Van der Hoek
Documenten

Over de Friezen & de Esten

OVER DE FRIEZEN & DE ESTEN

  • geschiedkundige halfdocumentatie -

eerste versie op verzoek geschreven door Jan Wolter VanderHoek

september 1997

I. FRIEZEN & ESTEN: HETZELFDE SOORT TUIG

  1. Gemengd ras

Omdat je toevallig bent geboren uit een Friese vader en een half-Estnische moeder, heb je belangstelling. Het is niet slecht, zo'n belangstelling voor herkomsten en voorouderlijke streken, hoewel je de ethniciteit niet mag overdrijven. Ik kan je melden dat Friezen en Esten door de geschiedenis heen hetzelfde soort tuig waren, waarbij de Friezen per saldo misschien het meeste geluk hadden. Maar wie bepaalt de mate van geluk. Estland lag tweeduizend kilometer verder uit de buurt toen het om de verdeling van macht ging. Maar ook de Esten mogen niet alleen maar klagen over hun historie.

Je bent van gemengde afkomst, voorzover je Friezen en Esten als aparte afkomst wilt onderscheiden. Bedenk ook nog dat je moeder van Deelen-kant een Brabantse herkomst met zich meedraagt en dat haar moeder, de Mänd-kant, niet-Estnisch was. Opa Mänd, de bierbrouwer van Rakvere, was een Est. Oma Mänd was door haar huwelijk van het Russische Petersburg naar Estland verhuisd, volgens de kaart een afstand van niks. En oma Mänd stamt uit een adelijk geslacht dat aan het hof van de tsaar dienst deed, volgens de verhalen (je moet bij Stella zijn voor deze kant van je familiegeschiedenis). Dit geslacht was niet Russisch, maar schijnt via Frankrijk en Zwitserland in Moskou en Petersburg terecht te zijn gekomen. Met, en daar zijn we weer terug, verder in het verleden zelfs Nederlandse, wellicht Friese afstamming. Die cirkel is rond, maar houd ook je Brabantse opa in ere. Van Brabant is net zoveel te vertellen.

Ook van de kant van je vader is de afstamming niet puur Fries. Want mijn vader was een halve, zoon van de Fries Bonne Van der Hoek die op zijn twintigste naar Holland emigreerde en daar trouwde met de tuindersdochter Neeltje Roem. Mijn vader werd in Naaldwijk, onder den Haag, geboren en werd pas op zijn achtste door verhuizing inwoner van Friesland. Waarom denk je dat we thuis in het Hollands werden opgevoed. Neeltje was misschien van herkomst een Kanninefate en dat ligt dicht bij Fries. Mijn puur-Friese moeder bracht het grootste deel van haar jeugd langs de Rijn in Duitsland door. Toen Jelte dertien was ben ik met hem naar die plek gefietst en nog verder Duitsland in. In Göttingen werd hij veertien. Maar de vader van de moeder van mijn moeder, Beppe Fokje, was Jurjen Schippers en die gold als 'Ommenaar' in het Friese Oranjewoud. Was dus waarschijnlijk een Saks.

In de dichtstbije afstamming geld je als half-Fries, kwart-Estnisch en kwart-Brabants. Een bont geheel en kijk je verder, dan zitten er sliertjes andere herkomst nog tussen ook. Westeuropees, dat is wel zeker. Het woord ras wil ik verder vergeten.

  1. Esten in Friesland

In de loop van de geschiedenis hebben heel wat Friezen het land van de Esten bezocht. Toen de Noordzee nog de Friese Zee heette en heel veel later ook nog, tot ver in de Middeleeuwen, waren de Friezen niet alleen terpbewoners, maar ook zeevarend handelsvolk. Berucht en gevreesd, maar daar komen we later nog op terug. Ze waren ook aardig. De Friezen zorgden eeuwenlang voor de zeehandel tussen het door de Romeinen bezette gebied en de Oostzeelanden, waaronder het Estland van vandaag.

Zo kwamen ook Esten in Friesland, dat uitgestrekter was dan de provincie Friesland zoals we die nu in Nederland kennen. Het bovenste deel van Noord-Holland heet nog altijd West-Friesland. Het noordwestelijke deel van Duitsland heet nog altijd Oost-Friesland. Ik ben daar met Auke naar toegefietst toen hij vijftien was. Op de weg ernaartoe fietsten we door Saterland, met de plaats Friesoythe, die we maar niks vonden en geen slaapplaats waard. In Saterland spreken oudere mensen ook nog steeds een soort van Fries. En tegen Denemarken aan heb je Noord-Friesland, met plaatsnamen die je ook in het Nederlandse Friesland tegenkomt en waar een soort van Fries nog steeds wordt gesproken. Daar zijn Rense en Auke in 1995 met mij per auto op vakantietocht doorheen gereden.

Een bijzonder bezoek van Esten aan Friesland vond in het jaar 994 plaats. Je moet dan aan het oostelijke deel van Friesland denken. De toenmalige 'journalist' Adam van Bremen, in zijn Gesta Hammaburgensis oftewel Hamburgse Berichten, meldt dat zeerovers de Friese kusten bestookten en zelfs daarbij de Elbe op voeren. Hij noemde ze Ascomanni of Wichingi (het Friese woord voor Vikingen). De naam Ascomanni zou wijzen op het feit dat de betreffende piraten uit Askala afkomstig waren, een deel van Estland. Die moeten dan de Oostzee uit en om Denemarken heen gevaren zijn om bij de Friese kust te komen. Laten we voorlopig aannemen dat dit zo gebeurd is.

Volgens het oude Noorse boek Heimkringla namen een kwart eeuw eerder, rond 970, vikingen uit Estland de toen nog jonge Olaf Tryggvason gevangen, die later een beroemde Noorweegse koning werd. De jongen moest knechtenwerk doen voor de Esten. Zij waren dus al een tijdje buiten de Oostzee actief. Later nog schrijven Saxo Grammaticus, rond 1180, en Hendrik van Livonië, in 1227, over Estnische piratenschepen en rooftaktieken. De 'echte' Vikingentijd was toen al lang voorbij en de Deense, Noorse en Zweedse vikingen hadden zich al lang in Engeland, Frankrijk en nog verder weg gevestigd. Esten lijken hun spoor te hebben gevolgd en nog langer aan zeeroverij te hebben gedaan. Speculaties.

