Generatie 12 — Detail
Generatie 12 (stam-overgrootouders, 2048-4095)
a) VAN DER HOEK-kwartier (Friesland)
- Sjoerd Jelgers, geboren 1575, wonend Oostermeerderveen en Oostermeer, schipper, ovl na 1630, trouwt ca 1600 met
- Trijn Tijsses, ovl na 1640.
Uit dit huwelijk:
Tijs Sjoerds (kw 1024).
Jelger Sjoerds, ovl ca 1670. Getrouwd, voor 1624, met Hendrikje Hendriks. Krijgen een zoon Hendrik Jelgers, die ook ca 1670 overlijdt te Witveen, getrouwd met Trijn Lieuwes.
— Jelger Sjoerds had tweede huwelijk met Waab Jans.
Reinu Sjoerds (dochter, ook: Reinou).
Bron: o.a. genealogie Boukje VAN DER VEEN. Daar de melding dat hij schipper van beroep was. Geen ongebruikelijk beroep in de streek bij het Bergumermeer (Tietjerksteradeel FR) waar indertijd ook vaarwegen voor transport belangrijker en betrouwbaarder waren dan landwegen. Veenontginning leverde de turf op die overal als brandstof gewild was. Ook de distributie van granen, tuinbouwproducten etc vond vooral per schip plaats. Sjoerd Jelgers is stamovergrootvader in VAN DER HOEK-lijn, wanneer de gelegde relaties kloppen. Bij de naamaanneming van 1811 zijn er in “de rechte lijn” van mannelijke nakomelingen twee verre nazaten van hem van wie de oudste (Sierd Tammes te Jubbega-Schurega, Schoterland FR) de achternaam SEINSTRA laat beginnen en de jongere (Freerk Tammes te De Knijpe, Schoterland FR) de achternaam VAN DER HOEK. De oudste zoon van Freerk, Wolter, was ook nog als schipper actief. Maar dit lijkt meer toeval dan een gevolg van een schipperstradiitie door de eeuwen heen.
- Tamme Edzes, geboren ca 1575 te Oostermeer, koopman, veenbaas, boer, ovl aldaar voor 20-3-1646, tr ca 1608 met
- Reinsck (Rinske) Johannes, ovl na 1646 te Oostermeer.
In een verkoopakte van 20-3-1646 is sprake van Reinsch Johannes, weduwe van Tamme Oedses en in aktes van maart 1647: Reynsch Johannes, weduwe van Tamme Edzes. Het gaat om de verkoop van percelen land en leijen. Op 2-3-1647 is sprake van de verkoop van zekere Huizinge, schure, zate en state lands te Smallinger Oppeinde op het veen. De weduwe schijnt besloten het onroerend goed te verkopen. In de verkoop van de huizinge etc (koopsom: 1750 goudguldens) delen drie van haar zonen mee: de weduwe voor de gerechte helft, Gauke Tammes voor een vierdepart en Minne en Edske Tammes voor de rest. Kopers zijn Ritske Harckes en zijn vrouw Tets Wobbes (kw 2056/2057). Op 30-3-1647 kopen zoon Gauke en zijn vrouw nog de helft van een perceel leijen 70 vierkante roeden groot van zijn moeder.
Uit het huwelijk: Lolck Tammes Jantien (Janke) Tammes (kw 1025), tr 1628 met Tijs Sjoerds (kw 1024). Johannes Tammes Edze Tammes. Vermeld in de verkoopakte van 1647. Mogelijk de Edze Tammes, Opeinderveen, die 20-11-1658 trouwt met Ancke Ryencksdr, Veenwouden (trouwregister Gerecht Smallingerland). Dat is voor hem dan huwelijk op hoge leeftijd (misschien tweede huwelijk). Gaucke Tammes, geb 1609 te Oostermeer, ovl voor 1654, trouwt ca 1635 te Oostermeer met Dieuwke Minnes. Vermeld in de verkoopakten van 1647. Uit huwelijk met Dieuwke geen kinderen gedoopt. Jacob Tammes, geb 1618 te Oostermeer, schipper. Minne Tammes. Vermeld in de verkoopakte van 1647. Geen gegevens verder. Maakte hij eind Tachtigjarige Oorlog nog mee…. (?)
