan. Mocht Willem III werkelijk geen nakomelingen krijgen.

Het verhaal moet bekend zijn. Koning-stadhouder Willem III struikelde in 1702 met zijn paard (in Engeland) en stierf. Er waren geen kinderen. De Hollandse Oranjes waren in mannelijke lijn uitgestorven. Aan Johan Willem Friso, op 4 augustus 1687 te Dessau geboren (zijn moeder kwam niet inwonen bij Albertine Agnes te Oranjewoud) vervielen allerlei rechten. Maar zijn vader dood, zijn oma dood, zijn nog jonge moeder (met zeven dochters erbij) de voogdij. In Holland zat men niet om hen te springen. JWF ging school in Franeker en Utrecht. Na de dood van Willem III voelde hij zich geroepen ook militair te worden. De Spaanse Successieoorlog leek een uitgelezen doel. In Oranjewoud kwam hij zichzelf al tegen. 'Op weg naar het leger, wilde hij in 1703 als een echt officier (hij was nog maar 15 jaar) te Oranjewoud zijn lijfwachten inspecteren. Door het gejuich der omstanders werd echter zijn vurig Spaans paardje onrustig, wierp hem af en trapte hem onder het schouderblad. Tengevolge hiervan moest hij enige weken het bed houden.' (Algra)

Moerdijk

Toen JWF twintig werd (1707) werd hij, al eerder voorlopig benoemd, in Leeuwarden daadwerkelijk als erfstadhouder en kapitein-generaal ingehuldigd. Groot feest, ook in Hoek. Het jaar daarop viel hem dezelfde huldiging ten deel in Groningen.

Tussendoor deed hij mee aan de gevechten in Frankrijk en werd hij verliefd op Maria-Louise, de dochter van de landgraaf van Hessen-Kassel. Bij de belegering van Rijsel (Lille) was hij zich aan het aankleden, in gezelschap van zijn dienaar Du Cerceau, toen in een Frans tegenbombardement een kanonskogel door het raam vloog en het hoofd van Du Cerceau raakte die ter plekke overleed (augustus 1708). De 21-jarige JWF ging die winter naar Kassel en trouwde met Maria-Louise (29 april 1709), maar trok direct daarop ook weer naar Frankrijk. In de slag bij Malplaquet gedroeg hij zich heel krijgshaftig (of roekeloos) door bijna zijn hele regiment door de schansen te jagen, waarbij de meesten sneuvelden. Hemzelf overkwam niets, wel 'werden twee of drie paarden onder hem neergeschoten'.

Herfst 1709 had JWF weer oorlogvrij. Hij ging naar Kassel om Maria Louise op te halen (ook 21 jaar oud) en naar Oranjewoud te brengen. Het jonge paar werd daar door vertegenwoordigers van de Friese Staten begroet. Nieuwjaarsdag 1710 reisden ze via Bergum naar Leeuwarden, de weg Heerenveen-Leeuwarden was kennelijk niet begaanbaar. In Leeuwarden (en in maart ook te Groningen) werden grote feesten gevierd. Hofmeester Vegelin vond het allemaal erg duur.

JWF liet Maria-Louise achter in Friesland om regelmatig aan de gevechten in Frankrijk mee te doen. Daar had hij lol in. Uit een brief aan zijn moeder: 'De vijanden werden teruggedreven.... verscheidene zijn gedood, gevangen of verdronken, want zij hadden geen verbindingsbruggen met de stad om zich terug te trekken. 't Was een plezier om te zien, wat voor grappige vertoning die Franschen maakten in't water; wij schoten er op als op eenden'.

Terwijl de jonge JWF, aangewezen erfgenaam van koning-stadhouder Willem III, zich zo bezig hield met o.a. de Spaanse Successie Oorlog, kwamen zijn eigen aanspraken in gevaar. Hij was achterkleinzoon van de Hollandse Oranje Frederik Hendrik, via diens dochter Albertine Agnes. Maar de koning van Pruisen, een heel stuk ouder, was getrouwd met een andere dochter van Frederik Hendrik (Henriëtte Louise) en beriep zich op andere bepalingen in diens testament. Dat hield in dat een deel van de nalatenschap aan Pruisen zou vervallen. In de zomer van 1711 keerde JWF vanuit Frankrijk naar Holland terug waar de Staten Generaal, aangewezen als uitvoerders van het testament van Willem III, tot een uitspraak zouden komen. Dinsdag 14 juli 1711 ging hij bij Moerdijk op het veer over het Hollands Diep, vanwege een hoosbui stapte hij over in de boot waarop zijn koets stond, de schuit sloeg om en het lijk van JWF werd pas tien dagen later in het water teruggevonden. Zo haalde hij zijn 24ste verjaardag niet.

De koning van Pruisen pikte de gebieden van Meurs en Lingen in, die als eigendom van de Oranjes golden en waar ook Staatse garnizoenen lagen. Bij het einde van de Successie Oorlog (1713) namen de Pruisen ook Opper-Gelder. En nam Frankrijk het prinsdom Oranje in bezit. De benaming 'prins(es) van Oranje-Nassau' die het Nederlandse koningshuis, afstammend van JWF, nog steeds voert, is sindsdien een titel en niet meer.

Oranjewoud

Dit alles gebeurde dus, voordat de schrijver van 1727 zulke fraaie dingen beweerde over de 'princelijke plaats' Oranjewoud. Even was er in 1711 geen mannelijke Oranje meer (in rechte afstamming). Maar Maria-Louise was in verwachting en op 1 september 1711 werd in Leeuwarden alsnog een zoon geboren, Willem Karel Hendrik Friso (Willem IV). ⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭⎭ Maria-Louise moest als voogdes optreden. Die functie werd elders in de verenigde republieken niet erkend, zodat daar een stadhouderloos tijdperk aanbrak. Maria-Louise deed het heel goed en veroverde de Friese harten: Marijke-Meu (tante Marijke) werd haar erenaam. In Oranjewoud is een weg naar haar vernoemd.

