Beknopte Geschiedenis van de Friezen
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN DE FRIEZEN
III
Door het uiteenvallen van het Romeinse Rijk beneden de Rijn kregen de Friezen meer vrijheid van beweging. De cultuur was inmiddels ook veranderd, de zeespiegel steeg en men kreeg te maken met invallen en doorreizende stammen, bijvoorbeeld richting de Britse eilanden. De Friezen deden aan dat gereis ook zelf mee en handelden en vochten.
De oude geschiedenis van alle Germaanse stammen kent geen (bewaard) gebruik van schrift op perkament of papier, behalve dat wat via Romeinse of Rooms-kerkse kronikeurs werd opgeschreven en daarna overgeschreven door mensen van het systeem en werd bewaard binnen kloosters bijvoorbeeld. Veel ging verloren.
Het op schrift stellen had ook alleen zin als er mensen waren die het wilden lezen en dezelfde taal gebruikten. Maar lezen is een kunst en dezelfde taal bestond niet (of het was het Latijn van de Romeinen en de kerk). De oude geschiedenis van de Germaanse stammen werd op schrift door de Romeinen geschreven of door in het Latijn schrijvende bisschoppen (bijv. Gregorius van Tours over de Merowingische Franken) en andere ambtenaren.
Van de Friezen geen eigen woord of schrift en van al hun buren ook niet - tot pas na het jaar 1000. Opgravingen kunnen nog iets aanvullen over het verleden daarvoor.
De Frankische koningen De Romeinen waren beneden de Rijn honderden jaren achtereen formeel de baas. Toen zij het echt niet meer konden bolwerken stelden anderen zich voor hen in de plaats, de katholieke kerk en de Franken die in deze periode door allerlei verhuizingen, afspraken en verbintenissen in de omstreden provincie (Frankrijk) het sterkst waren.
De Franken kenden het erfrecht en dat werd nu ook op het bezit van landstreken toegepast, hoewel het eigenlijk met bouw- en jachtgrond te maken had. Bij overlijden werd die grond gelijkmatig onder de zonen verdeeld. De Frankische aanvoerders kregen volgens het Romeinse principe hele provincies en grote landstreken onder zich en gingen 'koningen' heten. Zij lieten zich dat graag aanleunen en richtten zich op meer gebied. Bij overlijden verdeelde zich dat gebied dan weer naar gelang de aanwezige zonen. Vanuit Rome hielden de katholieke kerkprelaten zich met dit verdeel en heers (opvolgers van het ooit Romeinse keizerschap) vrolijk bezig.
In DEEL II van deze 'beknopte geschiedenis' las je hoe tussen 500 en 650 de Franken gaandeweg een soort 'Frankrijk' gingen en mochten stichten in het gebied waar voorheen de Romeinen hun 'Gallia' kenden. Dat ging onder de familie van de Merowingers die vaak met elkaar overhoop lagen, macht toekenden aan jonge zoontjes die vaak ook jong stierven: geen vast leiderschap. Vaak trad moeder of grootmoeder op als regentes en daar waren de belangrijke mannen buiten de familiekring het dan weer niet mee eens. De Frankische koningen van het geslacht Merowingers werden na 200 jaar gaandeweg verdrongen door het geslacht van hun belangrijkste ambtenaren, de hofmeiers vanaf Pippijn, later de Karolingen (dat wil zeggen: Karelsens) genoemd.
Na Dagobert De Merowingische koning Dagobert richt zich rond het jaar 634 op de noordgrens van zijn rijk, het Nederlandse Rijngebied. Hij laat de muren van Utrecht herstellen en sticht er een kerkje, gewijd aan Sint Maarten, dat hij aan de bisschop van Keulen schenkt, als basis voor de zending onder de Friezen. Wanneer hij in 639 bij Parijs overlijdt, erven zijn twee zoontjes Sigebert III (dan 9 jaar) en Chlodovech II (dan 5 jaar) de macht over de Frankische gebieden. Sigebert krijt Austrasie, Chlodovech Neustrie en Bourgondie. Weduwe Nanthilde wordt uiteraard regentes en hofmeier Pippijn, grootgrondbezitter uit de streek van de Ardennen (Austrasie), treedt op als regent.
Er waren verschillende hofmeier-families die elkaar vaak fel bestookten. Rond 640 slaagde de familie van Pippijn, ook via moord en doodslag, erin concurrenten met nog oudere aanspraken uit de weg te helpen. Rond diezelfde tijd echter (en de Frankische koninkjes zijn nog zo jong) overlijden hun voornaamste adviseurs, Pippijn, moeder Nanthilde, raadsheer en bisschop Arnulf en hofmeier, van Chlodovech II, Aega. In 640 wordt dan Pippijn II geboren, zoontje van Begga uit de familie van de Pippiniden en van Ansegisel uit de familie van Arnulf (de Arnulfingen). De twee families die al voor de opvoeding van koning Dagobert hadden gezorgd.