- Ritske Harckes, geb Oostermeer ca 1600, ovl na 1647, boer/vervener, tr ca 1626 met
- Teth (Tetsje) Wobbes, geb ca 1600, ovl na 1647
Uit dit huwelijk: 1. Harcke Ritskes (kw 1028), geb ca 1628 2. Styntje Ritskes, geb ca 1630, trouwt ca 1650 met Wopcke Eelkes. Een zoon Eelke Wopckes tr Oostermeer 2-3-1673 met Tryntje Tjeerds. Hij overlijdt voor 10-8-1684. 3. Aaltje Ritskes, geb ca 1633, trouwt Jelle Sybrens, boer/vervener te Oostermeer.
In maart 1647 nemen Ritske en Tets de huizinge met land te Smallinger Opeinde over, voor 1750 goudguldens, van weduwe Reinsck Johannes (kw 2051).
-
Hans Hanses 2065. Ouders van: Hans Hanses (kw 1032)
-
Jacob Gerloffs
-
Fintje Ouders van: Gerloff Jacobs (kw 1034)
-
Baucke Rinnerts, geb ca 1555 te Oostermeer (Tietjerksteradeel, FR), ovl aldaar 14-1-1618, tr ca 1580 met
-
Mincke Ouders van: Rinnert Bauckes, geb ca 1585 te Oostermeer, woont aldaar (1616), gehuwd met Iedts Jacobs. Uit dat huwelijk de dochter Mincke Rinnerts die trouwt met Tjerck Michiels en de kinderen krijgt: Gaucke, Rinnert, Antje, Trijntje en Bauckjen. Ze wonen op het Oostermeerder Witveen. Samen met zijn broer Aucke is Tjerck Michiels (ovl voor 1670) actief in de vervening en veenhandel. Sijke Bauckes (kw 1035)
-
Claes Wolters, geboren ca 1530 (Katlijk, Schoterland, FR),
- Frouck Wybe Tietes
Ouders van: Wolter Claes (kw 1056)
Bron: GUIJT-genealogie. Informatie van vroeger datum ontbreekt. Claes Wolters wordt voorvader van geslacht van boeren en dorpsrechters te Katlijk in de volgende twee eeuwen. Rond 1800 een SCHOLTEN-tak en een BIJMA-tak. In VAN DER HOEK-genealogie de BIJMA-tak. Zie oudgrootvader Jan Wolters BIJMA (kw 70), geb Katlijk 1750, ovl Rotstergaast 1829. b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Pleun Michielsz VAN DER KOOIJ, geb. te Overschie rond 1557, bouwman/kooiker in de polder Schieveen (Zuidpolder van Delfgauw), gezworene en ambachtsbewaarder van Hof van Delft, overl te Delft vrijdag 28-10-1644, ongeveer 87 jaar oud, begraven 1-11-1644 in de Nieuwe Kerk te Delft, trouwt 13-10-1584 in de Nieuwe Kerk te Delft met
- Neeltgen Claesdr VAN THOL, geb te Delft, ovl te Delfgauw Zuideinde, begraven 30-9-1606 in de Nieuwe Kerk te Delft. Stamovergrootmoeder Neeltje van Thol had een kort eerder huwelijk voordat ze 13-10-1584 met stamovergrootvader Pleun Michielsz van der Kooij trouwt. Ze was eerder getrouwd met Jacob Gerritsz. Bij tweede huwelijk is Neeltje 27 jaar oud.