Marijke Meu werd 77 jaar oud. Ze overleed te Leeuwarden in april 1765. Ze maakte het nog mee dat zoon Willem IV in 1734 in Londen trouwde met Anna van Hannover, de dochter van de Engelse koning George II. Dat het paar blij werd ingehaald in Friesland en in Groningen en Drenthe. 'Leeuwarden was in die dagen wel echt een residentiestad. Na 1734 vooral. Want nu een koningsdochter te Leeuwarden woonde, nam de statie toe. Het Hof werd vergroot, er kwam een grote danszaal en een Engelse kapel. En ook de Prinsentuin werd opnieuw verfraaid. In de zomer naar Oranjewoud of naar het Loo, soms ook naar Breda; want al deze verblijven van het Oranjehuis hoorden nu aan de Friese stadhouder.' (Algra)

Te Oranjewoud liet Willem IV voor zijn dochter Carolina een eigen huis bouwen: Carolineburg. Het zag er allemaal veelbelovend uit, maar hiermee stopte het ook. Bij de Franse inval van 1747 werd Willem IV door Holland, Zeeland enz. tot erfstadhouder, kapitein- en admiraal-generaal benoemd. Terwijl hij zich richting Den Haag wendde, braken in Friesland ernstige oproeren uit (Pachtersoproer) tegen de belastingen en omdat Willem IV weinig zinnigs wist te bedenken, keerde men zich tegen 'de Hollanders'. Willem en Anna verhuisden met kinderen naar Den Haag, waar Willem in 1751 (40 jaar oud) stierf. Anna moest als gouvernante optreden voor zoontje Willem V en ook nog als 'staatshoofd' tijdens de Zevenjarige Oorlog. Haar betrekkingen met Marijke-Meu waren erg slecht. Anna overleed in 1759, zodat Marijke-Meu opnieuw regentzaken kreeg opgedragen (Willem V was 8 maart 1748 geboren). Toen ze zelf in 1765 overleed, kwam ook het einde voor Oraniënstein in Oranjewoud heel snel. Willem V werd in de jaren daarna nog wel gehuldigd, maar er ontstond in Friesland een erg sterke anti-Oranje beweging (anti-Holland). De Patriotten kregen veel macht, de 'Franse revolutie' werd in ruime kring toegejuichd. In 1800 werd het zomerverblijf in Oranjewoud verbeurd verklaard, publiek verkocht en in 1812 afgebroken. Willem V was toen al naar Engeland gevlucht.

Dat Oranjewoud een buitenplaats bleef, was te danken aan Friese adel die zich over de oude Oranjebezittingen ontfermde. In 1877 meldt Van Blom het buitengoed 'Oranjewoud', bezit van de Heer van Scheltinga. Van Blom beschrijft een wandeling door de omgeving: Men ziet dan eene reeks van grootere en kleine buitenplaatsen, waar, met veel smaak en een open oog voor natuurschoon, menig verrukkelijke partij is aangelegd. Onder deze is der bezichtiging alleszins waard de plaats Oranjestein van den heer Bieruma Oosting. Zeer opmerkenswaard is ook de heerlijke lindelaan voor de plaats Oranjewoud van den heer van Scheltinga, welke laan kan wedijveren met die van Middachten en die, evenals de kolossale ringgrachten, herinnert aan den vorstelijken aanleg van dit buitengoed.

GRINTDYK

Toen Van Blom dit schreef (1877) was Marijke-Meu al meer dan honderd jaar dood, hadden de Fransen huisgehouden, waren er overstromingen geweest, economische rampen, waren de straatwegen aangelegd en reden er zelfs al treinen en trams.

In ruim tweehonderd jaar, sinds Albertine Agnes, de dochter van Frederik Hendrik, met de aanleg van Oranjewoud begon, was het beeld veranderd, maar ook wel gelijk gebleven. Vanuit Brongerga verhuisden Jan Van der Hoek en Hiltje Lukkes naar de nieuwe Grintdyk aan de zuidkant van Oranjewoud. Vrijwel terzelfdertijd dat Van Blom dit over Oranjewoud schreef, werd Bonne (1875) geboren. Aan de Grintdyk, op 8 januari 1875.

4. DE JONG

Sinds het einde van de laatste ijstijd liggen zandwallen dwars door het Zuiden van Friesland. 'Schoten' heten ze, uitschieters in een gebied dat verder nogal vaak onder water stond. Op die schoten werd gewoond. Dat gaat duizenden jaren terug, opgravingen maken dat duidelijk. Riviertjes zoals de Boorn, de Tjonger of de Linde lopen tussen de zandwallen. Grote veengebieden werden aangemaakt. Middenin Schoterland liggen de Hornes (wat ongeveer hetzelfde betekent als 'schoot'). Daar werd aan veeteelt gedaan en aan paardefokkerij. Rond het midden van de negentiende eeuw leefde in Nijehorne de boer Pier Klaasz de Jong (ca. 1825 - ca.1900). Een ööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööööet bedrijf. Jacob overleed rond 1885, net in de twintig, nadat hij bij het voorrijden op een paardententoonstelling een longontsteking had opgelopen.

Ongeveer in dezelfde tijd, rond 1888, werd Domela Nieuwenhuis de eerste socialist in het Nederlandse parlement. Hij had zijn zetel aan Schoterland te danken. Piers jongste dochter, Elizabeth, was getrouwd met de onderwijzer De Weerd die in Schoterland een fervente propagandist was voor de socialistische voorman.

Wilde haren waren een kenmerk van een deel van de De Jong-familie en oudste zoon Klaas erfde ze. Klaas Piersz (1853-1930) werd te Mildam verveender en winkelier. In de Mildamse nieuwbouw, Annaburen, liet hij zich een huis bouwen. Het leek allemaal heel goed te gaan, in samenwerking met zijn vrouw Aaltsje Heida. Het ging helemaal niet goed toen deze in het kraambed van hun eerste kind stierf. Moeder en kind werden samen begraven. Klaas zette zijn plannen door en trouwde enkele jaren later met Jantsje de Roos. Drie dochters werden geboren (Joltsje, Aaltsje en Frederikje). Ook Jantsje overleed, toen jongste dochter Frederikje zes jaar oud was.

Twee maart 1893 hertrouwde Klaas, inmiddels bijna veertig, met de 22-jarige Fokje Schippers (1870-1936). Zij was op 15 juni 1870 in Brongerga geboren, in het dubbelhuis achter het kerkhof, als dochter van 'Ommenaar' en maaiknecht Jurjen Schippers en diens vrouw Janke. Klaas en Fokje kregen elf kinderen waarvan drie zoontjes (alledrie Pier genoemd) in de wieg stierven. Namen

Pier Klaasz de Jong ca.1825 - ca.1900 Oudehorne, boer

Joltsje ...... ca.1830 - ca.1900 Oudehorne gehuwd met Pier Klaasz de Jong

Jurjen Schippers ca.1840 - ca.1910 Ommen/Brongerga contractarbeider/maaiknecht

Janke ...... ca.1845 - ca.1910 Brongerga gehuwd met Jurjen Schippers

Klaas Piersz de Jong 25 april 1853 - 15 december 1930 Oudehorne/Mildam/Oudehaske/Haffen enz. zoon van Pier Klaasz en Joltsje

Fokje Schippers 15 juni 1870 - 14 november 1936 Brongerga/Mildam/Oudehaske enz. dochter van Jurjen en Janke gehuwd met Klaas Piersz de Jong 5. DUITSLAND

Rond 1910 trokken drommen Friese mannen naar het Rijnland, waar geld viel te verdienen. In 1911 schrijft Piter Skeltes in het tijdschrift 'Sljucht en Rjucht': Yn'e saneamde 'Kohlen-Distrikten' kryoelt it fen Fryske boerefeinten dy't dêr tsjinje of wirk siikje yn'e minen en fabryken, ef by de boeren as stâl- of mâlkefeint of lânwrotter, fen alles hwet. Oanpakke as de klok slacht! Hij geeft niet zo'n vrolijk beeld van het geheel want er bleek veel koppelbazerij bij te zijn.

