Friezen And Esten Truttrut
1498-1998......Vijfhonderd jaar 'Friesland'???
In de Encyclopedie van Friesland staat bij 1498: Albrecht van Saksen landsheer. Eind van de Friese vrijheid. Welk vijfhonderdjarig bestaan wil men in 1998 in Friesland vieren?
In 12 na Christus werden de Friezen door de Romeinse legerleider Drusus schatplichtig gemaakt. Hij had dit nodig om de doortocht van de Romeinse schepen naar het noorden van Germania mogelijk te maken. Die doortocht had maar kleine successen. In het jaar 28 kwamen de Friezen in verzet tegen de Romeinse belastinners en de Ossenhuidenopstand begon.
De Ossenhuidenopstand duurde tot het jaar 48. Legerleider Corbulo kreeg van Rome de opdracht zich tot beneden de Rijn terug te trekken. De aandacht van het keizerrijk ging zich sterker op de Britse eilanden richten. Langs de zuidkant van de Rijn werd de 'limes' getrokken, de noordelijke grens van het Romeinse rijk.
Een strook boven die Rijn werd tot militair gebied verklaard. De Friezen mochten zich daar niet vestigen. Om deze misstand uit de wereld te helpen ging ca. 58 een Friese delegatie onder leiding van de 'chiefs' Verritus en Malorix naar Rome. Zij werd daar eervol onthaald maar keizer Nero herriep de instelling van het niemandsland niet.
In de volgende eeuwen bleven er nauwe contacten tussen de Friezen en de Romeinen. De zeehandel vanuit het Noorden liep grotendeels via Friesland en Friese legergroepen werden gebruikt bij de bezetting van de Britse eilanden. De strook niemandsland boven de Rijn wordt gaandeweg meer door Friezen bevolkt.
Constantijn de Grote
Rond 275 ontruimen de Romeinse legers de versterkingen aan de Scheldemond. Ook het gebied bij de Rijnmond (Eiland der Bataven, Betuwe) wordt vrijgegeven, mits de nieuwe bewoners de opperheerschappij van Rome erkennen. De Salische Franken trekken de IJssel over en de Noordzee wordt weer echt Germaanse zee (Mare Germanicum). De door de Romeinen aangestelde vlootvoogd Carausius laat zich door zijn mannen tot keizer van Brittannië uitroepen en de Franken en Friezen van de Rijndelta worden zijn bondgenoten.
De tegenmaatregel blijft niet uit. Keizer Diocletanius benoemt zijn legerleider Maximianus tot 'mede-keizer' in het westen. Deze rukt op naar het Rijngebied en verslaat er de Franken. Met de Frankische koning Gennobaudes wordt in 286 een verdrag gesloten. Deze zal de Rijngrens voor de Romeinen bewaken. Maximianus trekt dan verder door naar de Rijndelta en bezet opnieuw het eiland der Bataven (Friezen en Franken). Omdat Maximianus overlijdt komt er een nieuwe mede-keizer, Constantius Chlorus, die opnieuw de Friezen en de Chamaven onderwerpt en schatplichtig maakt.
Constantijn de Grote. Als Constantius Chlorus in 306 te York overlijdt, erkennen zijn legerleiders z'n zoon als opvolger. Die zoon is de latere Constantijn de Grote, keizer over het hele Romeinse rijk. Direct na de dood van Chlorus komt de Rijndelta in opstand, zodat Constantijn wordt uitgelokt tot een eerste overwinning. Hij verslaat de Franken en laat hun koningen Ascarius en Merogasius te Trier in het stadion voor de leeuwen gooien. De weg van het Nauw van Calais naar Keulen en de aftakking langs de Maas naar Nijmegen laat hij van nieuwe wachttorens voorzien. Het Friese gebied laat hij vrij onberoerd, omdat hij besluit richting Rome te trekken om zijn rivaal voor de titel 'Romeins keizer van het Westen' te verslaan. Dat lukt hem in 312 in Italië. Vlak voor die slag bekeert hij zich tot christen. Constantijn verslaat in het jaar erop ook nog de 'Romeins keizer van het Oosten', maar blijft de macht met een mederegent delen (Licinius) tot 324. Dan worden de legers van deze medekeizer verslagen en heerst Constantijn de Grote als alleenheerser over het hele rijk. Constantijn vestigt zich in het oosten, maakt Byzantium tot Constantinopel en laat het westen over aan zijn zoons. Hij verklaart de zondag tot algemene rustdag. In 335 vaardigt Constantijn strenge wetten uit tegen de joden ('het volk van God') die geen plaats hebben in het rijk wanneer ze zich niet tot het christendom bekeren.