  1. Friezen en Esten

Toen de Romeinen op hun machtigst waren, bereikten ze ook de Rijn. En ze wilden nog verder. De Romeinen hadden een schriftcultuur en schreven rapporten, want de hoge kosten van legervoering en bezetting moesten voor de mensen thuis worden verantwoord. De Romeinse generaal Julius Caesar begon met zijn rapportering over de 'volken' die hij in het noordwesten van Europa tegenkwam. Anderen volgden.

De Romeinen kwamen een heleboel 'volken' tegen die aanvankelijk allemaal apart werden genoemd. Later ging men het meer algemeen over Germanen hebben of over Franken, toen de betreffende 'volken' zich aaneen bleken te kunnen sluiten en met elkaar in verzet kwamen.

Onder de wel honderd verschillende 'volken' die de Romeinse bezoekers tijdens de eerste tijd opmerkten, waren er ook de Frisii (Friezen) en de Aesti (Esten). De Romeinen kwamen die 'volken' tegen op de plaats waar ze nu nog altijd bestaan. Terwijl allerlei andere 'volken' van toen, qua naam volledig zijn verdwenen of aan latere volksverhuizingen zo intensief meededen dat ze als 'volk' tenslotte elders in Europa belandden. Zoals de Gothen die via Oekraïne en Noord-Italië helemaal in Zuid-Frankrijk en Spanje belandden. Of de Vandalen die vanuit Polen helemaal naar Noord-Afrika trokken en tenslotte Rome verwoestten. Dat 'vandaal' een slechte betekenis heeft, komt door die verwoesting van Rome. Verder waren het best goede mensen. De Italiaanse stad Venetië heeft aan hen waarschijnlijk de naam te danken. Zoals de streek rond het Italiaanse Milaan (een Keltische stadsnaam) Lombardije wordt genoemd, naar het volk van de Lombarden die ook uit Polen afkomstig zijn. De Bourgondiërs trokken vanuit Zuid-Zweden via Worms naar Oost-Frankrijk. De Saliërs trokken naar het gebied rond Deventer (vandaar de naam Salland), trokken Brabant in, bereikten het Belgische Doornik en stichtten van daaruit het rijk dat Frankrijk ging heten.

De Friezen en Esten draaiden uiteraard ook wel mee in dit gebeuren, maar bleven voor het grootste deel hun 'stamland' trouw. Ze gingen niet als heel volk verhuizen.

Toen Julius Caesar rond 60 voor Christus het huidige Brabant uitmoordde (over het 'volk' van de Eburonen is sindsdien weinig meer gehoord), rapporteerde hij over het noordelijker volk van de Frisii. Werden ze door de Kelten al zo genoemd? Noemden ze zichzelf zo. Het oude woord 'frisle' heeft met krullen of haarvlechten te maken. Hoe verder de Romeinen naar het Noorden kwamen, hoe meer ze mensen met andere haarkleur en haardracht tegenkwamen dan zij gewend waren (de Romeinse soldaten waren zwartharig en schoren zich meestal gabberkaal, dat paste beter onder hun helmen). Waarschijnlijk zijn de Friezen vernoemd naar hun haardracht. Maar dan wel met een Germaans en niet met een Romeins woord. Zo heetten ze misschien al veel langer, ook voor de naaste buren.

Niet veel later meldt de Romeinse geschiedschrijver Tacitus ook het bestaan van Aestii aan de oostkust van de Baltische zee (de Oostzee). De Romeinen kwamen met hun legers nooit zo ver, maar de handel wel. Volgens Tacitus waren de Esten een mysterieus volk, dat een taal sprak die niet Germaans was maar op de taal van de Bretons leek (Keltisch). De Esten leverden het kostbare barnsteen, hielden er een religie op na met een moedergod en het wilde zwijn was haar symbool. Dat symbool gebruikten ze ook ter bescherming, waar Romeinen eerder wapens zouden hanteren. Raar volkje. De dienaars van het everzwijn waren volgens de Esten in zekere zin 'heilig' en onkwetsbaar.

Volgens Tacitus spraken de Esten een soort Keltische taal (Europese 'oerbewoners'). De verering van het everzwijn vind je ook bij de Kelten terug. De latere Germanen combineerden het everzwijn met hun 'goden' Freya en Frey, de bezorgers van succes en overvloed. Ook het barnsteen waarmee de Aestii beroemd werden, werd later aan de godin Freya verbonden. Je zou een invloed van de Aestii kunnen vermoeden, een invloed tot en met de Germaanse mythologie.

Tacitus meldt ook nog dat de Aestii eigenlijk slechte handelaren waren, omdat ze niet doorhadden hoe waardevol de Romeinen het barnsteen als handelswaar beschouwden. Men kreeg het voor een koopje. Waarschijnlijk lag dit meer aan de Romeinen zelf, die bereid waren een moord te plegen voor een stukje barnsteen (een luxe) en keken de Aestii nuchterder aan tegen dit produkt. Dat al voordat de Romeinen verschenen via de handelsroutes richting het zuiden werd verhandeld. Men kreeg daar dan weer andere dingen nuttig voor dagelijks gebruik voor terug.

De Aestii golden ook later nog als het 'volk van de waarzeggers'. Askala was het land van de wizards. De herkomst van de Esten-naam heeft zeker niet met haardracht te maken, zoals de Friezen-naam waarschijnlijk. Veel eerder met het volk van de Alanen dat rond 100 voor Christus over de Russische steppe tussen Don en Wolga heerste. De toenmalige Grieken noemden deze mensen As of Asii.

Je bent nu dus zover dat je kunt begrijpen dat de naam Estland samenhangt met de naam Azië en met de naam van de Noordse godenfamilie die Aesir heet of Asen. De Romeinen waren minder dan de oude Grieken bekend met de 'Russische' kant van Europa. Dat Asia (Azië) naar deze Aestii was vernoemd, ontging de Romeinen van dat moment. Dat het een volk was met bijzondere eigenschappen (waarzeggers, tovenaars) meldden ze nog wel. Rond 1200 schreef de Noorse schrijver Snorri Sturluson oude verhalen op over het rijke Asaheim, ten oosten van de Tanakvisl, de Don-rivier. Met de prachtige hoofdstad Asagarth.