Met jonge vrouw Fokje heeft Klaas het getroffen. Drie zoontjes (Piers) sterven heel jong en dat treft vooral Fokje (zoals later blijkt). Oudste dochter Janke, vernoemd naar de moeder van Fokje, wordt in 1894 geboren. In 1898 volgt Jacob, vernoemd naar de jong gestorven broer van Klaas. Anders dan de Piers, vernoemd naar zijn vader, blijft deze in leven. In 1900 volgt een nieuwe Pier (in 1929 naar Amerika geemigreerd) en daarna komen nog Jurjen, Geeske, Tryntsje, Elizabeth en Hendrik. Die laatste vier worden niet meer in Mildam geboren want Klaas heft zijn bedoening op en verhuist naar de Haske (1902), polder ten westen van Heerenveen waar hij 'volledig boer' wordt. Geen veenderijzaken meer, geen kruidenierswinkel. 'De Kooperen Klopper' heette de historische boerderij waar hij de volgende vijf jaar bedrijf hield.

Klaas naderde de zestig. De oudste zonen uit het huwelijk met Fokje waren nog geen tien jaar oud. Hulp op de boerderij diende te worden ingekocht. De kwestie van geld had tot gevolg dat hij 'De Kooperen Klopper' verkocht en zich een kleiner boerderijtje aanschafte, tegenover de oude Hervormde kerk in Oudehaske. Daarna nogeens opnieuw begon in Nijehaske en tenslotte in Terband belandde, waar hij als melkrijder voor de zuivelfabriek de kost verdiende (1911/1912). Dit zinde hem totaal niet.

Hoewel bijna zestig gaf Klaas gehoor aan de werving van Duitse boeren voor Friese arbeidskrachten. Samen met Fokje, hun drie oudste kinderen en de twee jongste dochters (Tryntsje en Lieske) nam hij het spoor richting Duitsland om zich als molkefeint te verhuren. Jurjen en Geeske werden in Oudehaske ondergebracht om hun school af te maken, bij de stiefzusjes die inmiddels waren getrouwd. Na enkele baantjes elders vond Klaas op het boerenbedrijf De Hüpsch, aan de Rijn tussen Wesel en Rees, een goede plek. Als chef van de melkerij. Klaas en Fokje kregen daar nog een zoon, Hendrik, die vanwege het Duitse gemeentehuis eigenlijk Heinrich heet.

25 april 1913 werd Klaas zestig jaar oud. De boer van De Hüpsch was ontzettend blij met hem, maar in het jaar daarop begon Duitsland de eerste wereldoorlog. Zoon Jacob, inmiddels 17, werd opgeroepen voor de militaire dienst in Nederland. Dochter Janke was de twintig gepasseerd en kreeg Duitse vriendjes. Jacob moest naar Nederland, Janke werd ook teruggestuurd ('voordat ze met een Duitser aankomt') en zoon Pier, vijftien jaar, ging gelijk mee. Voor hem werd een plek als knecht geregeld bij een boer in Oosterzee. Klaas en Fokje bleven op De Hüpsch met de drie allerkleinsten.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal en de Friese familie had in Duitsland weinig kwaad te duchten. Vader Klaas had een goede baan maar was wel de zestig gepasseerd. Moeder Fokje had acht jonge kinderen, waarvan vijf ver weg in Friesland. Van de jongste drie werd Tryntsje (geboren in 1907) in Hochheffen op school gedaan. Toen Elizabeth in 1916 leerplichtig werd, ging de knop om. Lieske miste al steeds de rest van de familie en was een gevoelig kind. Klaas en Fokje besloten dat de twee meisjes maar opgehaald moesten worden. Zo verhuisden ook zij naar Oudehaske, waar halfzus Frederikje (getrouwd met Thijs Hoekstra) hen in huis nam. Lieske ging in Oudehaske op school, samen met zusje Tryntsje die al wat Duits onderwijs had gehad. Klaas en Fokje zaten nu alleen nog met Hendrik, zo'n drie jaar oud, op De Hüpsch. Misschien was het Klaas, waarschijnlijk de ruim 15 jaar jongere Fokje, die dit geen goede situatie vond. De oorlog duurde ook maar door.

Klaas, met zijn wilde haren en grote gebaren, nam ontslag. In Weidum, vlak onder Leeuwarden, werd een bedrijfje gekocht. De jongste kinderen werden weer bij elkaar gebracht. Lieske heeft in haar leven nooit meer dan vier jaar naar school kunnen gaan, want ze werd uit Oudehaske naar Weidum verhuisd en binnen anderhalf jaar toch weer naar De Hüpsch. De oorlog was voorbij en de herenboer aan de Rijn vroeg Klaas terug te komen. Het bedrijfje in Weidum lukte toch al niet. Hij was geen boer, stelde dochter Elizabeth meer dan een halve eeuw later. Maar ook over haar schoonvader, Bonne Van der Hoek, zei ze: Hij was geen kleermaker. Wat waren ze wel?

Samen met vrouw Fokje en kinderen Lieske en Hendrik ging Klaas tegen 1920 terug naar De Hüpsch. Klaas ruim 65, Fokje bijna 50 en Lieske zowat tien jaar oud. De combinatie klopte niet. Lyske wende niet aan de Duitse school waar ze naar toe moest en kreeg ook last van het Rijnwater, ze werd ziek en bleef ziek. In 1920 werd ze opnieuw naar Friesland overgebracht waar ze door oudste zuster Janke werd opgevangen. Negen maanden logeerde ze daar, toen kwamen Klaas, Fokje en Hendrik ook terug naar Nederland. Klaas had miljoenen of miljarden Marken verdiend in Duitsland. Op grond daarvan bestelde hij een nieuw bedrijfje in de Haske. De verhuizing ging bij stukjes en beetjes. Zoon Pier reed op de fiets tussen Friesland en de Rijn en weer terug en dacht daarbij de belangrijkste kippen te kunnen importeren. De Duitse douane had andere ideeën en de kippen bleven in Dinxperlo achter. Het enorme Marken-kapitaal bleek in Nederland ook slechts veertig gulden waard te zijn en voor de aankoop van een boerderij niet te dienen. 'Dan behingje ik de keamer d'rmei', was de eigenwijze reactie van Klaas op de mededeling van de bank. De miljarden-biljetten bleven als speelgoed in de familie aanwezig.