In 643 volgt Grimoald zijn vader Pippijn I op als hofmeier van Austrasie. Als Sigebert III in 656 overlijdt (26 jaar oud) en alweer slechts een minderjarig zoontje zijn rijk laat erven, Dagobert II, grijpt deze Grimoald in en verbant het koninkje naar Ierland (Hibernia). Geen gedonder meer. Ongeveer terzelfder tijd overlijdt ook Sigebert's jongere broer, Chlodovech II (633-657) die koning van Neustrie en Bourgondie heette te zijn. Ook hij heeft een minderjarig zoontje, Chlotarius III, geboren in 654, maar de hofmeier van dit gebied laat de opvolging toe. Moeder Balthilde treedt als regentes op.
De strijd om de macht gaat almaar door, de Austrasische edelen zetten zelfs Grimoald aan de dijk (661), het jongetje Chlodovech geldt even als koning van alle Franken (hij overlijdt in 673, nog geen 20 jaar oud) en daarna zijn nog jonger broertje Childerik II (vermoord in 675), waarna de door Grimoald verbannen Dagobert II toch eindelijk koning mag worden. Pech, ook hij overlijdt kort daarna (679, 25 jaar oud). Hij wordt vermoord op instignatie van de hofmeier Ebroin van Neustrie en Bourgondie die al eerder (673) een greep naar de macht deed en Theodorik III als tegenkoning naar voren schoof. Zij werden toen verbannen, maar nadat de tegenpartij Childerik vermoordde wist Ebroin met Theodorik weer terug te komen. De tegenpartij haalde toen Dagobert II terug uit Ierland die Theodorik verjoeg, totdat dus.... In 679 werd Theodorik III koning van het hele Frankische rijk (Neustrie, Bourgondie en Austrasie). Hij overlijdt in 690/691 en wordt op instigatie van hofmeier Pippijn II opgevolgd door zijn zoon, alweer minderjarig, Chlodovech III. Moeder Chrodechilde treedt op als regentes.
Verdomme! Chlodovech III gaat vier jaar later dood (695), zodat nog jonger broertje, Childebert III, koning van het Frankische Rijk wordt. Deze sterft 711 en wordt opgevolgd door zijn zoontje Dagobert III, die ook alweer dood gaat, in 715.
De neef Chilperik II (geboren 670) wordt in 715 koning van Austrasie en na 717 van Neustrie en Bourgondie. Broer Chlotarius IV wordt dan koning van Austrasie. Beiden overlijden rond 720. Theodorik IV wordt koning over het hele Frankische Rijk en houdt dat rond 15 jaar vol (overlijdt in 737). Hofmeier KAREL MARTEL, een enorme vechtersbaas (zie hierna) wordt alleenheerser over het Frankische Rijk en benoemt geen nieuwe koning. Zijn zoons Pippijn III (de Korte) en Karloman volgen hem op als hij 22 oktober 741 (rond 52 jaar oud) overlijdt. De eerste als hofmeier van Neustrie, de tweede als hofmeier van Austrasie.
Er was nog een laatste mannelijke afstammeling van de Merowingen die in naam als koning kon gelden, Childerik III. Toen deze in 754 overleed, konden de Karolingen eindelijk echt de macht die ze al hadden, formeel ook overnemen.
De Friezen Het tragi-komische verhaal over het Merowingische vorstenhuis, dat toch rond 250 jaar bleef bestaan en dat Frankrijk stichtte, leidt de aandacht af van de Friese geschiedenis tijdens die periode.
We hebben Dagobert genoemd die rond 634 langs de Rijn trok en de herbouw van de verwoeste Romeinse vesting Utrecht beval. Hij liet er een kerkje stichten, opgedragen aan de heilige Martinus (ooit officier in het Frankische leger) en schonk dit aan de bisschop van Keulen, een van zijn begunstigers.
Het was in die tijd een langdurige natte periode. De zeespiegel steeg, overstromingen kwamen vaak voor. De Friezen drongen dus door naar drogere gebieden maar begonnen ook aan hun terpenbouw die heel bijzonder was. Zo immers ontstonden hechte woongemeenschappen binnen een verder vrij (met de natuur levend) gebied. Naast de terpen was de grond, wanneer niet overstroomd, heel vruchtbaar en goed geschikt voor gras en veeteelt. Gewilde Friese exportartikelen waren de Friese hammen en de zware lakense stoffen, vervaardigd van de wol van Friese schapen.
Het Friese land was niet te bezetten, zo hadden de Romeinen en anderen al geleerd, maar het leverde wel veel op en bleef interessant minstens voor de handel en de doorvoer. De Friese havenstad Dorestadum (Duurstede), onder Utrecht, werd na 620 heel belangrijk als handelscentrum.