De inwoners van het huidige Estland stammen misschien nog maar heel weinig af van de Alanen of Aestii aan wie zij (en Azië) hun naam hebben te danken. Hun stamland bestreek aanvankelijk een veel groter gebied, dat hebben ze wel weer gemeen met de Friezen. Een overeenkomst is ook de eigen taal. Zoals het Fries in oorsprong weinig met het Frankische Nederlands (als taal) heeft te maken, zo heeft het Estnisch ook weinig te maken met de direct omringende talen, behalve met het Fins en met het Hongaars.

Het aparte (Fins-Ugrische) volk werd klassiek Aestii genoemd. Door de Scandinaviërs Sembi. Door de Slaven (Wenden en Polen) Pruzi. Daar komt de naam Pruisen vandaan.

De vroeg-historische herkomst van de Estennaam is, gezien bovenstaand verhaal, beslist wel indrukwekkend. Ook al gingen de pluspunten door opdringen van andere volken (het everzwijnenvel maakte je niet onkwetsbaar voor modernere wapens) gaandeweg verloren. Esten bleven wel lang het magische volk. De Friezen zaten te dicht op de Romeinse rijksgrens om de beinvloeding van die modernere wapens te ontwijken. Van 27 tot 48 na Christus kwamen de Friezen overigens wel in fanatiek verzet tegen de bezetterige Romeinen. Die periode heet de Ossenhuiden-opstand (niet everzwijnhuiden). Het gevolg was dat de Romeinse keizer zijn generaals opdracht gaf de Rijn als noordgrens te kiezen en dus, in zekere zin, de Friezen vrij te laten. Engeland (Brittannia) bleek gemakkelijker te overwinnen en leverde ook rijkere buit.

Zo'n 'heilig' volk als de Aestii waren de Frisii niet. Ze waren ook vele eeuwen eerder al tot aan de Noordzeekust doorgedrongen dan de Asii in het Russische gebied. Opgravingen melden Friese kustbewoning minstens zo vroeg als 9000 voor Christus. Toen had je nog slechts ouders en voorouders geen 'goden'.

Onwaar waarschijnlijk, maar de Aestii werden ook Pruzi genoemd en dat lijkt behoorlijk veel op Frisii. En Rusland dankt zijn naam aan de Ruotsi of Rus, zijnde de naam voor het handelsvolk dat vanuit Scandinavië de steppen tussen Don en Wolga weer 'terug veroverden'. Over de betekenis en herkomst van de Rus-naam zijn geleerden het niet eens. Sommigen stellen dat het 'varend volk' betekent (zie: roeiers), want de handelaren maakten uitvoerig gebruik van rivierschepen. Anderen zien verband met bijzondere haarkleur (blond of rossig). Ik neig ertoe te geloven dat Frisii, Pruzi (voor de Esten) en Ruotsi of Rus (voor de mensen die met terugwerkende kracht de naam aan Rusland gaven) niet een en hetzelfde 'volk' waren. Maar wel dat ze naar een gezamenlijk kenmerk werden vernoemd, door zwartharige andere 'volken'. Feit is dat blonde haren van origine nergens ter wereld voorkomen behalve in het gebied van noordwestelijk Europa. Zwartharig is de norm overal elders ter wereld. De Frisii, Pruzi en Ruotsi of Rus zijn naar hun vreemde haar vernoemd. Toen de Chinezen met hun schriftcultuur begonnen werd de eerste machthebber ('keizer') al geroemd omdat hij de zwartharige mensen wist de verenigen. Dat is ruim vierduizend jaar geleden. Er waren noordelijke volken die kennelijk niet zwartharig waren (Frisii, Pruzi of Ruotsi). Onwaar waarschijnlijk, maar je ziet hoe ik tussen Esten & Friezen alleen op naam al een mogelijk historisch brugje weet te slaan. De spaarzame blondharige volken.

  1. De verschijning van de Friezen

De beschaving en religies kwamen binnen Europa steeds vanuit het oosten. Als je de aardbol bekijkt en met klimaatzones rekening houdt, zul je de oorzaak begrijpen. Europa en Azië vormen samen het grootste vasteland ter aarde. De zone die het gunstigst is voor agrarische bebouwing is er op z'n breedst.

Onze mensensoort is weliswaar in Afrika 'geboren', maar zocht grotendeels snel het vruchtbaarder klimaat van Eurazië. Want op het Afrikaanse continent heb je niet de brede zone van een gematigd klimaat. Je hebt er zandwoestijn, tropisch regenwoud, weer woestijn en pas ver in het zuiden pas weer een betrekkelijk klein gebied met gematigd klimaat.

Het andere grote continent is Amerika. Onze mensensoort kwam pas laat op dat continent terecht. Moest eerst het grote gebied van Azië doortrekken. Pas aan het eind van de laatste ijstijd, zo'n 13.000 jaar geleden, toen er begaanbaar land was tussen de noordelijke uitloper van Azië en de westelijke uitloper van Amerika trok de mens het Amerikaanse continent binnen. Dat is waar nu de Beringstraat stroomt tussen Siberië en Alaska.

Pas aan het einde van de laatste ijstijd begon onze mensensoort heel Eurazië te bewonen. Ook die gebieden die kort ervoor toendra's waren of met ijs bedekt. Rond 11.000 jaar geleden bereikte de mens ook het gebied aan de Noordzeekust, zoals wij die nu kennen. Het Friese gebied. Je moet bedenken dat de Noordzee toen nog nauwelijks bestond. Tussen Nederland en Engeland zat land, waar je overheen kon lopen. Zoals eerder tussen Azië en Amerika een landbrug bestond. Het zeeniveau lag wel zo'n honderd meter lager dan nu. Door de grote ontdooiing steeg dat niveau per eeuw met tientallen meters.

Zo'n 7.000 jaar geleden, er was al iets van een Noordzee ontstaan, braken de landsgrenzen o.a. bij Schotland echt door. Pas veel later begon de schrijfcultuur die ons oude verslagen oplevert en in die verslagen klinken nog de herinnering aan grote overstromingen door. In de bijbel heb je het verhaal van de 'zondvloed', met Noach en zijn ark. 'Zondvloed' heeft niets met zonde te maken, hoewel men in de kerk dat wel graag beweert (bijbelse straf). 'Sont' betekent breed en groot: grote vloed.

