Friezen And Esten Voorland
- Estland was eigenlijk nooit 'een eigen staat'
Estland, Letland en Litouwen zijn de drie Baltische landen, tussen Rusland en de Oostzee, die zich bij het einde van de communistische Sovjet-Unie na 1990 snel zelfstandig verklaarden. En aansluiting zochten bij het westelijke deel van Europa. Estland, met hoofdstad Tallinn, ligt het noordelijkst, Litouwen met hoofdstad Vilnius het zuidelijkst. Letland is het middelste van de drie. Hoofdstad Riga. Estland en Letland zijn nooit eerder zelfstandige staten geweest, volgens de begrippen die we tegenwoordig gebruiken, behalve in de periode van 1918 tot 1940. Litouwen was ooit wel een grote zelfstandige staat, in het midden van de veertiende eeuw qua oppervlak welhaast de grootste van Europa. Die positie liep terug toen in 1569 de unie met Polen ontstond, waarbij de Polen gaandeweg de Litouwse gebieden overnamen. In 1795 werd Litouwen ingelijfd door de Russische tsaren. Estland en Letland hoefden niet te worden ingelijfd, want waren geen 'staat'. Voor de Russen waren de gebieden aan de Oostzeekust van belang omdat ze kustlanden waren met handelssteden. Je kunt een vergelijking zoeken met de gebieden aan de Noordzeekust, waar Friesland ook geen eigen 'staat' werd. Terwijl Estland dat nu wel probeert te worden, is Friesland verdeeld geraakt over Nederland en Duitsland en daar passende onderdelen van geworden. Zonder veel 'volkse' problemen.
- De Aestii en de Frisii
Esten en Friezen hebben met elkaar gemeen dat hun namen voor het eerst opduiken in de geschriften van het Romeinse rijk. Toen Romeinse veroveringslegers over de Rijn en Donau heentrokken in 'Germania'. Bij de Rijn (in het tegenwoordige Nederland) ontdekten de Romeinen een volkje dat ze Frisii noemden of dat misschien door buurvolkjes al zo werd genoemd en de Romeinen namen die naam over.
De Frisii zouden genoemd zijn naar hun haren. Het viel de Romeinen al in Gallië op dat de bewoners verder naar het noorden toe blondharig of zelfs roodharig waren en het haar lang droegen. Het zeevolk bij de monding van de Rijn had kennelijk de sterke gewoonte dit blonde haar ook nog te krullen of te vlechten (waarschijnlijke oorsprong van de naam 'Fries', die later ook werd gebruikt om krul- of vlechtwerk aan gebouwen 'fries' te noemen).
Het houdt misschien geen verband, maar de Baltische volken werden in een later stadium en in het Slavisch (de volken die niet aan de kust woonden) Prusii genoemd. Misschien om dezelfde reden. Dat Zweedse vikingen Rusland de naam Rusland bezorgden (Rusii) zou in dit verband ook nog kunnen worden genoemd. De herkomst van de Russen-naam wordt overigens niet met haarvlechtdragers in verband gebracht, maar aan de betekenis 'roeivolk' (schippers) verbonden. Maar die wetenschappelijke traditie zou best fout kunnen zijn. Andersom zou Rusii, Prusii en Frisii ook dezelfde herkomst van 'schippers' kunnen hebben en niet op haardracht hoeven te slaan. We weten het niet. Het is te lang geleden.
De Romeinen wisten met hun legers zelden diep in 'Germania' door te dringen, maar dat betekende niet dat ze onkundig bleven met de volkjes die aan de Oostzeekust leefden. Zo komen in de verslagen ook de Aestii voor, waaraan Estland zijn naam dankt. Ze namen die naam waarschijnlijk over van de Grieken die het oostelijk deel van Europa al veel langer kenden en er handelsroutes hadden. De Oostzeekust was bij hen befaamd, onder meer vanwege het barnsteen dat daar vandaan kwam en door hen als aan de zonnegod gewijde edelsteen grote waarde werd toegekend.