Uit huwelijk van Pleun en Neeltgen: Jacob, geb te Delfgauw rond 1585, tr. 22-5-1605 met Hillentjen Joostendsdr VAN DER HOEFF. Uit dit huwelijk zes kinderen: Joost, Gerrit, Neeltje, Sijtgen, Aechje en Marijtje. Jacob wordt slechts 34 jaar oud. Hij woonde op “de Kooijwoning” in de zuidpolder van Delfgauw. In het bedrijf van zijn vader dus. Maritgen, geb te Delfgauw rond 1587, overlijdt voor oktober 1644. Trouwt woensdag 7-1-1609 te Delft met Jacob Ariensz OVERGAEU, bouwman op de boerderij “op den Overgaeu”. Willemken, geb te Delfgauw rond 1589, ovl tussen 18-9-1662 en 9-1-1665, tr. 20-2-1609 te Delft met Jacob Joppen VAN BERCKEL, geb ca 1585, bouwman en schout van Delfshaven, die ca 1632 overlijdt. In 1633 wordt de weduwe Willemken genoemd met 22 morgen land in huur te Beukelsdijk. Ze hertrouwt 17-6-1640 in de kerk te Overschie met Jan Jacobsz VERSCHIE, bouwman, en schout van Beukelsdijk. Haar dochter Neeltje Jacobsdr (BERKEL) trouwt 5-10-1636 te Overschie met Cornelis VAN DER ENT en 29-5-1639 met Arien Dirckszn VAN SCHIE, bouwman te Overschie (daar begraven 22-8-1686). Hun dochter Jannetje Ariensdr VAN SCHIE, kleindochter dus van Willemken, ged 12-8-1646, ovl voor 4-3-1691, trouwt 1-1-1668 te Overschie met Arij Gerritsz KLEIJWEG, geb ca 1640, bouwman, molenmeester aan de Beukelsdijk (1683), ambachtsbewaarder en gaarder van het molen- en penninggeld van Blijdorp (begraven 8-8-1727 te Overschie). Jannetje krijgt een dochter Willemtie Ariendr KLEIJWEGH (Willemijntje Ariens Kleijwegt), ged te Overschie 26-1-1670 (overleden Vlaardingerambacht 6-8-1753), die 15-4-1708 trouwt met Arie Ariensz VAN DEN BERGH, bouwman te Vlaardingerbroek (begraven te Vlaardingen februari 1744). Van hen stamt een VAN DEN BERGH-lijn. Abraham (kw 1340). Claesgen, geb te Delfgauw rond 1593, tr. januari 1618 met Joris Jansz SUIJTMAESLANDT, bouwman. Deze heeft in 1633 te Ackersdijck 24 morgen land in eigendom en 8 morgen in huur. Isaäck, geb te Delfgauw rond 1598, tr. 3-2-1621 te Delft met Jannetgen Ingensdr BRUIJN. Geen kinderen uit dit huwelijk. Ze woonden op een boerderij binnen de stad Delft, aan de oostkant van de Oosteinde tegenover de Broekhuislaan. Hij overlijdt in 1671, ongeveer 76 jaar oud, begraven 3-7-1671 te Delft. Jannetje wordt 26-1-1679 begraven. Aefgen, geb te Delfgauw rond 1596, tr. 31-10-1621 met Pieter Maertensz VAN RUIJVEN, bouwman, wonende te Delft. Ze overlijdt te Delft vrijdag 10-3-1679, ongeveer 83 jaar oud. Gabriël, geb te Delfgauw (Hof van Delft) rond 1598, “bouwman op de Cartuizerswoning buiten de watersloot te Delft”, begraven 6-1-1668 te Delft (Nieuwe Kerk), tr. 21-2-1624 te Delft (Nieuwe Kerk) met Machelt Claesdr LANGELAAN uit Pijnacker. Ze krijgen de kinderen: Jacob (jong overleden), Jacob, Cornelis, Arie, Pleun en Annetgen (1639). Moeder Machelt overlijdt, ongeveer 43 jaar oud, met kind in het volgende kraambed (1643). Zij wordt 5-8-1643 begraven te Delft (Nieuwe Kerk). Dochter Annetgen wordt slechts 8 jaar oud en wordt zondag 6-10-1647 begraven in de Nieuwe Kerk te Delft.
Stamovergrootvader Pleun Michielsz wordt vermeld als “bouwman, kooiker, gezworene en ambachtsbewaarder van Hof van Delft”. De familienaam VAN DER KOOIJ startte waarschijnlijk bij hem omdat hij op de Kooijwoning in de zuidpolder van Delfgauw onder Hof van Delft kwam te wonen. Deze eendenkooi (voor het vangen van wilde eenden) aan de rand van de hofstad Delft speelde uiteraard een belangrijke rol in de aanlevering van gevogelte voor braad- en braspartijen.