In die tijd werd het Friese kustgebied al bewoond, zo blijkt uit oude vondsten. De jagers/verzamelaars kregen met steeds meer zee te maken en werden tenslotte vaste-plek-bewoners op het resterende terrein: zoutzieders (uit zeewater), vissers, landbouwers, veehouders. Door hun plek aan de kust werden ze ook schippers en handelaren over zee.

BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN DE FRIEZEN

I

Rond 700 voor Christus was er een langdurige droogteperiode, die op de zandgronden grote verstuivingen veroorzaakte. Een gunstig gevolg was dat grote delen van de kwelders ook droogvielen waardoor een vruchtbaar kleigebied ontstond. Bewoners van de Drentse zandgronden (Zeijener-cultuur) vestigen zich op de kwelders van het Gronings-Friese kustgebied. Omdat de kwelders van het Drentse plateau door een brede strook veen worden gescheiden, gaat gaandeweg het contact met het oorspronkelijke woongebied verloren. In de loop van de tijd ontwikkelt zich een eigen cultuur. De Romeinen zullen later spreken van de 'Friezen'. Het nieuwe terrein was ideaal voor de veeteelt. Maar op de zeeklei verbouwde men met succes ook tarwe, vlas, gerst en dederzaad, een gewas waarvan de zaden veel plantaardige olie opleveren.

Rond 350 voor Christus breiden de Friezen hun invloed over het westen van Nederland uit. Het Ruinen-Wommels aardewerk en het streepband-aardewerk, dat de opvolger ervan is, komt in dit hele gebied voor. Het grafgebruik verandert in deze tijd. De verbrande resten van de doden worden nu zonder urn begraven, zodat van urnenvelden nauwelijks meer sprake is. Aan de Noordzeekust komt de zoutindustrie tot grote bloei. Zout is aantrekkelijk als smaakversterker en nuttig als conserveermiddel van vlees en vis. Voor de kustbewoners betekent de zouthandel een belangrijke bron van inkomsten.

Als Pytheas (Griek uit de kolonie Marseille) rond 350 voor Chr. een lange zeereis maakt die hem tot aan de Noorse kust brengt, meldt hij in zijn reisverslag dat de Nederlandse Noordzeekust deel zou uitmaken van het land 'Metuonis', waar 'de Guionen' woonden. De oudst bekende naam voor de Friezen?

Vanaf 500 voor Christus breidt de Keltische cultuur zich, vanuit Oostenrijk, sterk uit. In 387 a.C. veroveren ze zelfs Rome en een eeuw later de heilige Griekse stad Delphi. Vanaf 300 a.C. vormt het zuiden van Nederland de grenszone van het Keltische woongebied. Tot in Friesland dringen ze dus niet door.

Rond 100 voor Christus neemt de aandacht van de Romeinen voor de volkeren in het Noorden sterk toe. Dit nadat ze slag moesten leveren met twee 'wilde' stammen uit Jutland en Sleeswijk, de Cimbren en Teutonen, die sinds 113 a.C. op drift waren geraakt en door Duitsland, Frankrijk en Spanje trokken. Ze kruisten daarbij het pad van de Romeinen die een aantal malen door hen werden verslagen. In 102 wist de Romeinse veldheer Marius hen in de Franse Provence eindelijk een nederlaag te bezorgen. Dezelfde Marius blijft ze achtervolgen en verslaat hen definitief als ze de Po-vlakte zijn binnengetrokken (101).

Poseidonios van Rhodos die aan het begin van de eerste eeuw voor Christus door Gallia reisde, vindt het onwaarschijnlijk dat de Cimbren en Teutonen voor het oprukken van de zee uit hun woongebied waren gevlucht. In deze streken wordt het land immers zelfs tweemaal per dag door de zee overspoeld. Poseidonios maakt melding van de noordelijkste Gallische stam, de Belgen, die sterk verwant is aan de Germanen.

Caesar In het jaar 60 a.C. vormen Pompejus, Crassus en Caesar het eerste driemanschap in Rome. Bij de machtsverdeling krijgt Caesar de provincies Illyrie en Gallia Cisalpina en Transalpina toegewezen. Caesar gaat direct met zijn legers op pad om de noordkant van zijn Gallisch gebied zeker te stellen. Rechtstreekse aanleiding was de inval van de Germaanse Sueven, onder koning Ariovistus, enkele jaren eerder die een groot deel van de Elzas bezetten. Dit ging ten koste van de Haeduers, een traditionele bondgenoot van Rome. Ariovistus wist de boosheid hierover aanvankelijk nog te sussen, maar ging daarna te ver. De Zwitserse Helveten werden ook door hem aangevallen en gedwongen hun grondgebied te verlaten. Zij vroegen Caesar vrije doortocht door het zuiden van Frankrijk (al sinds 118 Romeins gebied) om zich in West-Gallie te vestigen. Caesar weigerde dat, versloeg de Helveten en joeg hen naar Zwitserland terug. Omdat hij nu toch in de buurt was, vroegen de Haeduers oplossing van het probleem- Ariovistus. Caesar versloeg de Sueven en joeg ze terug over de Rijn. Omdat de winter inviel besloot hij met zijn legers in de Vogezen te blijven. Toen 57 a.C. aanbrak lagen de Romeinse legioenen dus paraat, vlakbij het land van de 'Belgen'.

In het voorjaar van 57 trekt Caesar verder naar het Noorden. Naar de Belgen, zoals de Romeinen de vele noordelijke Keltische stammen die hevig verzet plegen, noemen. De belangrijkste stam zijn de Nerviers, tussen Schelde en Maas, die volgens de Romeinen een leger van 60.000 man hadden. Verder de Morinen in de kuststreek (25.000 man onder de wapenen), de Aduatieken in de Ardennen (19.000 man onder de wapenen) en ten noorden van hen en ten westen van de Rijn de Eburonen, samen met enkele kleinere stammen goed voor 40.000 gewapende mannen, volgens de Romeinen. Aan de kust van Zeeland wonen de Menapiers en benoorden de grote rivieren de Friezen, zo wordt gemeld. De Romeinen gaan niet verder dan de Rijn, dus de Friezen raken nog niet met hen in conflict.