De Esten danken hun naam aan de Grieken en, het zal niet verbazen, het gaat 'om het volk van de opgaande zon'. Van het oosten dus. Bij de handel via de Russische steppen kwam men dit volk tegen. De Grieken hadden het over de Asen en het continent Azië heeft er zijn naam aan te danken. In de Noordse literatuur wordt het godenvolk van de Asen genoemd en is onder anderen sprake van een soort paradijs dat Asgard heet ('tuin van Eden'). De Romeinse geschiedschrijver Tacitus noemt de Aestii als volk aan de Baltische kust, met een bijzondere taal die lijkt op die van de Bretons. In de religie spelen een moedergod en het everzwijn als 'heilig dier' een belangrijke rol. Bekend is dat het Estnisch ook nu nog als een bijzondere taal geldt, hoewel niet lijkend op de taal van de Bretons (Keltisch) maar met een aparte eigenheid (Fins-Oegrisch). Estnisch, Fins en Hongaars worden als een aparte taalfamilie beschouwd.
Esten en Friezen worden door de Romeinen van tweeduizend jaar geleden tussen de andere volken die ze tegenkwamen, duidelijk apart onderscheiden. Dit gold ook voor andere volken, denk niet aan een indrukwekkende onderscheiding. Het waren slechts twee van de 'barbaarse' volken die men in het noorden van Europa tegenkwam. Esten en Friezen bleven wel herkenbaar op hun plaats aan de kust van Oostzee respectievelijk Noordzee tot nu toe.
- Romeinse rijk komt totaan de Friezen
De Romeinen werden een sterke handelsstaat in het gebied van de Middellandse Zee. Toen ze de concurrenten in dat gebied redelijk onderworpen hadden, gingen ze hun aandacht verder richten. Volken vanuit het noorden van Europa, zoals de Kelten en de nog noordelijker Teutonen, waren zo nu en dan al in Italië opgedoken en hadden zelfs al eens Rome bezet. Aan de westkant van de Alpen hadden de Romeinen handelskolonies van de Grieken (Zuid-Frankrijk) en Phoeniciërs (Spanje) overgenomen. Een jonge generaal werd aangewezen om met een sterk leger het gebied aan de overkant van het Alpen-gebergte veilig te stellen. Dat was Gaius Julius Caesar.
Julius Caesar deed meer dan de mensen in Rome misschien verwachtten. Zuid-Frankrijk (Provincia, La Provence) gold als Romeins gebied waarover Caesar de leiding kreeg. De Keltische Helveten werden door de Teutoonse Alemannen overvallen en wilden door de Provincia heen naar een veiliger gebied aan de Atlantische kust vluchten. Julius Caesar weigerde hen die doortocht (zodat Zwitserland nog altijd Helvetia heet) en trok met een groot leger naar het noorden om de Alemannen (in de Elzas) weer terug te drijven over de Rijn. Het leidde tot een overeenkomst met de Alemannen (door de Fransen wordt Duitsland nog altijd Allemagne genoemd) en een winterkamp voor het Romeinse leger in de Elzas. Het seizoen liet niet toe dat ze zich weer op de Provincia terugtrokken.
Min of meer toevallig bleef Caesar met zijn leger in het noordelijke deel van 'Gallia' (het Keltengebied) overwinteren. Hij maakte daar direct gebruik van door in de volgende seizoenen de nog noordelijker gebieden binnen te trekken en allerlei volken die hij tegenkwam te onderwerpen of te vermoorden. Over zijn heldendaden schreef hij of liet hij rapport schrijven, het beroemde boek over de Gallische oorlog ('De Bello Gallico'). Uiteindelijk viel hij met zijn legers ook Italië binnen en liet hij zich in Rome tot alleenheerser uitroepen, wat hem goed beviel totdat hij mede door zijn vrienden werd vermoord. Caesar werd wel de aanstichter tot het Romeinse keizerrijk dat na hem tot stand kwam, via zijn geadopteerde zoon keizer (= Caesar) Augustus.