Als Constantijn in 337 overlijdt in zijn paleis bij Nicodemia (west-Turkije) wordt het Romeinse rijk opnieuw verdeeld onder zijn drie zoons. Dat gaf in de Lage Landen rond de Rijn aanleiding voor herstel van Friese en Frankische aanspraken.
'Volksverhuizingen'
Constantijns zoon Crispus leidde rond 320 al de veldslagen tegen de opstandige Germanen rond de Rijn. De veldslagen zijn bloedig en de Romeinse (huur-)legers winnen keer op keer, maar het terrein waarop zij zich langer kunnen handhaven raakt steeds meer versnipperd en de hoofdvestigingen van het legerkamp komen steeds verder ten zuiden van de Rijn te liggen. Dit betekent dat de meer noordelijke volken, zoals de Friezen, geen last meer hebben van belasting-inners. Maar ook dat de bedrijvigheid en handel die door de Romeinse contacten werden aangemoedigd, afnemen.
Vooral het feit van de terugtrekkende 'rijkdom' heeft tot gevolg dat Germaanse stammen dieper het gebied binnendringen dat de Romeinse legers verlaten. De Rijndelta (Lage Landen) is het noordelijkste, meest zwakke gebied en daarlangs komen de Salische Franken geleidelijk aan over de 'limes' heen, met toestemming van de Romeinen, het Gallische gebied binnen. In 355 benoemt keizer Constantius II zijn neef Julianus tot onderkeizer voor Gallië en Brittannië.
Keizer Julianus. De kleinzoon van Constantijn de Grote ontpopt zich ook als een geweldige vechtersbaas. Hij stuurt zijn legers alle kanten uit en overrompelt tegenstanders door ze te verdelen. Aan de bovenloop van de Rijn (zuid-Duitsland) was het Germaanse volk van de Alamannen in Gallia doorgedrongen. Zij moordden niet, zoals de Romeinen vaak deden. Zij maakten krijgsgevangenen. Omdat de Romeinen ook aan volkstellingen deden, wist Julianus ongeveer hoeveel belangrijke Galliërs wel niet door de Alamannen krijgsgevangen waren gemaakt. Rond 359 verslaat Julianus achtereenvolgens diverse Alamannische groepen (stammen) en bevrijdt hij, volgens zeggen, rond 20.000 krijgsgevangenen.
Gelijktijdig stuurt hij zijn generaal Lupicinus met keurtroepen van Salische Franken (daar heb je ze!, huurlegers) naar Engeland dat toen nog niet zo heette. Picten en Scoten moeten daar worden teruggedreven van de Romeinse bezittingen. Julianus begon zijn veldtochten in Brabant waar de Romeinen de Salische Franken toelieten zich te vestigen, mits ze de Friezen controleerden en de vaart naar Brittannië beschermden. De Saliërs waren daartoe niet in staat en Julianus liet hen dit hardhandig weten. Bij Tongeren dachten ze via een vriendelijk overleg de goedkeuring van Julianus te krijgen, maar direct na dit overleg overvielen de Romeinen het Salische kamp.
Julianus wist dat de Saliërs zich niet terug konden trekken op het gebied tussen Maas en Waal of daarboven, omdat dit inmiddels door de Friezen en Chamaven (Hamaland, Twente) grotendeels alweer was bezet. Zo werd een voordelig verbond met de Saliërs gesloten. Zij mochten in het Brabantse gebied blijven wonen (Toxandrië), mits ze keurtroepsoldaten leverden aan de Romeinen.