In zijn verslag over de Belgen stelt Caesar: 'Men heeft de indruk met barbaren van doen te hebben die voortdurend onderling twisten.' Er is geen centraal gezag. Wel is er een bezittende klasse die een overheersende rol speelt en soms uit hun midden een koning kiest ('vergobretus') die door een raad van edelen wordt bijgestaan. De lagere bevolking, vrijen, afhankelijken en ambachtslieden, is aan de adel schatplichtig. Soms wordt bij de crematie van een edelman behalve kostbaarheden en dieren ook een van zijn horigen mee verbrand. Naast de adel nemen de druiden een vooraanstaande plaats in, de religieuze leiders en bewaarders van het Keltische culturele erfgoed. Zij beschikken ook over rechterlijke macht en de bevoegdheid om oorlogen te beeindigen. De Kelten kennen geen schrift. De druiden dragen hun kennis mondeling over aan hun opvolgers, tijdens een 20 jaar durende opleiding. Eens per jaar komen de druiden bijeen in het land van de Carnuten (Maine).

Landbouw en veeteelt worden over de Belgen als economische bedrijvigheid genoemd. Men verbouwt onder meer rogge en gerst, maar geen tarwe (de Friezen wel!). Het meest gehouden dier is het varken. In het zuiden worden ook geiten en schapen gehouden, in het noorden koeien. De Belgen vullen hun voedselpakket aan via de jacht en de visvangst. Caesar is wel onder de indruk van de dapperheid van de Belgen: 'Onder hen allen zijn zij de dappersten, doordat ze het verst verwijderd zijn van de beschaving en de cultuur van de Provence, omdat de kooplui hen slechts zeer zelden opzoeken en er bijna geen artikelen invoeren die de verwijfdheid in de hand werken.'

In mei 57 worden de legers van de Nerviers en de Aduatieken door de Romeinse troepen vernietigd. Volgens Caesar overleefden van de 60.000 Nervische strijders, aangevoerd door Boduogenat, slechts 500 de slag. Toen de Audatieken dat hoorden gaven zij zich, bij Namen, over. Zij worden gevangen genomen en als slaven verkocht. De Romeinse legers blijven nu in deze streken hangen. In 56 richt Caesar zich op de Franse oceaankust waar hij (mei) de vloot van de Veneten vernietigt en in september een nederlaag lijdt tegen de Morinen en de Menapiers. Dat maakt Germaanse stammen overmoedig: in de winter 56/55 trekken de Tencteren en Usipeten bij het huidige Kleef de Rijn over voor plundertochten in het gebied van de Eburonen, Condrusen en Menapiers. Tussen Rijn en Maas worden zij in 55 door Caesar verslagen. Hij plakt er meteen een korte expeditie op Germaans grondgebied over de Rijn aan vast (tegen de Sugambren). In hetzelfde jaar onderwerpt hij de Morinen en steekt hij tot tweemaal toe het Kanaal over om in het Britse zuiden enkele stammen te onderwerpen. Door de forse tegenstand van de Belgische volken kwamen de Romeinen in die tijd vaak handen te kort. In oktober 54 sloegen de Eburonen toe en ging een heel Romeins legerkamp, bij Tongeren, over de kling. De Eburonen-leider Ambiorix had de Romeinse commandanten wijsgemaakt dat alle kampen in heel Gallie op dezelfde dag zouden worden overvallen (het 'verdeel en heers' van de Romeinen eendachtig) en dat ze ongestoord hun collega's te hulp mochten komen. Toen de Romeinen op pad gingen, werden ze door de Eburonen overvallen en afgeslacht. De Aduatieken en Nerviers sloten zich nu bij de Eburonen aan om het Romeinse legerkamp aan de Sambre te overvallen. Caesar moest snel te hulp schieten om de vernietiging van ook dit kamp te voorkomen. Het spreekt voor zich dat de Romeinse woede het jaar daarop (53) tot stevige veldtochten tegen de Treveren, Nerviers en Menapiers leidde en vervolgens tegen de Eburonen. Ambiorix moest vluchten. Toen in 52 een groot aantal Gallische stammen zich onder Vercingetorix, koning van de Avernen, gezamenlijk tegen Caesar keerden, hielden de Treveren en Eburonen zich rustig. Caesar versloeg Vercingetorix maar was de Eburonen nog niet vergeten. Voorjaar 51 trekt hij opnieuw naar Limburg en laat de Eburonen vrijwel uitmoorden. Een opstand van de Treveren en hun Germaanse bondgenoten wordt neergeslagen. Eind 51 wordt heel Gallie tot aan de Rijn uitgeroepen tot Romeinse provincie. Dat betekent de invoering van een nieuw militair en economisch systeem. De inwoners moeten belasting betalen en mannen leveren voor het Romeinse leger.

Voorjaar 49 trekt Caesar met zijn dertiende legioen de zuidgrens van zijn machtsgebied over, de rivier de Rubicon in Noord-Italie, om in Rome een gooi naar de volledige macht te doen. Als dictator viert hij triomfen, maar wordt hij op 15 maart 44 a.C. ook vermoord.