6. DE ROOIE

De verhuizing van vader Jan naar de omgeving van het spoorstation had een zeer ernstig gevolg. Bonne, acht jaar, die treinen en trams prachtig vond, ging te ver en werd een eerste spoorwegslachtoffer. Hij kwam onder de tram terecht. Of was er achterop geklommen en viel op de rails. Hoe het ook geweest kan zijn, Bonne moest zich tot zijn zestiende met behulp van krukken voortbewegen. Het ongeluk had het relatief gunstige gevolg dat Bonne na de lagere school, kon doorstuderen. Jan stuurde hem naar de 'Franse school'.

Deed nog meer. Oudste zoon Wouter bezorgde hij een baan bij het spoor. Wouter kwam in Amsterdam terecht. Jongste zoon Bonne beeindigde zijn Franse school en kon zich weer zonder krukken redden. Ook hem stuurde vader Jan, inmiddels zestig jaar, de wereld in. In de onvertelde gedeelten van het familieverleden blijft verborgen of Bonne ook bij het spoor begon en pas later 'kleermaker' werd. Zijn eerste adres buiten Heerenveen werd Zaltbommel en dat klinkt naar een spooradres. Daarop volgde Naaldwijk, toen Maasland en daarna weer Naaldwijk. Hij kwam in de kost bij de familie Roem waar hij Neeltje leerde kennen die haar al bejaarde ouders terzijde stond. Bonne (25) en Neeltje (28) trouwden en kregen binnen tien jaar zes kinderen. De ouders van Neeltje overleden in die tijd, het tuindersbedrijf was beeindigd, met verstel- en kleermakerswerk werd de kost verdiend. Rond 1912 nam Bonne vrouw en kinderen mee naar zijn plaats van herkomst, Heerenveen in Friesland.

De ongehuwde broers van vader Jan, inmiddels de zeventig gepasseerd, woonden in Het Meer bij de Asbrug. Bonne, Neeltje en zes jonge kinderen vonden daar een eerste onderdak. De broers hadden zich aan een leefstijl gewend die voor de Westlandse Neeltje een verschrikking was. Het meest vieze verhaal betreft de nachtpot die de oude knarren zonder bezwaar 's ochtends schoon spoelden in de regenton (waterleiding bestond nog niet). Bonnes ouders woonden in Terband. Zuster Griet (gehuwd Vonk) woonde daar ook. Twaalf augustus 1915 overleed moeder/oma Hiltje (Lukkes). Bonne, Neeltje en kinderen verlieten de oudbroers en trokken in te Terband. Vrij kort daarna kwam de westelijke nieuwbouw van Heerenveen gereed en konden Bonne en Neeltje met gezin een eigen huis betrekken (Van Dekemalaan 29).

Nou fljugge de stoomfytsen en de automobilen de dyk lâns; ôfstânnen binne der net mear, schreef A.K.K. in het tijdschrift 'Sljucht en Rjucht' van 29 april 1911. Forline jier seach men yn Fryslân stoere dryste mannen troch de loft fleanen mei in fleanmasine, sadet sels âlde minsken yet seinen: It is inerlik moai en ik bin bliid dat ik it noch ris sjên mocht. Ja, de foarútgong giet nou hird, op allerhânne gebiet, as it mooglik wier dat alle minsken, hwet it stoffelike oanbilangt, hwet mear fen dy foarútgong profitearje koenen, dan scoe it noch moaijer en better wêze. Van de nieuwe aanleg van grintdyken, via die van de spoor- en de tramwegen, de uitvinding van de fiets en de stoomfiets, de auto en de eerste vliegtuigen. Jan en Hiltje uit Brongerga maakten dat allemaal tot op hoge leeftijd mee. Zoon Bonne ('kleermaker') richtte zich in Heerenveen op de sociale wens bij de vooruitgang. Bemoeide zich met de vakbonden en de politiek. Vanuit de christelijke invalshoek, want gereformeerd dat waren ze en bleven ze, daar zag de Westlandse Neeltje wel op toe. Bonne kreeg in gereformeerde Heerenveense kring de naam van 'De Rooie'. Hij bemoeide zich met vakbonden, stelde zich aan het hoofd van het kleermakersgilde en was voor Heerenveense gereformeerde begrippen twintig jaar lang een behoorlijk dwars persoon. Hij droeg dit over op zijn oudste zoon Willem die meer een 'schrijver' was. En op zijn jongste zoon Jan Wolters die minder voorzichtig tegen het eind van de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog te Oosterwolde nog wegens verzetsgedrag werd gearresteerd (februari 1945), in de gevangenis Crackstate te Heerenveen langdurig mishandeld, erg kapot naar Duitsland werd overgebracht en sindsdien spoorloos verdween. Bonne maakte dit niet meer mee, want overleed op 1 mei 1943. Het ongeval met de tram in zijn vroege jeugd kreeg late gevolgen. Trombose in het gekwetste been maakte tenslotte een rolstoel nodig en 'sloeg door'. Hij werd 68 jaar. 7. VAN DER HOEK

Het geslacht Donia, heren van Ameland, dat door erfenis een deel der Cammingha-goederen verwierf en zich sindsdien ook Cammingha noemde, stichtte (...) een stins, het z.g. Amelandhuis. In de buurt van dit huis vestigde zich een aantal mensen die, toen de Heren van Ameland aan het Noordeinde van die streek (...) een kerk stichtten, gewijd aan de martelares St.Catharina, een afzonderlijke parochie vormden, Horne of Hoek genoemd. (R.J.Sipkens in 'Rondom de Oldehove', 1938/1952)

De achternaam 'Van der Hoek' verwijst, meest waarschijnlijk, naar een herkomst via een of andere lijn die te maken heeft met het Leeuwarder stadsdeel Hoek (tussen Nijenhove en Cambuur). De verklaring is simpel. De aanduiding 'der', met een r, komt verder nauwelijks voor (alleen ook voor een deel van Franeker). Hollandse Hoek-namen vragen om een aanduiding 'den', met een n. De achternaam Van der Hoek met 'r' is typisch Fries en wijst vooral richting herkomst vanuit de 'Amelander' nieuwbouw die op de grond tussen Ee en Vliet (via de Cammingha's) rond 1200 naast Oldehove en Nijehove werd bijgebouwd. Samenvoeging van de drie delen leidde in 1435 tot de 'stad' Leeuwarden.