Wanneer je de hierboven genoemde jaartallen legt naast die van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en er rekening mee houdt dat stamovergrootvader Pleun en gezin zich in en rond Delft ophielden:
Pleun trouwt 13-10-1584 in de Nieuwe Kerk te Delft. Dat is drie maanden nadat te Delft PRINS WILLEM VAN ORANJE door Balthasar Gerards werd doodgeschoten (dinsdagmiddag 10-7-1584). Deze Prins, “Vader des Vaderlands”, werd in die Nieuwe Kerk begraven en sindsdien worden (vrijwel) alle Oranjes daar na overlijden in de crypte gelegd. Pleun trouwde er toen de moordaanslag nog vers in het geheugen lag. Zijn kleindochter Annetgen wordt in dezelfde kerk begraven zondag 6-10-1647, op 8-jarige leeftijd. Dat is enkele maanden voordat de Tachtigjarige Oorlog via het Verdrag van Münster definitief tot een einde komt en de Spaanse koning zijn aanspraken op de Nederlanden laat varen. In de Oranjecrypte zijn inmiddels ook de lichamen van de Oranjezonen PRINS MAURITS en PRINS FREDERIK HENDRIK bijgezet, die als legeraanvoerders voor dit eindresultaat zorgden. Frederik Hendrik werd 29-1-1584 te Delft geboren en was 5 maanden toen zijn vader werd neergeschoten.
- Job Cornelisz VERBOON, geb ca 1580 te Bleiswijk, “bouwman”, ovl te Pijnacker voor 1623, ongeveer 43 jaar oud, was getrouwd met
- Annetje Huibrechtsdr DE BEIJE, “landbouwerse”, geb ca 1578 te Pijnacker, ovl te Pijnacker voor 3-5-1658, ongeveer 80 jaar oud.
Ouders van Maertgen Joppen Verboon (kw 1341).
Was het huwelijk tussen Job en Annetje een “jeugdhuwelijk” vanwege familiale belangen? Het zou rond 1590 zijn gesloten toen beiden slechts 10-12 jaar oud waren. Na overlijden van Job Verboon trouwt Annetje 6-8-1623 te Pijnacker (ondertrouw 16-7-1623 Zoetermeer) met Pieter INGENSZ, geb te Zoetermeer, “bouwman te Nieuwkoop”, ovl te Pijnacker na 1-4-1666.
- Cornelis Jansz VAN DER MAR(C)K, geboren 1581, ondertrouwd 1608 met
- Maartje Jacobsdr
Uit dit huwelijk: Jeroen Cornelisz VAN DER MARCK, geb ca 1608, ondertrouwd 23-12-1628 te Delft, gehuwd 14-1-1629 te Leiden met Elsgen Heijndricx EYGERHORST, geboren te Leiden. Zij krijgen een zoon Johan Jeroensz VAN DER MARK Jan Cornelisz VAN DER MARCK, geb ca 1615, gedoopt 1640 te ’s-Gravenzande waar hij toen woonde en gehuwd was (naam echtgenote niet bewaard gebleven). Krijgt een zoon Cornelis Jansz en dochters Maartje, Neeltje en Barbara. Claes Cornelisz VAN DER MARCK (kw 1482) Cornelis Cornelisz VAN DER MARCK, geb ca 1618, ondertrouwd 28-3-1643 te Delft met Annitge Fransz. Een zoon Pieter Cornelisz. Floris Cornelisz VAN DER MARCK, geb ca 1620, begraven 11-4-1673 te Delft, getrouwd januari 1645 te Delft met Marijtgen Jacobs, begr 30-4-1673 te Delft. Zij krijgen een zoon Simon Florisse en dochters Annetge en Neeltje. Neeltje Cornelis VAN DER MARCK, begraven 7-6-1691 te Delft, gehuwd met Maerten VAN ROSSEM.
- Ansem Jansz VAN DER SPRONSE (= 1496)
- Machteld Cornelisdr VAN DER MEER (= 1497).
Ouders van Arijen Ansumse SPRONZEN (kw 748). Diens zoon Laurens (kw 374) krijgt een dochter Geertje van Spronsen (kw 187) die trouwt met Arent Willemsz van Spronsen (kw 186), een kleinzoon van Anxem (kw 744), de broer van Laurens. Vanwege het samenkomen van deze twee takken dubbele meldingen in de kwartierstaat ook voor Ansem en Machteld.
- Jan Aertsz. (Arentsz.) (VAN DER SPRONSE), geb ca 1550 te Monster, begraven 15-4-1620 te Naaldwijk (“Jan Aertsz. in Naeltwijckerbroek”), trouwt 5-2-1575 te Naaldwijk met
- Marritgen Ansemsdr, begraven 17-4-1597 te Naaldwijk.