Augustus Bij het vertrek van Caesar was de noordgrens van het Romeinse Rijk in onze streken nog beslist niet duidelijk en zeker niet de Rijn. De Keltische stammen waren verslagen, maar vanuit Germanie konden allerlei stammen zich gemakkelijk over de Rijn wagen en zich op de vruchtbare gronden langs de grote rivieren vestigen. Caesar's oorlogen hadden enorm veel slachtoffers gekost (een miljoen doden, een miljoen als slaven afgevoerde gevangenen), het volk van de Eburonen vrijwel uitgemoord. Een vernieuwing van de bevolking vond plaats, door binnentrekkende Germaanse stammen van over de Rijn, zoals de Cananefaten en de Bataven, beide afkomstig uit het gebied aan de bovenloop van de Weser. In Rome volgde Octavianus, geadopteerder zoon van Caesar, Ceasar op. Hij had het te druk met andere zaken en benoemde in 39 zijn naaste medewerker Agrippa tot stadhouder voor Gallie. Deze onderdrukt opstanden en regelt verhuizingen van bevriende stammen naar het roerige gebied. Hij begint ook met de aanleg van een wegenstelsel, vanuit Lyon, langs de Rijn naar boven. Agrippa werd in 31 opgevolgd door Carrinas die tegen de Sueven en de Morinen te velde moet trekken. Zo gaat dat door, ook onder volgende stadhouders. De Friezen blijven buiten schot. Ze weiden hun vee, verbouwen hun gewassen, winnen zout, handelen, vechten tegen de zee (terpen). Octavianus wordt in 27 a.C. keizer Augustus van het hele rijk. Hij regelt een organisatie voor Gallia Comata (waar men het haar lang draagt, dit tegenover Gallia Togata, waar men een toga draagt): geen opdringing van vreemde bestuursorganen, langzame romanisering. Hij voerde wel al de volkstelling in. In 25 wordt een strafexpeditie tegen Germanen aan de overzijde van de Rijn uitgevoerd, vanwege de moord op enkele Romeinse kooplieden. Een opstand van de Treveren (21) wordt neergeslagen, de stad Trier (Augusta Trevorum) onstaat, de eerste stad in het noorden met de status van 'colonia'.

Drusus De Sugramben (bewoners van het huidige Ruhr-gebied) maakten keizer Augustus definitief kwaad. Zijn pleegvader had najaar 55 al een strafexpeditie tegen ze gehouden, nu (voorjaar 16) waren ze weer de Rijn overgetrokken en hadden ze het Romeinse leger onder leiding van stadhouder Marcus Lollius een gevoelige nederlaag bezorgd. Het jaar daarvoor hadden ze het handelsverdrag met de Romeinen opgezegd en een aantal kooplieden aan het kruis geslagen. Hun leider Maelo had grote plannen. Augustus reist meteen naar het Rijngebied, samen met zijn stiefzonen Tiberius en Drusus. Met korte onderbrekingen blijft hij drie jaar in de Gallische provincie. De kwestie met de Sugramben is snel opgelost, binnen het jaar wordt een vredesverdrag gesloten en de buitgemaakte legioensadelaar teruggegeven. Ingrijpend is het besluit van Augustus om de geclaimde noordgrens van het Romeinse rijk te verleggen van de Rijn naar de Elbe: om rust te krijgen een deel van Germanie erbij pakken. Als voorbereidende maatregel werd een strook land onder militair bestuur gesteld. Het bovengermaanse leger, hoofdkwartier in Mainz, zorgde voor de zuidelijke gebieden. Het benedengermaanse leger, hoofdkwartier in Xanten, voor de noordelijke. Een groot deel van de zes legioenen die tot dan toe Gallie bezet hielden, werd aan de Rijn gelegerd om de bewegingsvrijheid van de grensvolken (die voor het grootste deel van de verdediging zorg droegen) in te perken. Er kwam een weg door de Alpen en een aanvoerlijn langs de kust. Stiefzoon Drusus kreeg de opdracht de zaak uit te voeren, als Augustus in 13 a.C. weer definitief naar Rome vertrekt. Onder Drusus komen dan de Friezen op eigen gebied met de Romeinen in aanraking. Men weet dat Germania van bovenaf via de zee is te benaderen. Drusus start een 'Deltaplan' en laat dammen bouwen om de waterhuishouding beter te regelen. Hij laat ook een waterweg graven, de Drususgracht (Utrechtse Vecht), om vanaf de Rijn een bevaarbare route richting de Zuiderzee of Waddenzee te verkrijgen. In het najaar van 12 a.C. vaart voor het eerst een Romeinse vloot via de Drususgracht naar het land van de Friezen. Drusus claimt Romeinse macht over dit gebied en legt de Friezen een belasting op in de vorm van runderhuiden. Ze moeten ook manschappen leveren en garnizoenen verdragen. Het jaar erop stoten de Romeinen verder oostelijk door en vechtend tegen onder meer de Chauken, de Sugramben en de Cherusken wordt in 9 a.C. tenslotte de Elbe bereikt. Op 9 september 9 a.C. overlijdt Drusus na een val van zijn paard, in het zomerkamp Scelerata (tussen Saale en Rijn).

Tiberius Keizer Augustus komt opnieuw naar de noordgrens (8 a.C.) om de situatie na Drusus in ogenschouw te nemen. Hij neemt de andere stiefzoon, Tiberius, mee en benoemt deze tot opvolger van Drusus. Als Augustus vertrokken is, pakt Tiberius meteen de steeds opstandige Sugramben aan. Het hele volk wordt gevangen genomen en naar het gebied rond Xanten, hoofdkwartier van het benedengermaanse leger, gedeporteerd (zo'n 40.000 mensen). Na deze daad weet hij de meeste Germaanse stammen met Rome te verzoenen. Het gebied tussen Rijn en Elbe is wel erg groot en het Romeinse leger kan zo ver nog niet reiken. Tiberius sluit dus vriendschapsverdragen, maar ontruimt de door Drusus opgerichte militaire steunpunten tussen Rijn en Elbe. In 7 a.C. gaat hij zich met zaken elders binnen het Romeinse rijk bemoeien en laat hij de problemen in het noorden aan 'legaten' over. Dit gaat redelijk tot het jaar 1 na Christus. De Germaanse stammen tussen Rijn en Elbe komen in opstand. Rome benoemt Marcus Vinicius tot stadhouder die de orde enigszins weet te bewaren. Maar in het jaar 4 stuurt keizer Augustus toch Tiberius weer naar het hoge noorden. Tiberius neemt het commando over, legt bij Nijmegen een legerplaats aan, doet een aantal succesvolle veldtochten en sluit nieuwe verdragen met de kustvolken, de Chauken en de Friezen. Aan de overzijde van de Rijn worden weer militaire steunpunten aangelegd. Tiberius zit in het noorden wel goed, maar heeft zuidelijk veel meer problemen. De Marcomannen, in de vallei van de Main, trokken daar weg toen Drusus in 9 a.C. de tocht naar het oosten ging maken. Onder leiding van aanvoerder Marbod vestigden zij zich in Bohemen en vormden daar het machtigste Germaanse rijk, door met andere stammen goed om te gaan. Koning Marbod had als zoon van weggevoerde krijgsgevangenen zijn jeugd in Rome doorgebracht en kende het spel. Hij beheerst de bovenloop van de Elbe. Tiberius dacht een grootscheepse aanval van twee kanten tegen Marbod te beginnen. Maar weer laat hij zich er door zaken elders (opstand in de Balkan) van afhouden. Hij gaat naar Illyricum en laat opnieuw de Germaanse kwestie aan legaten over (6 p.C.).