Maar in de eerdere jaren (57 voor Christus) zat Caesar in het noordelijke deel van 'Gallia' en wierp hij zijn legers verder noordelijk in de strijd. Tegen de Keltische stammen die hij 'Belgae' noemde. De naam voor België komt daar vandaan. De Romeinen komen niet aan gemakkelijke overwinningen. In zijn verslag noemt Caesar de Belgische volken: 'Onder hen allen zijn zij de dappersten, doordat ze het verst verwijderd zijn van de beschaving en de cultuur van de (Romeinse) Provincia, omdat de kooplui hen slechts zeer zelden opzoeken en er bijna geen artikelen invoeren die de verwijfdheid in de hand werken.'
Zes jaar lang houdt Caesar met zijn leger huis in het land van de 'Belgen' en maakt er Romeins gebied van. Hele stammen worden uitgemoord, zoals de Eburonen (Limburg). Tenslotte wordt Gallia tot aan de Rijn tot Romeins gebied verklaard (eind 51 voor Christus), waarna Caesar terugtrekt naar Rome om zich tot alleenheerser te laten uitroepen en vermoord te worden (15 maart 44 BC).
De legers van Caesar kwamen wel heel dicht bij het gebied van de Frisii (boven de Rijn), maar drongen er niet in door. Zoals ze wel de overtocht naar de Britse eilanden waagden en daar gebieden begonnen te bezetten. Zuidelijk van de Rijn ging het Romeinse leger vaste kampen inrichten. De bemanning werd gedeeltelijk door hulptroepen verzorgd. Zo werden de Friezen geconfontreerd met Bataven en Cananefaten, Germaanse volken die zich aan de zuidkant van de Oude Rijn mochten vestigen, nadat de Romeinen er de Keltische stammen grotendeels hadden uitgeroeid.
In de Romeinse geschiedschrijving houdt men zich na de moord op Julius Caesar een tijdlang niet zo erg met het pas verworven Rijnfront bezig. Sporadisch blijkt wel dat het hier niet rustig is en in 25 BC (Augustus is inmiddels keizer geworden en nieuwe generaals worden naar het noorden gestuurd) worden strafexpedities over de Rijn heen gehouden, omdat Romeinse kooplieden zijn vermoord. Dit betrof waarschijnlijk niet het gebied van de Friezen.
Dat het Romeinse rijk in deze tijd niet voorbijkomt aan de Friezen, is vooral te danken aan de 'Belgae' in het voorterrein die de Romeinse overheersing niet accepteren. Keizer Augustus bemoeit zich rond 15 BC persoonlijk met de situatie in Noord-Gallia door er met korte onderbrekingen vier jaar aanwezig te zijn. Dit leidt ertoe dat verdedigingssystemen langs de Rijn worden aangelegd en handelsstraten door het Belgische gebied, vanaf de Bretonse kust naar Keulen. De achterliggende bedoeling was over de Rijn heen verder door te trekken in het Germaanse gebied, om de binnenvallende volken af te stoppen, het rijk uit te breiden en ook de noordelijke handel te beheersen. Om dit plan te realiseren worden dure maatregelen niet geschuwd.
Nero Claudius Drusus, stiefzoon van Augustus, krijgt de verantwoordelijkheid wanneer de keizer zich tenslotte weer op Rome concentreert. Het gebied rond de Rijnmonding wordt tot militair gebied verklaard, versterkte legerplaatsen gebouwd (Xanten) en vaarwegen verbeterd (Drususgracht). Dankzij de Drususgracht overvalt het Romeinse leger uiteindelijk het Friese gebied (12 BC) als doorgang, via de kust, naar het noorden van 'Germania'. Van de Friezen wordt verwacht dat ze met Romeinse bezetting genoegen nemen en ook voor het onderhoud betalen. De belasting wordt gerekend in runderhuiden.
- De Romeinse neergang
Vanaf 12 voor Christus moet het Friese gebied voor de Romeinen als springplank dienen voor uitbreiding richting de Elbe. Betaald moet worden, via opgelegd logies en via runderhuiden als aanvullende tax. In de jaren erop slaagt Drusus er in de Elbe-monding in Noord-Duitsland te bereiken. Veel gewin hebben de Romeinen er niet van.