De achternaam 'Van der Hoek' is bijzonder (is er nog 'Van Oldehove', 'Van Nijehove' of 'Van Leeuwarden'?). De Hoeksters, en ook de Vlietsters, reageerden door hun 'Amelander' herkomst altijd nogal apart. Ze hielden het bijvoorbeeld met de Schieringers (tegenover de Vetkopers van Nijehove) en waren nooit echte Leeuwarders. Misschien een achterbuurt, maar dan wel gelieerd aan heel oude en dwarse Friese families.

Wie het wil weten moet oude archieven napluizen. Dat is nog niet gedaan. De mondelinge overlevering levert 'onze' Van der Hoeken rond het begin van de 19de eeuw te Brongerga op. Een idee was dat de voorouders met Albertine Agnes vanuit Leeuwarden naar Oranjwoud verhuisden, maar in het boek 'Oranjewoud' (1989) waarin vrij uitgebreid de namen van de hofhouding van Albertine Agnes en Marijke-Meu worden genoemd, komt de naam 'Van der Hoek' niet voor. Dat zegt nog weinig omdat pas in 1811 een achternaam verplicht werd en daarvoor allerlei andere namen konden gelden. Dan kom je bij voornamen, traditioneel in de familie, en de lijsten geven dan ook geen verband. De achternaam is ook zó bijzonder dat een andere traditie aannemelijk lijkt.

Het voorgeslacht kwam niet met de Oranjes mee naar Brongerga/Oranjewoud. De ontwikkeling liep langs een andere lijn.

Niet in Brongerga, maar aan de Grintdyk, ietsje meer richting Oudeschoot. Waar Bieruma Oosting nog meer bossen had en liet onderhouden.

Bonne werd 8 januari 1875 aan de Oranjewoudse Grintdyk geboren als 'Van der Hoek' en dat is een rare achternaam, vanwege de r in der. Zijn voorgeslacht moet wel haast uit Leeuwarden afkomstig zijn (eventuëel uit Franeker), want alleen daarvandaan is die der-vorm bekend. De familie uit 'de Hoek' van Leeuwarden (Cambuur) kan langs verschillende wegen in Brongerga terecht zijn gekomen.

Overwegingen over 'Van der Hoek' in Oranjewoud:

  • Met de Friese Oranjes mee verhuisden al tijdens de 17de of 18de eeuw mensen uit Leeuwarden en bijvoorbeeld ook uit het tuindeel 'de Hoek' om in Oranjewoud als personeel te dienen. Het kan zijn dat de aanduiding 'Van der Hoek' voor sommigen ging gelden. Die verklaring hing ik aan, tot de publicatie van het boek Oranjewoud (1989) waarin overgeleverde namen van het personeeel van Oranje te Oranjewoud werden vermeld. Daar kwam geen 'Van der Hoek' bij voor. Dit hoeft de overweging niet tegen te spreken want de bijnaam 'Van der Hoek' kan buiten de aanduidingen zijn gevallen. De registratie stopte ook tijdens de 18-de eeuw en pas een halve eeuw later werd de burgerlijke stand ingevoerd en om een vaste achternaam gevraagd. In de Oranje-administratie kunnen dus namen genoemd worden van personen, waarvan een nakomeling een halve eeuw later de Franse administratie de achternaam 'Van der Hoek' opgaf. Omdat die in de familie leefde.

  • De 'Van der Hoeken' kwamen naar Brongerga los van de stichting van Oranjewoud en ook los van het Oranje-personeel. Er zit anderhalve eeuw verschil tussen de Oranjebewoning van de buitenplaats en de geboorte van Jan Wolters Van der Hoek te Brongerga (1835). De achternaam moet in gebruik zijn geraakt en wel zó dat de vader of grootvader van deze Jan het vanzelfsprekend vond deze naam te melden toen de verplichte registratie van achternamen plaats vond. Het is mogelijk dat de 'Van der Hoek'-familie pas na 1825 in Brongerga terecht kwam. Dat ze daarvoor, bij de instelling van de burgerlijke stand, nog in Leeuwarden woonde. Bij de eerste achternaamregistratie werd de wijkherkomst genoemd. Omdat in het Leeuwardens de r in der heel gewoon werd gevonden, kwam zo de achternaam tot stand.

  • Wolter (Jansz?) Van der Hoek had die vaste achternaam al. Als eerste voor volgende generaties, toen hij na 1825, rond twintig jaar oud, de kost ging verdienen bij de aanleg van de Rijksstraatweg tussen Leeuwarden richting het zuiden. Die aanleg werd in 1827/1828 voltooid en de jonge Wolter kan halfweg aan een meisje, te Brongerga, zijn blijven hangen. Er bleef nog veel aan de wegen- en dijkenverbetering te doen en vanuit Brongerga bleven de afstanden te belopen of via paardekarren te overbruggen. Het huwelijk te Brongerga (of later het gezin in Brongerga) bracht drie zonen die hoge ouderdom bereikten. Daaronder Jan (1835-1927), de vader van Bonne.

Wegenmakers

In 1827 werd de weg van Leeuwarden naar Steenwijk definitief van modderpoel tot rijksstraatweg verheven. In de jaren daarna bleef weg- en dijkverbetering ook in de zuidelijke streken van Friesland een activiteit waar veel geld mee was gemoeid en altijd emplooi in was te vinden. Zie in 1857 de aanleg van de Grintdyk, dwars door Schoterland. Wolters zonen waren toen op de leeftijd dat ze aan deze contractarbeid betaalde bezigheid konden vinden.

Voorgeslacht

Bonne werd in 1875 aan de 'Grintdyk' te Oranjewoud geboren. Hij kreeg de achternaam 'Van der Hoek' mee die naar Leeuwarden verwijst. Het kan zijn dat de Van der Hoeken met de Oranjefamilie mee naar Oranjewoud verhuisde. Het kan ook zijn, wellicht waarschijnlijker, dat zijn grootvader via de wegenbouw in het zuiden van Friesland terecht kwam, begin 19de eeuw.

Dit is via archieven te onderzoeken en dat heb ik niet gedaan. Vanuit de overlevering ken ik overgrootvader Jan Wolters, in 1835 te Brongerga geboren en als 'los arbeider' aangeduid. De gedachte aan de straatwegen- en later spoorwegenaanleg die mensen naar het zuiden van Friesland trok kan de verhuizing ook verklaren. Er moet archievenonderzoek worden gedaan.

Jan Wolters Van der Hoek verhuisde met gezin kort na 1875 van de Grintdyk naar Terband. Een buurtschap pal ten noorden van Heerenveen en op een steenworp van het Heerenveense station. Zijn broers gingen in Het Meer wonen, pal ten oosten van Heerenveen en langs de nieuw aan te leggen trambaan richting Drachten en Groningen. Vetlap Van der Hoek

'De knaap was lang berucht. Voor 't baasje, dat gelijk een vogel door de lucht Kon vliegen over 't ijs. 't Is Pier, die de ellef steden Van Friesland, op één dag, heeft in het rond gereden, En nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek Te Bolsward in den stal, bij Vetlap Van der Hoek.'