De Germanen tussen Rijn en Elbe tonen zich inschikkelijk, maar zijn dat niet. Via een listig plan wordt het Romeinse leger dat zich in hun gebied bevindt (rond 20.000 man) najaar 9 p.C. in de buurt van het Teutoburgerwoud volledig vernietigd. De Romeinse legerleider Varus werd om de tuin geleid en een verkeerd pad opgestuurd. Binnen een trechter van moerassen en in het geheim versterkte hoogtes werd de Romeinse legertrein volledig in de pan gehakt ('Varus, Varus, geef mij mijn legioenen terug,' riep Augustus bij het horen van het nieuws). Arminius was de naam van de Germaanse legerleider (Herman dus).

Rome reageerde direct met versterking van de linie langs de Rijn. Ook Tiberius kwam terug, in gezelschap van de zoon van Drusus, die de bijnaam Germanicus kreeg. In de zomer van het jaar 11 wordt een strafexpeditie tegen de Bructeren (rivier Lippe) gedaan en onder commando van Tiberius in jaar 12 een hele plundertocht oostelijk van de Rijn. De Germaanse stammen vermijden een veldslag. Tiberius vertrekt naar Rome waar hij (13 november 13) een triomftocht mag houden vanwege zijn successen op de Balkan en aan de Rijn en na de dood van zijn stiefvader, keizer Augustus, op 19 augustus 14 tot nieuwe keizer wordt verkozen. Het benedengermaanse leger waar Tiberius toch zoveel jaren aan verbonden was, wil hem niet als keizer en komt tot muiterij. Germanicus maakt daar een einde aan, o.a. door zich niet als tegenkandidaat van Tiberius op te stellen zoals het leger wilde. Germanicus is de zoon van Drusus en werd na de dood van zijn vader door Tiberius als zoon aangenomen.

Germanicus Julius Caesar Germanicus werd als zoon van Drusus op 24 mei 15 voor Christus geboren. Hij overleed op 10 oktober 19 na Christus. Op zijn 28ste door Tiberius benoemd tot commandant van het Rijnleger. Het Augustiaanse idee van een rijk met grens aan de Elbe was toen al onwerkbaar gebleken. De verrassingstocht die vader Drusus ruim 20 jaar eerder volbracht een idee te ver. Pleegvader Tiberius was geen echte strateeg. Germanicus hield zich vooral aan de Rijn em het kustgebied. Een Castellum Flevum (bij Velsen) werd ingericht. Een expeditie tegen de Cherusken, najaar 15, liep mis en het legeronderdeel van Publius Vitellius wordt in het land der Friezen door najaarsstormen overvallen. In de zomer van 16 wordt een nieuwe campagne tegen de Charusken, aan de monding van de Eems, alweer een ramp. Via het water vaart een vloot vanuit het kamp Vechten (Drususgracht) naar het noorden, terwijl Germanicus zelf over land vanuit Xanten zijn legioenen leidt. Men komt niet ver en bij de terugtocht leidt de vloot op de Waddenzee schipbreuk. De Romeinen zien af van hun pogingen het gebied tussen Rijn en Elbe te veroveren. In het meer zuidelijke gebied roeide Germanicus de Marsen en de Chatten vrijwel volledig uit, maar tegen de Cherusken, aangevoerd door Arminius, kon hij niet op. Tiberius, nu keizer, riep de aangenomen zoon in 16 naar Rome voor het consulschap. Germanicus stierf te Rome drie jaar later, slechts 34 jaar oud.

De Friezen Er gebeurden heel veel dingen in die tijd. De Romeinen kwamen tot aan de Rijn en staken er over heen om Germania van bovenaf te veroveren. Ze moesten daarvoor het land van de Friezen passeren. De Friezen lieten hen passeren want hadden geen boodschap aan Italiaanse of Duitse politiek. Verdragen werden gesloten en voor de vriendschap enzovoort moest worden betaald. In 12 voor Christus 'overvoer' Drusus met een Romeinse vloot het Friese gebied omdat hij verder wilde. Een verdrag met de Friezen werd gesloten dat heel soepel was. De Friezen moesten een beperkt aantal manschappen leveren en belasting betalen in de vorm van runderhuiden. Het toezicht werd namens de Romeinen uitgevoerd door een afgezant die benoemd was door de commandant van het benedengermaanse leger. Deze afgezant werd vergezeld door enige troepen en een kleine staf die politietoezicht uitoefende, recht sprak en het bestuur controleerde. De macht van deze delegatie was vrijwel onbeperkt, wat misstanden in de hand werkte. Onder keizer Tiberius werden over het gehele gebied van het Romeinse rijk de belastingen voortdurend opgevoerd. Na het jaar 20 leidt dit tot diverse opstanden in het Gallische gebied die worden neergeslagen. In het jaar 28 komen ook de Friezen in opstand. De Romeinse belastinginner Olennius stelde de grootte van de te leveren runderhuiden vast op de omvang van een oeros. Dit idee ging de nuchtere Friezen (de oeros bestond eigenlijk al niet meer) te ver. Veel te ver. Ze gingen te wapen, doodden Romeinse belastinginners, belegerden de vesting bij Velsen (Castellum Flevum) en kregen dus het vijfde legioen, onder leiding van Lucius Apronius, op hun dak. Dit joeg hen terug naar noordelijk gebied, maar werd in het Baduhenna-woud opgevangen en verslagen.

Sinds die slag werd voor de Romeinen het Friese land zwaar vijandig gebied. De doortocht richting Noord-Germania werd afgesneden. De kastelen bezuiden de Rijn worden versterkt, de aandacht meer op de verovering van de Britse eilanden gericht.