Uit dit huwelijk: Cornelis Jansz. SPRONSE, woonde ca 1620 te Honselersdijk, gebruikte diverse percelen land tussen de Mariëndijk en (Middel-)Broekweg bij Honselersdijk. Agata, gedoopt 7-4-1585 te Naaldwijk. Ansem Jansz van der Spronse (kw 1496 en kw 2976). Gedoopt 16-10-1588 te Naaldwijk.
In 1586 wordt over Jan Aertsz vermeld dat hij woont in Naaldwijkerbroek in de ban van Wateringen. Daar is hij tot zijn dood in 1620 blijven wonen.
De grafsteen van stamovergrootmoeder Marritgen Ansemsdr valt nog steeds te bezichtigen. De steen is ingemetseld in de muur van het Westlands Streekmuseum te Naaldwijk en draagt de tekst: “Hier leijt begraven Martgen Anssems dochter die huisvrou van Jan Aertsz starf den 12 april anno 1597”.
- Cornelis Adriaensz VAN DER MEER
- Anna Jansdr
Uit dit huwelijk: Machteld Cornelisdr VAN DER MEER (kw 1497 en 2977).
Beide zijn voor 10-10-1629 overleden. Want toen verkocht dochter Machtelt als erfgename hun huis te Naaldwijk. Zij was toen weduwe van Ansem Spronzen (kw 1496 en 2976) en nog niet hertrouwd (derde huwelijk).
- Joost Jansz VOS DE HOOGWERF (of: van Hoogwerf), geb ca 1580 te Naaldwijk, ovl tussen 1636 en 1646 te Honselersdijk, trouwt (2) ca 1630 met Trijntje Cornelisdr MOLENWERF, geb Honselersdijk , gedoopt Naaldwijk 23-9-1601, ovl Monster na 8-7-1665, trouwt (1) ca 1600 vermoedelijk te Monster met
- Maartje Blasen (Blasedr)
Ouders van: Blasius Joosten VOS DE HOOGWERFF (kw 1500)
Stamovergrootvader Joost Jansz VOS DE HOOGWERFF was mogelijk een jongere zoon uit het huwelijk van Jan Pouwels VOS (kw 6000) en Maritge Pieters (kw 6001). Binnen de vernoemingstraditie zijn eerdere zonen Pouwel en Pieter te verwachten. Verdere studie kan bevestigen dat het boerenbedrijf rond Monster en Loosduinen vooral door oudere kinderen werd voortgezet en dat Joost en nazaten zich op ander ambacht richtten. Zijn kleinzoon Arij Blase VOS was “meester-bakker” bijvoorbeeld (en ook schepen en ambachtsheer).
3004. Willem Pietersz. COUCK 3005. Marijtje Cornelisdr
Ouders van: Cornelis Willemsz COUCK (VAN MARELEVELT) (kw 1502)
- Jacob Jacobsz, ovl te Naaldwijk in 1612, trouwt te Naaldwijk 15-7-1607 met
- Heiltje Willemsdr, ovl na 1612.
Het huwelijk duurt slechts kort door overlijden van Jacob, maar leidt toch tot 3 kinderen: Jacob Jacobsz, gedoopt te Naaldwijk 8-2-1609. Maria Jacobsdr, gedoopt te Naaldwijk 1-8-1610. Arij Jacobsz (van) VREUGDENHIL, geboren te Naaldwijk in 1612 (kw 1504).
- Mees Joriszn VAN DER HORST, ovl te Naaldwijk rond 1630, trouwt te Naaldwijk 13-11-1611 met de 24-jarige
- Geertje Gerritsdr, gedoopt te Naaldwijk 19-1-1587, begraven te Naaldwijk 9-1-1654.
Uit dit huwelijk: Maartje Meesen, gedoopt te Naaldwijk 30-9-1612, jong overleden. Willem Meesen, gedoopt te Naaldwijk 8-3-1615. Trijntje Meesen, gedoopt te Naaldwijk 27-3-1617. Maartje Meesen, gedoopt te Naaldwijk 16-4-1617 (kw 1507). Gerrit Meesen, gedoopt te Naaldwijk 22-3-1620. Jacob Meesen, gedoopt te Naaldwijk 27-10-1624. Baertgen Meesen, gedoopt te Naaldwijk 19-10-1625.