Fenno L. Schouwstra vroeg via een ingezonden brief in de Leeuwarder Courant (16 januari 1969) aan lezers of zij wisten wie de dichter was van dit versje en uit welk jaar het stamt. Het versje was afgedrukt in dezelfde krant in 1940, in een artikel over vroege Elfstedentochten. De krant had het toen over 'een dichter uit de 18e eeuw'. 7. HET CONTACT

We komen in de buurt van het jaar 1930. Bonne en Neeltje zijn bijna twintig jaar geleden van het Westland naar Heerenveen verhuisd. De kinderen zijn allemaal volwassen. Klaas en Fokje zijn zo'n acht jaar geleden naar Friesland teruggekomen. Hun kinderen zijn grotendeels niet weggeweest of hebben met tussenpozen elders geleefd. Grote delen van hun jeugd woonden ze niet bij hun ouders, maar bij of onder toezicht van oudere halfzusters en hun mannen. Ook jongste zoon, Hendrik, nadert volwassenheid.

De zonen van Bonne en Neeltje worden naar de Mulo gestuurd. Willem volgt die in Heerenveen en krijgt daarna een administratief baantje bij de Middenstandsbank. De jongere Jan Wolters is balsturiger (zijn Mulo-diploma komt uit Leeuwarden). Willem heeft een zwakke gezondheid en hoeft niet in militaire dienst. Jan moet dat wel, wordt marechaussee en daarna werkzaam in de belastingdienst. Tijdens de economische crisis van begin jaren dertig krijgt Willem een aanstelling als schrijver bij het rijkshypotheekkantoor te Heerenveen en dat is de functie die hij daarna vast houdt. Verder doet hij aan politiek en vakbondswerk, zoals zijn vader.

Begin jaren dertig leren Willem Van der Hoek (1906-1961) en Elizabeth de Jong (1910-1989) elkaar via de jeugdverenigingen van de kerk kennen. Willem, rond 25 jaar oud, had al een beetje naam verworven als zoon van 'de Rooie' en een goede verteller op zondagsscholen. Lieske, rond 20 jaar, woonde met haar moeder en broer Hendrik in Oudehaske. Het eerste contact met de twee ging over thuis brengen vanuit het fietsenhok. Een vaste relatie ontstond en een besluit om te trouwen. De trouwdag moest bijna een jaar worden uitgesteld omdat Willem ernstig ziek werd (leverziekte, hepatitis - het verslag is niet duidelijk). Op 21 juni 1934 vond het huwelijk te Haskerland tenslotte plaats. De eerste woonplek, samen met beppe Fokje, was bij Haskerdijken aan het Nanne Wyd. Begin 1935 werd naar Oranjewoud verhuisd (nieuwbouwwoning aan de Van der Sluislaan) waar op 13 juli het eerste kind Bonne werd geboren, na een miskraam. Begin 1936 verliet beppe Fokje (66 jaar) het jonge gezin en trok ze in bij oudste dochter Janke in de Tynje. Ze overleed 14 november 1936, dezelfde dag waarop te Oranjewoud Klaas werd geboren, tweede kind van Lieske en Willem.

Na Klaas volgden nog tien andere kinderen van Lieske en Willem. De ouders van Lieske waren inmiddels gestorven, zodat deze kinderen van die kant geen opa of oma (pake of beppe) leerden kennen. Van de kant van Willem kregen de kinderen ook weinig opa & oma-gevoel mee. Neeltje (Roem) overleed 15 november 1937 en maakte dus alleen de kleinzoontjes Bonne en Klaas aan de Van der Sluislaan nog even mee. Bonne Van der Hoek (opa Bonne) overleed 1 mei 1943. Kleinzoon Bonne was toen zeven jaar, kleinzoon Klaas zes jaar, kleindochter Neeltje vier jaar, kleindochter Fokje drie jaar, kleinzoon Jan één jaar. Allemaal te jong om opa's en oma's bewust mee te maken.

We moeten dus begrijpen dat het contact binnen dit gezin niet via de opa's en oma's loopt. Maar dat dezen al lang afwezig waren toen de uit Willem en Lieske geboren kinderen van zichzelf en elkaar bewust werden. Toen ging vader Willem (1961) vroegtijdig dood. Het contact loopt via onszelf. Of de opa's en oma's langs andere lijnen.

Jo kinne noch in protte mear skriuwe. Der is gjin ein oan it petear.

8. JAN WOLTERS VAN DER HOEK (1909-1945)

De jongste van de twee zonen van Bonne Van der Hoek en Neeltje Roem werd op 7 januari 1909 in Naaldwijk geboren. Als peuter verhuisde hij mee naar Heerenveen waar hij de MULO volgde. Op 23 juli 1925 kreeg hij het diploma A uitgereikt, met een 9 voor geschiedenis, een 8 voor handelskennis, voor algebra en voor natuurkunde, een 7 voor aardrijkskunde en een 6 voor Duits, voor Engels en voor plant- en dierkunde. Een intelligente knaap dus. De vijven voor Nederlands, voor Frans en voor schrijven (ook nog een eindexamenvak) zullen we maar niet meetellen, een vijf gold destijds trouwens als voldoende. En, ja, de 'VanderHoekse' vier, kreeg hij ook nog. Voor meetkunde.

Jan ging in militaire dienst, waar hij het bracht tot de rang van opperwachtmeester administratie. Dat was tijdens de beruchte crisisjaren een goede binnenkomer voor een burgerlijke baan bij de belastingdienst en zo gebeurde, Jan kreeg een aanstelling als adjunct-commies. Hij werd verliefd op een meisje uit De Knipe, Mintje, de dochter van Jan Hieminga en Klaske van der Laan.

Jan en Mintje trouwden op donderdag 26 januari 1939, in de gereformeerde kerk te Knijpe (dominee D.Middelkoop). Hun eerste adres werd Molenwal 154 te Gorredijk, waar op 8 november 1939 zoon Jan werd geboren. Op dezelfde dag werd in Oranjewoud Fokje geboren, dochter van broer Willem en schoonzus Lieske. Tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog verhuisden Jan en Mintje naar Oosterwolde, waar nog drie dochters werden geboren: Neeltje (22 juni 1941), Klaske (22 september 1942) en Minny (20 juli 1945). Toen Minny werd geboren was haar vader al overleden, 'welk overlijden is voorgevallen te Ludwigslust in Duitschland, omstreeks 13 mei 1945, van welk overlijden de nagelaten betrekkingen pas veel later officieel kennis hebben gekregen', zoals het in de officiële akte van de kantonrechter van Beetsterzwaag (16 december 1947) wordt gesteld.