Met de dood van keizer Tiberius in maart 37 eindigt de lijn van Romeinse leiders die zelf overrijnse ervaringen hadden. Tiberius wordt opgevolgd door Caligula die meer op verovering van de Britse eilanden is gericht en de Rijn als grens accepteert. Valkenburg wordt versterkt en bij Velsen wordt een marinebasis ingericht. Richting de Germaanse volken wordt vooral tegen de Chatten (bij Frankfurt) opgetreden. Bataafse hulptroepen onder Julius Civilis onderscheiden zich op het Britse slagveld.

Claudius De dwaze keizer Caligula wordt opgevolgd door de heel wat slimmere Claudius. Sinds 28 zijn de Friezen in opstand en dat kost de Romeinen energie en mankracht (de 'Ossenhuidenopstand'). In 47 beveelt keizer Claudius de Romeinse bevelhebber Corbulo om zijn expeditie tegen de Friezen te staken en zijn troepen langs de Rijn terug te trekken. De noordgrens van het Romeinse rijk wordt nu definitief de Rijn, monding bij Katwijk. Aan de overzijde van de rivier is een strook niemandsland ingesteld, van de Friezen blijven manschappen en belastingen geeist. Corbulo kreeg in 46 het commando over de benedengermaanse troepen en was heel succesvol in het afweren van de Chauken die onder de Cananefaat en in het Romeinse leger geschoolde Gamnascus piraterij langs de Gallische kust bedreven. Hij startte een campagne om ook de Friezen definitief te onderwerpen. Claudius riep hem terug, wellicht ook omdat Corbulo in Rome te populair dreigde te worden. Voor de Friezen betekende het bevel van Claudius een einde aan de oorlogstoestand. De Romeinse legers kwamen de Rijn niet meer over 'ter bezetting'. Vervelend was wel dat met dit besluit de militaire zone langs de Rijn opnieuw werd ingevoerd. In 58 verklaarden de Romeinen het gebied ten noorden van de Rijn tot een onbewoonde bufferzone.

Friese diplomaten Keizer Claudius werd opgevolgd door Nero. De Friezen woonden oorspronkelijk in het kweldergebied van Noord- Nederland, maar hadden zich ook gevestigd in de streken langs de Rijn. De Romeinen wilden die streken nu onbewoond houden en vielen de Friese vestigingen aan en doodden de bewoners of voerden ze als gevangenen af. Als reactie stuurden de Friezen twee afgezanten, Verritus en Mallorix, in 59 naar Rome om keizer Nero te vragen een einde te maken aan dit gedoe en de Friezen toestemming te geven om langs de Rijn te blijven wonen. De twee kregen grif het Romeinse burgerrecht toegekend en werden goed onthaald. Maar aan hun verzoek werd niet tegemoet gekomen: blijf weg van de Rijn. De diplomaten zorgden in Rome nog voor hilariteit omdat ze in het Theater van Pompejus de plaats op zijbankjes niet accepteerden en tijdens de voorstelling overstaken en bij de senatoren gingen zitten. Daar hoorden ze thuis vonden ze.

Bataafse opstand Na de dood van keizer Nero (juni 68) is Rome even elke richting kwijt. Een viertal kandidaten strijdt om de opvolging. Het Rijnleger steunt de aanspraken van zijn commandant Vitellius en de Bataafse hulptroepen spelen daarbij vooral een rol. Zij rukken zelfs op naar Noord-Italie om de legers van de tegenkandidaat Otho te verslaan. Het wordt een rommeltje. Vitellius gaat naar Rome en wordt daar vermoord. Zijn plaatsvervanger voor het Rijnleger wordt ook vermoord. Om het nog ingewikkelder te maken keert de Bataafse hoofdman Julius Civilis zich zowel tegen Vitellius als tegen Otho als tegen de in Rome al verkozen Galba. Hij steunt Vespasianus die het leger in het Midden-Oosten leidt. Verdeel en heers is weer het principe en onder de Bataafse hoofdman worden de zwakke posities van het Rijnleger verder ondergraven. Civilis belegerde het Romeinse hoofdkwartier Xanten. In februari 70 werd Xanten veroverd. Julius Civilis kreeg steun van de Gallische leider Julius Classicus die onder het mom van trouw aan de Romeinen naar Xanten kon oprukken. Onmiddellijk na de inneming van Xanten raakten de beide leiders in een enorm conflict omdat Civilis in termen dacht van een Germaans rijk en Classicus in termen van een Gallisch rijk. De Romeinen stuurden prompt drie legioenen, onder leiding van Cerialis, naar Xanten en heroverden het kamp. Civilis werd terug gedreven naar zijn eigen gebied (land van Maas en Waal) en tot overgave gedwongen (brug over de Nabilia). Hij kreeg de garantie ongemoeid te worden gelaten en de Bataven konden op de oude voorwaarden weer toetreden tot het Romeinse Rijk. De 45-jarige Civilis is daarna verdwenen. Vespasianus werd toch keizer. Friezen hadden Civilis bij zijn machtsgreep ondersteund. Maar op afstand.

Na de beslissing van Rijn als definitieve grensrivier en een militaire bufferzon ten noorden van de Rijn ontwikkelt Friesland zich verder op eigen houtje.

Handel 130-140 na Christus: Tussen het Romeinse deel van Nederland en het vrije Friese gebied bestaan bloeiende handelscontacten. Dit blijkt uit een in Tolsum gevonden koopakte, een uniek document van Fries-Romeinse koehandel (uit circa 50).

Circa 200: De toenemende onveiligheid in Fries gebied leidt ertoe dat veel geldbezitters hun schatten gaan begraven. Het zijn de Chaucen die sinds enkele decennia via de zee op strooptocht gaan, vanuit hun woongebied aan de Elbe, en het vooral voorzien hebben op de kustgebieden van Zeeland en Belgie. Samen met de plaatselijke bevolking, de Menapiers, moeten de Romeinen continu op overvallen bedacht zijn.

Circa 230: Friese cavaleristen maken met eigen ruiterafdelingenm (cunei Frisionum) deel uit van het Romeinse bezettingsleger in Britannie.

258: Medekeizer Gallienus breekt zijn veldtocht tegen de Franken af om een kroonpretendent in Pannonie te bestrijden. Voor dit doel trekt hij zijn troepen uit de Rijndelta terug. De streek ten noorden van de Waal wordt ontruimd. Dit betekent het einde van de Romeinse aanwezigheid op het Eiland der Bataven.