Toen de Frankische koningszoon Dagobert I rond 623 langs de Rijn naar boven ging trekken, stuitte hij al meteen boven Keulen op Friese weerstand. Volgens de overlevering gaven de Friezen, onder leiding van Iglo Galama, de oprukkende Franken een flink pak rammel en werd Dagobert bijna gedood, nog voor hij koning kon worden. Dagobert werd Frankisch koning in 629 en trok toen verder naarboven langs de Rijn, tot en met Utrecht. Hij stichtte er een kerkje dat hij direkt aan zijn beschermheer en opvoeder, de bisschop van Keulen overdroeg. Verder waren de Frankische koningen veel meer met de gebieden in het Zuiden bezig dan met het Friese land.
Rond 660: Friezen maken zich sterk Het hele gebied boven de Nederrijn geldt als Fries gebied, meldt de Engelse geschiedschrijver Beda die in deze tijd leeft. De Franken die oorspronkelijk toch vanuit deze regio naar het zuiden doordrongen, moeten de Friezen als meesters van het noordelijke terrein erkennen. De Frankische muntmeesters in Dorestad moeten hun aktiviteiten stoppen. Wat de Romeinen niet lukte, lukt ook de Franken niet: boven de Rijn leeft een apart volk dat zijn eigen regels heeft en zich niet laat knechten.
De Romeinse beschaving kreeg geen vat op de Friezen en van het Christendom (stokpaardje van de Franken) wil men niet weten. Het kerkje van Dagobert te Utrecht werd verbrand. In het rivierengebied tussen Waal en Maas krijgen de Friezen wel te maken met de Bataven en Frankische stammen die daar onder de Romeinen werden geplaatst en die buiten het machtsbereik van de Merowingen bleven en dat geeft problemen. Maar het Frankische Rijk krijgt een duidelijke Friese noordgrens. Alle mensen boven de Rijn gaan 'Friezen' heten. Maastricht wordt de meest noordelijke 'Bourgondische' of Frankische stad, vooral door de benoeming van bisschoppen. De prediking vanuit kloosters neemt toe. De Friezen kennen nog geen kloosters en dulden ook nog geen christenpraat.
Wilfried Het gedonder onder de Franken rond de macht, dat er o.a. toe leidt dat de nieuwe koning Dagobert II (een jongetje) door hofmeier Grimoald naar Ierland wordt verbannen, komt er uiteindelijk op neer dat 'bisschoppen' (kerkelijke macht vanuit goede families) veel macht kregen. De verbanning van Dagobert werd opgeheven door bemiddeling van de bisschop van York, kennis van de bisschop van Keulen, en zo ontstond er een patroon van bemiddeling vanaf de Britse eilanden, via 'zendelingen'. De inbreng van deze 'zendelingen', zoals Willibrord, Wulfram of Bonifatius, bleef steeds heel gebrekkig. Meestal werden ze ook het Friese land uitgejaagd of vermoord.
In de wintermaanden 678/679 bivakkeerde bisschop Wilfried van York in Utrecht, onder de hoede van de Friese 'koning' Aldgisl. Wilfried (geboren 635) was op doorreis naar Rome. Engeland was on die tijd al veel meer gekerstend en erop gericht om de heidense Friezen op het vasteland te bekeren, deze 'achtergebleven neven die leven in het duister van het heidendom'. Wilfried moest wellicht vanwege stormweer op weg naar Rome, in Utrecht aanmeren. De Friezen ontvingen hem vriendelijk. Wilfried trok verder.
Radbod De Friese 'koning' Alfdgisl overlijdt rond 685 en zijn zoon Radbod volgt hem op. Radbod heeft met Britse zendelingen en Frankische legers weinig op. Na Wilfried komt de Angelsaksische missionaris Wigbert om het christelijk geloof onder de Friezen te verbreiden, maar Radbod ziet hem liever gaan dan komen en Wilfried druipt na twee jaar ook weer af. Anders gaat het vlak daarna, rond 690, als de Frankische hofmeier Pippijn II langs de Rijn omhoog trekt. Hij verslaat bij Dorestad de Friese krijgsmacht onder Radbod en verklaart het Friese gebied tot onderdeel van het Frankische Rijk. Dat was te vroeg gekraaid, maar vijf jaar later is de Rijngrens toch door de Franken behoorlijk ingepakt via toezeggingen aan steunpilaren (gebiedsmacht, bevoegdheden) zoals ooit de Romeinen ook deden. De bewoners rond de Rijngrens kiezen voor de Frankische macht en dwingen de Friezen tot oorlog. De Angelsaksische abt Egbert (690) zendt twaalf monniken naar het vasteland. Onder hen bevindt zich Willibrord, die door Pippijn II naar het Friese gebied wordt gestuurd.
Koning Radboud was een taaie. Willibrord had bij hem geen succes en moest zelfs vluchten naar Luxemburg. De Frankische monnik Wulfram wist Radbod beter aan te spreken, maar kon hem toch niet tot christen omdopen. Volgens het verhaal