Twee maanden voordat de Canadezen Friesland bevrijdden, werd Jan nog in Oosterwolde door de Duitsers opgepakt en naar de SD-gevangenis Crackstate in Heerenveen overgebracht. Hij moet daar zwaar verhoord en gemarteld zijn en vervolgens nog met een van de laatste transporten (eind februari 1945) naar Duitsland getransporteerd. Dat hij in Ludwigslust overleden zou zijn, is een gissing. Nasporingen, ook via het Rode Kruis, direct na afloop van de oorlog leverden niets op. Van de anders zo perfecte Duitse administratie bleef in die laatste weken weinig over. Iemand die ook in Ludwigslust had gezeten, maar wist te ontkomen, stelde Jan er gezien te hebben. Die was toen al zo toegetakeld dat hij niet meer in staat was mee te ontsnappen, zo luidt het verhaal. Een ander verhaal is dat hij op de trektochten tussen kampen langs de weg is achtergebleven. Eind 1947 werd besloten Jan als overleden te beschouwen ('omstreeks 13 mei 1945'). Broer Willem werd als voogd voor de kinderen aangewezen.

De inventarisbeschrijving

Voor de kantonrechter werd de inventaris opgemaakt, omdat formeel de boedel in gelijke delen over Mintje en de vier kinderen moest worden verdeeld. CONTANTEN ten dage van het overlijden van erflater aanwezig geschat op f. 100.--, luidt de verklaring. Het 'roerend lichamelijk goed' wordt geschat op een waarde van bij elkaar f. 1483.--. O.a. een 2 pits electr.kookstel 'Inventum' (40 gulden), een stofzuiger 'Erres' (25 gulden), een naaimachine 'Ideal' met kast (40 gulden), een wringer met bok (25 gulden) en drie gegalvaniseerde tobben (25 gulden). Dit voor wat betreft de moderne huishoudelijke apparatuur.

De ouders van Jan (Bonne en Neeltje) waren al overleden 'en hun nalatenschappen zijn gescheiden en verdeeld'. De moeder van Mintje, Klaaske van der Veen, was op 1 april 1942 in Beneden-Knijpe overleden. De akte registreert dat de huwelijksgoederengemeenschap Van der Hoek/Hieminga voor een onverdeeld een/achtste deel gerechtigd is in de nalatenschap van Klaaske. Mintje had kennelijk zeven broers of zusters. Het ging om de helft van de boedel van Klaaske en Jan H. (hele boedel geschat op f. 1500.--) die inmiddels naar Steenwijk was verhuisd.

Het salaris van Jan Wolters bij de belastingdienst was tot 1 oktober 1947 keurig doorbetaald. Mintje kreeg van het rijk een weduwenpensioen en de kinderen kregen een wezenpensioen voor de tijd erna, maar bij het maken van de akte was nog niet bekend voor welk bedrag. De levensverzekering keerde 100 gulden uit. En dat was het dan.

Emigratie

Mintje Hieminga hertrouwde en emigreerde rond 1950 naar Canada. Het contact met de Van der Hoeken-familie is daarna minimaal geweest en vanuit Canada ook nooit meer gezocht, voorzover ik weet. Ik meende dat Mintje was hertrouwd met een Terpstra, afkomstig uit Dokkum. Maar toen in 1968 mijn vriend Cees van der Bijl naar Canada emigreerde, trof hij daar vrij snel de Van der Hoeken-meisjes aan ('leuke meiden') die dus hun achternaam hadden behouden. Inmiddels al lang getrouwd, en niet met Cees.

Toen deze vriend naar de westkust verhuisde (Vancouver), kwam hij er ook zoon Jan Van der Hoek tegen, hoofd van een christelijke school aldaar. Nogal een conservatieve hark, vond Cees. Cees woont nog steeds in Vancouver, maar Jan (inmiddels 55) schijnt nu in midden-Canada (Edmonton) te wonen. Ik moet er maar eens heen.

9. BONNE VAN DER HOEK (1875-1943)

10. WILLEM VAN DER HOEK (1906-1961)

Willem Van der Hoek, op 30 april 1906 in Naaldwijk geboren, overleed op vrijdag 13 oktober 1961. Aan de Veensluis, ten oosten van Heerenveen. Rond halfnegen 's ochtends. Hij werd vijfenvijftig. Liet vrouw Lieske en twaalf kinderen na, van welke de jongste (Jurjen) zes jaar oud.

We waren ruim vijf jaar eerder van Oranjewoud naar de Veensluis verhuisd. De oudste zonen, Bonne en Klaas, waren het huis al uit. Bonne naar Winterswijk, Klaas naar Leeuwarden. Klaas was in militaire dienst en kwam in de weekenden nog wel thuis. Het huis in Oranjewoud, aan de Koningin Julianaweg (nummer 18), werd toch te klein met al die opgroeiende kinderen. De verhuizing naar de Veensluis, het voorportaal van Beneden-Knijpe, hoewel hemelsbreed maar zo'n vier kilometer naar het noorden, was beslist wel ingrijpend. Vanuit het bos naar de polder. Voor de jonge kinderen een nieuwe school. Voor vader als verenigingsmens ook een nieuwe kerksituatie. De hele jeugd ging natuurlijk mee. Wat mij betreft (veertien jaar oud) was het wel interessant. Het ging om een huis tussen twee boerderijen. Ik herinner me, van voor de verhuizing, dat ik op een vroege ochtend met vader meeging om de tuin te verkennen. Want we hadden een bijenstal die geplaatst moest worden (als vader er niet was, deed ik de bijen) en er moest een kippehok komen. Want we hadden kippen. In Oranjewoud hadden we ook duiven en konijnen, maar die gingen niet mee. Het was een mooie ochtend. Naar mijn herinnering had vader een vrije dag, maar ik moest wel naar school.

Zo'n week later verhuisden we dus. Het huis werd intern opgeknapt door moeder, buurvrouw Oosterhof (uit Oranjewoud) en misschien nog wel meer tijdelijke krachten. Buiten schooltijd om, zag ik ze bezig (ze praatten erg veel). Toen waren we verhuisd. Ik zat op het gymnasium en tussen allerlei lessen door moesten we dan van het lyceum-gebouw aan de Fok in Heerenveen naar de noodgebouwtjes bij het Burgemeester Kuperusplein fietsen (tegenover de kweekschool). Op een dag waren we op het plein voor het oude Gemeentehuis, waar vader werkte, om naar huis te gaan. De Nederlandse leraar, Piet de Boer, was heel verbaasd toen ik bij het afscheid richting De Knipe fietste. 'Wonen jullie daar nu?'. 'Ja'. Voor veel mensen hoorde Van der Hoek bij Oranjewoud.