Zo kon de keizer generaal Lupicinus met een vers leger tegen de Picten en Scoten op het Britse eiland laten optrekken, terwijl hijzelf de Chamaven en Alamannen kon onderwerpen. Julianus kreeg grote faam daarmee, hoewel het de Romeinen weer de Rijndelta kostte. Julianus had succes tegen de Alamannen (Elzasgebied). Maar door Salische keurtroepen richting Engeland te sturen, had hij geen sterk leger meer in de Rijndelta over. Vanuit Alamannengebied trok de Quaden-strijdersstam langs de Rijn naar het Noorden op. In de Rijndelta verdrijven ze de resterende Salische Franken en ze plunderen de Betuwe (de 'limes').
Rond 360 is Julianus daarmee opnieuw de Rijngrens kwijt, hoe succesvol hij elders wellicht ook opereerde. In 360 vallen de Perzen het oost-Romeinse gebied binnen. Onder-keizer Julianus krijgt het bevel de helft van zijn legers af te staan voor de strijd in het oosten. Zijn Rijnleger komt hiertegen in opstand en roept hem tot enige keizer van het Romeinse rijk uit. Wat heeft het met 'het oosten' te maken. Julianus gaat mee in deze opstand, laat zich als keizer beschouwen, beslist dat niet op godsdienst mag worden gediscrimineerd (de christenen zien dit als oorlogsverklaring) en overlijdt.
Keizer Theodosius. Na de dood van Julianus worden de Romeinen aan de Rijngrens herhaaldelijk door Alamannen en andere Germaanse stammen verslagen. Legerleider Theodosius slaagt er rond 368 redelijk goed in de piraterij (van Friezen en Franken) op de Noordzee te weerstaan en zo Brittannia nog als grotendeels Romeins gebied aan te houden. Keizer Valentinianus bemoeit zich met het Rijngebied. Over de Friezen heeft hij niets meer te zeggen (piraten, zeerovers). Met hulp van de Salische Franken worden nog wat versterkingen aangelegd. In het Elzas-gebied en tegen de Alamannen sluit hij een verdrag met de Burgondii die ook vanuit het noorden (vanuit Zweden zelfs) gekomen schijnen te zijn. De Bourgondiërs krijgen een doorgang naar Romeins Gallië via het midden-Rijn gebied. Zij mochten de Allamannen 'Duits' proberen te houden.
Het tegenwoordige Frankrijk dankt zijn naam aan de Salische Franken die via het noordwesten de macht kregen over de Gallische provincies van de Romeinen. Bourgondiërs mochten zich vestigen in het noordoostelijke deel van wat nu Frankrijk heet. Theodosius werd westelijke keizer. Samen met oostelijke keizer Gratianus riep hij in 380 het christendom tot staatsgodsdienst uit voor het Romeinse rijk. Het vereren van huisgoden, lokale goden en vreemde goden werd verboden. Na de dood van Gratianus dingen allerlei generaals weer naar de keizerskroon, totdat Theodosius in september 394 in noord-Italië tegenstrevende legers overwint. Eventjes kent het Romeinse rijk weer één keizer. Heel eventjes, want al in 395 gaat Theodosius dood. Het rijk wordt onder zijn twee zonen verdeeld. De christelijke bisschop Ambrosius is al bijna even belangrijk als deze twee zonen die nu 'keizer' moeten spelen.
Friesland tijdens de 'Volksverhuizingen'
Al sinds 200 na Christus waren de Romeinse keizers nauwelijks meer Romeins te noemen. Legerleiders namen de macht over. Dat waren eerder afstammelingen van geslachten uit de buitengebieden (met Romeinse opvoeding) dan van puur-Romeinse herkomst. Regelmatig moesten nieuwe keizers hun aanstelling per leger afdwingen. Zoals ook de keizer van alle keizers, Julius Caesar, slechts een supercommandant was voordat hij met zijn legers over de Rubicon trok, het grensriviertje in Italië voor wat betreft puur-Romeins gebied ('de teerling is geworpen') en Romeinse opposanten versloeg. Hij had Gallia overwonnen en voor de Romeinen op de kaart gezet.
Caesar werd toen hij even alleenheerschappij leek te krijgen, snel vermoord (44 voor Christus), door zijn gelijken en vrienden. Het kostte heel veel jaren voordat zijn adoptiezoon Octavianus zich de eerste Romeinse keizer mocht noemen: keizer Augustus. 'Keizer' komt van Caesar. 'Caesar' is een bijnaam en betekent eigenlijk slachter of snijder. Geen leuke titel wanneer je erover nadenkt.