Na het overlijden van Drusus wordt Tiberius, de latere keizer, met de onderwerping van het noordelijke gebied belast. Hij is minder bezield van militair gedoe en laat de militaire steunpunten in het Friese gebied tussen Rijn en Elbe weer opruimen. Tiberius streeft een vriendelijker houding na ten opzichte van de Germaanse stammen, wat inhoudt dat Germaanse vorstenzonen opleidingen kunnen krijgen volgens Romeinse school of zelfs te Rome. Het idee dat de Romeinse zaak hier beter mee wordt gediend (o.a. doordat tributen of belastingen gemakkelijker worden geind) loopt spaak, wanneer in 9 na Christus een Romeins leger van drie legioenen onder leiding van generaal Publius Q. Varus op terugtocht naar het winterkwartier door een Germaans leger totaal wordt vernietigd. Twintigduizend doden aan Romeinse kant, wordt gezegd. 'Varus, Varus, geef me mijn legioenen terug,' zou keizer Tiberius hebben uitgeroepen.
Deze slag in het Teutoburger Woud werd geleid door Germaanse vorstenzonen (Arminius of Herman bijvoorbeeld) die Romeinse opvoeding kregen. Het was overigens niet in het Teutoburger Woud, maar noordelijker daarvan, aan de noordkant van de Kalkrieser Berg. De enige vluchtweg voor de Romeinen was van de helling af en het moeras in. De Romeinen onder Tiberius en zijn generaal Germanicus proberen de nederlaag te camoufleren door de bezetting langs de lijn zwaar te versterken en strafexpedities uit te voeren, maar het aantal successen weegt niet op tegen de blijvende weerstand.
De verdedigingslinie langs de Rijn wordt aan de westkant, bij de Noordzee, extra verzwaard met de bouw van het Castellum Flevum (Velsen, 15 AD). Dit is een provocatie jegens de Friezen omdat de plek een eind boven de Rijngrens ligt. Velsen is herhaaldelijk aangevallen. Onder Germanicus probeerden de Romeinen zee-expedities via het Friese gebied die door onbekendheid met zeeklimaat en vaargeulen regelmatig in rampen eindigden. Germanicus wordt in 16 AD door stiefvader keizer Tiberius naar Rome teruggeroepen, want hij moet consul en opvolger worden. Sindsdien verliezen de Romeinen wat ze aan greep hadden op het Friese gebied vrijwel volledig. Terwijl ze hogere doelen nastreefden, vergaten ze het gewone werk. 5. De opstand van de Friezen
Vanaf 20 AD komen in het door de Romeinen overheerste Gallië steeds vaker opstanden voor tegen de belastingheffing. De Romeinen houden er grote bezettingslegers op na en de kosten daarvan moeten door de bezette volken worden betaald. Dat wil men dus niet. Het gevolg is dat de Romeinse bezettingslegers nog grotere druk moeten uitoefenen. Die legers bestaan allang niet meer louter uit Romeinen, maar uit huursoldaten van andere herkomst. Wat het verzet nog groter maakt.
In het jaar 28 besluiten ook de Friezen dat ze de Romeinse legers lang genoeg hebben geduld. Veertig jaar eerder was Drusus hun gebied binnengedrongen, omdat hij een vaarweg nodig had richting het noorden van 'Germania'. Het Friese land werd geannexeerd, maar ook tamelijk vrij gelaten. Niet zoals elders werd geeist dat alle weerbare mannen in dienst van het Romeinse leger dienden te treden, verzorging van Romeinse steunpunten werd wel gevraagd en een algemene belasting in de vorm van runderhuiden afgesproken. Dit hield in dat de Friezen te maken kregen met een Romeinse belastinginner en de situatie werd geduld totdat Olennius de Romeinse zaken ging vertegenwoordigen. Olennius had een eigen idee van de omvang van runderhuiden, hij eiste de omvang van oeros-huiden. Zo ontstond de Ossenhuidenopstand die na twintig jaar pas stopte, toen de Romeinse keizer de belastinginner opdroeg zich uit Friesland terug te trekken. Daarmee was meteen een einde gemaakt aan de uitbreiding van het Romeinse rijk tot boven de Rijn.