Veranderingen Aan de Veensluis nestelde onze familie zich vrij snel. We gingen mee met het verenigingsleven van De Knipe, de jongere kinderen gingen daar op school. Neeltje ging in de huishouding bij dominee Van der Valk in Heerenveen. Fokje ging in de gezinsverzorging en enkele jaren ook naar Zuid-Holland in de bejaarden-verzorging. Aan haar gezinsverzorgingstijd, vaak verweg in de polder, hielden we een bromfiets over, met aandrijving op het achterwiel. Het ding was vrijwel altijd stuk.

Jacob ging naar Sneek voor de middelbare school, een heel eind op de fiets. Ik deed het gymnasium in Heerenveen, daar hoefde je maar tien minuten voor te fietsen. Als jongere kinderen draaiden we direct mee met de catechisaties en gereformeerde verenigingen in de Knipe. Vader werd ouderling. Moeder voegde zich naar de situatie, maar bleef geestelijk behoorlijk aan Oranjewoud en haar vriendinnen daar hangen. Zo ging ze daar ook als leidster van het vrouwencontact binnen de gereformeerde kerk lange tijd door, ook nadat vader (1961) overleed.

Ik had wel plezier aan de Veensluis. In 1959 deed ik eindexamen voor het gymnasium en vertrok ik, zeventien jaar oud, voor verdere studie naar Amsterdam. In de jaren ervoor werd vader gedwongen om zijn kantoor in Heerenveen op te zeggen en dagelijks naar Leeuwarden te trekken. Het Ministerie van Justitie deed aan centralisering (hypothekenregistratie, de baan van onze vader). Vader Willem moest de trein van 's ochtends halfacht halen om naar zijn werk te komen en kreeg in Leeuwarden te maken met een drietal chefs van hetzelfde niveau en andere ideeën over de omgang met personeel. Vader was liberaal en democratisch. VROEGTIJDIGE DOOD Willem Van der Hoek had rond z'n vijftigste niet alleen te maken met een vrouw en twaalf opgroeiende kinderen aan de Veensluis. Hij was ook een belangrijke figuur op dat moment binnen de gereformeerde kerk (van De Knipe), draaide mee in de vakorganisatie (CNV), zat in de gemeenteraad van Heerenveen (ARP), had dus andere politieke functies (provinciaal bestuur enz.) en door de concentratie van kantoren werd zijn werkplek in Heerenveen naar Leeuwarden verplaatst. Hij werd een forens en in Leeuwarden kreeg hij op chefniveau met vervelende mensen te maken. Iedere dag per fiets door weer en wind naar de trein van 8 uur en tegen zessen weer terug, met trein en vier kilometer fiets.

Hij bemoeide zich met de politiek. Direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog (hij was nog geen veertig jaar) werd hij aangewezen om zitting te nemen in de gemeenteraad van Heerenveen. Dit in afwachting van de uitslag van de verkiezingen die pas anderhalf jaar later plaats vonden. De ARP kreeg bij die verkiezingen te weinig stemmen om Willem (kandidaat voor 'de arbeiders') in de raad te krijgen, maar hij was inmiddels wel de voorzitter van de commissie voor woningtoewijzing geworden. Het werd druk aan de Van der Sluislaan. Bij de verkiezingen van 1956 werd hij wel direct in de raad gekozen. Per 1962 zou hij wethouder van de gemeente Heerenveen worden, zo was voorzien. Zijn baan in Leeuwarden had hij daarmee kunnen opzeggen. Dit had veel gescheeld. Maar op 13 oktober 1961 kwam de snelle dood. De gemeente Heerenveen betaalde de grafsteen en bij de begrafenis was iedereen aanwezig. De grafsteen (gemarmerd rood Zweeds graniet) heb ik 'ontworpen'. Als de gemeente dan toch betaalt, dan iets eigens. Na verloop van dertig jaar valt dat niet meer zo op.

DONDERDAG TWAALF OKTOBER 1961 Donderdag. Zoals gewoonlijk stapt Willem (55) rond halfzeven in de ochtend uit zijn bed. De deuren moeten open, de kippen verzorgd. De ontbijttafel moet worden ingericht, minstens vijf kinderen uit hun bed getrommeld voor hun ontbijt zodat ze naar school kunnen. De radio staat aan. Willem dient tegen kwart voor acht op de fiets te klimmen, zodat hij de trein van even na achten naar Leeuwarden haalt. Wanneer hij vertrekt en de meeste kinderen al aan het eten zijn, wekt hij vrouw Lieske (51) die van oudsher niet zo vroeg uit haar bed komt. Lieske zorgt ervoor dat de kinderen op tijd vertrekken en verzorgt de rest. Ze is er ook als de kinderen weer terug komen van school. Rond zeven uur in de avond komt Willem terug van zijn werk in Leeuwarden. De kinderen hebben dan al gegeten en zijn naar bed of gaan naar hun slaapkamers. Vaak moest Willem na een korte maaltijd weer naar een vergadering van het een of ander. Deze avond niet. Het was rustig en lekker genieten. 'Zo lekker gegeten en nog zo goed gepraat', zei Lieske er achteraf over. Dit kwam vaker voor. Met tussendoor-geloop van de oudere kinderen in huis, gingen ze tussen halfelf en elf uur zelf ook slapen. Dit was de normale tijd, in die tijd, voor het Van der Hoeken-gezin. Voorzover ik me kan herinneren, was ik de enige die elf uur veel te vroeg vond en soms rond een uur 's nachts nog wel een woedende vader op mijn nek kreeg (slapen..!). Oktober 1961 woonde ik al twee jaar in Amsterdam. De nachtrust kon ik niet verstoren. Ook broer Jacob was toen al meer dan een jaar 'uit huis' (studerend in Groningen).

VRIJDAG 13 OKTOBER 1961 In de vroege ochtend ging het helemaal mis. Ver voor de normale tijd van ontwaken, werd Willem wakker door een heleboel pijn in de borst. Zoveel pijn dat Lieske het bed uitging en de huisarts belde. Die had zijn dienst aan een vervanger overgedragen, omdat enkele dagen eerder zijn moeder was overleden en hij die dag bij haar begrafenis moest zijn.

Lieske belde de vervangende huisarts die nogal koel reageerde (rond halfzes in de ochtend). Twee uur later was hij aanwezig en stelde na onderzoek: rust houden, blijf maar thuis vandaag. Vader bleef in bed en moeder verzorgde het jeugdontbijt. Rond halfnegen was het gebeurd.

In de slaapkamer (naast de woonkamer), de kinderen naar school, de rest nog te doen, stierf Willem aan een hartinfarct. 'De jongens, studeren...' waren enkele van zijn laatste woorden.

HERINNERINGEN