De Friese 'Ossenhuidenopstand' begon ermee dat de belastinginners werden teruggejaagd en dat de meest Noordelijke legerplaats van de Romeinen binnen het Friese gebied, Castellum Flevum, werd overvallen en verwoest. De Friezen spijkerden belastinginnende soldaten aan het kruis, vertelt het verhaal. Of dit waar is weten we niet. De Romeinen organiseerden direct een tegenaanval onder leiding van Lucius Apronius, die door de Friezen werd afgeslagen. 'In het woud van Baduhenna' stelt de Romeinse rapportage. Nog altijd onduidelijk is waar dit dan wel geweest zou kunnen zijn. Waarschijnlijk is een gebied van moerasbos bedoeld en Friesland was daar destijds behoorlijk mee gevuld.
Na dit gebeuren hebben de Romeinen de toegang tot Friesland vrijwel volledig verloren. Vanuit Rome krijgen ze ook geen duidelijke opdrachten meer omdat keizer Tiberius overlijdt en opdrachten tot boven de Rijngrens ontbreken. De nieuwe keizer Caligula heeft geen grote strategische gedachten en vindt de Britse eilanden (Atlantis?) interessanter dan de Germaanse bossen. Dit betekent niet dat de Romeinen de verdedigingslinie langs de Rijn, de limes, verwaarlozen en regelmatig sturen ze ook legers Germania in om hun macht te demonstreren.
De Friezen, hoewel dezen weigeren aan 'de belasting' te voldoen, worden na de eerdere schermutselingen niet rechtstreeks aangepakt. Rond 45 bezoekt de Romeinse auteur Plinius het Friese gebied en hij rapporteert later in zijn beroemde boek 'Naturalis Historia' (rond 77) over de terpencultuur, maar noemt de opstand niet. Misschien had Rome zich er al bij neergelegd dat boven de Rijn geen winst voor hen viel te maken.
In Rome kwam keizer Claudius aan de macht en hij wees (Gneaus Domitius) Corbulo aan als bevelhebber in het Benedenrijnse gebied. Dat was in het jaar 46. Corbulo besloot vrijwel direct een eind te maken aan het opstandig gedrag van de Friezen. De Ossenhuidenopstand eindigde niet met een nieuwe confrontatie met de Romeinse legermacht, maar via het bevel van keizer Claudius aan Corbulo dat deze de Friezen vrij diende te laten.
Na dit bevel raakte Friesland van Romeinse legers bevrijd. Corbulo was een heel bekwame legerleider en niet blij met deze opdracht ('generaals hadden het vroeger gemakkelijker').
- Friezen willen gebied terug
Corbulo had al te maken met 'vikingen', zeekrijgers die overvallen deden op Gallisch gebied. Jegens de Friezen gaf hij gehoor aan de opdracht vanuit Rome, Rijn als noordelijke grens. Als goede militair voerde hij wel een bufferzone in (de legerplaats Velsen werd opgeheven), die inhield dat boven de Rijn een strook niemandsland werd aangehouden. Door dit bevel voelden de Friezen zich benadeeld omdat de havenplaatsen in het Hollandse gebied voor hen heel belangrijk waren. De naam Holland onstond pas zo'n duizend jaar later.
Zo'n tien jaar later en de eenzijdige vaststelling van het niemandsland boven de Rijn had allerlei Friezen al het leven gekost, ging een Friese afvaardiging naar Rome om bij keizer Nero om opheffing van de bepaling te vragen. De Friezen zouden langs de Rijn mogen wonen. Volgens de Romeinse bronnen werd de delegatie geleid door de Friese leiders Verritius en Mallorix. Het idee van het niemandsland bleef gehandhaafd, in zover was de missie een mislukking. Wel kregen Verritius en Mallorix de eer van Romeins burgerrecht toegekend. Verder raakten ze bekend omdat ze bij een bezoek aan een schouwspel in de Romeinse arena, op de stoelen van prominenten gingen zitten nadat ze zich hadden laten voorlichten en hun mening volgden als prominent te mogen worden beschouwd.
* Hierna meer *
Estland
In februari 1944 valt het Russische leger Estland binnen en verdrijft de Duitse bezetters. Wanneer trok Elsa Mänd weg? Februari is niet echt vacantietijd.