- Lucas Willemsz VAN DER VLAM, geb ca 1588, ovl te Monster voor 10-6-1629, trouwt, na een eerste huwelijk, ca 1610 met
- Heijltge Gerritsdr CRAECKER, ovl te Monster na 7-12-1641.
Uit dit huwelijk: Fijtje Lucasdr VAN DER VLAM (kw 1509).
- Rochus Jansz VAN DER VALCK, geboren te Maasland, ovl te Naaldwijk rond 1615, trouwt te Naaldwijk 30-5-1610 met schippersdochter
- Neeltje Gerritsdr, geboren te Naaldwijk, begraven aldaar 16-3-1640.
Uit dit huwelijk: Gerrit Rochusz VAN DER VALCK, gedoopt te Naaldwijk 5-6-1611 (kw 1510).
Door relatief jong overlijden van Rochus duurde het huwelijk maar kort. Misschien was Gerrit het enige kind. Neeltje trouwt 24-9-1617 te Naaldwijk met Arij Harmensz VAN DIJCK.
- Symon Dirxsz (VAN DER SLOOT), ovl voor 1612, vermoedelijk korenmolenaar te Rhoon (noordelijk van de Oude Maas (bij Poortugaal/Hoogvliet/Pernis)), gehuwd met
- Ariaentje Jansdr, woont te Rhoon in 1612.
De bijnaam/achternaam VAN DER SLOOT of SLOTER komt pas bij zonen en kleinzonen van Symon en Ariaentje als bijzondere toevoeging voor. Dat het om opeenvolgende generaties van (koren)molenaars gaat, is nagenoeg zeker. De sloterij, in de Hoeksewaardse polders, hoort erbij. De bijnaamn/achternaam MOLENAAR zou je verwachten. Maar die komt niet voor.
Ouders van: Anthonis Symonsz SLOTER (kw 1524)
- Jan Pietersz VINCK, geb ca 1560, ovl voor 9-5-1624, schepen van Mijnsheerenland 1601, heemraad 1598-1616, trouwt te Mijnsheerenland ca 1600 met
- Adriaentje Jorisdr BOL, geb ca 1560, weduwe van Adriaen Thonisz VAN DRIEL.
Ouders van: Marichje Jansdr VINCK (kw 1525)
Uit eerste huwelijk had Adriaentje een aantal kinderen, onder wie Joris Ariens van Driel, geb ca 1590, ovl voor 1654, schepen van Mijnsheerenland 1620-1626, schepen van Cromstrijen 1631 en 1648/49. Adriaen Anthonisz van Driel, haar eerste man, is ca 1560 geboren in Sandelingen-ambacht (Zwijndrechtse Waard), waar hij na de dood van zijn vader in 1576 land erfde en recht kreeg op een rente van 14 stuivers van Hendrik Ido Ambacht. Hij trok echter naar Mijnsheerenland, waar hij al in 1580 wordt vermeld als gebruiker van 9 morgen 4 hont 50 roeden land, met hofstede, in het Oudeland. Dit bedrijf is door vererving eigendom van de nog jonge Adriaentje. De twee trouwen voor 26-9-1588. Adriaen van Driel is heemraad van Mijnsheerenland 1591-1594, hij overlijdt daar op 29-11-1597 (begraven in de kerk onder zerk 48).
- Cornelis Pietersz NIEUWENBOER (ook: Oudenboer), ovl Mijnsheerenland 25-11-1640, was Heilige Geestmeester 1619/23/24, trouwt (1) 9-8-1602 met Mariken Cornelis Thonisdr, trouwt (2) 12-6-1606 met
- Neeltje Gijsberts Pietersdr (MEEUWENHIL), ovl ca 1650
Ouders van: Gijsbert Cornelisse BOER (kw 1526)
- Adriaen Joostensz TOL, ovl te Zwijndrecht na 1595, gehuwd met
- Marijke Adriaensdr TOLLEN
Ouders van: Weijntge Adriaens TOLLE, ovl na 1626, weduwe van Huijbrecht Jansz SANGERS, ovl voor 1612. Anneke Adriaensdr TOL (kw 1527)
-
Leendert SPUIDIJK 3065. Ouders van: Leendert Leendertsz SPUIDIJK (kw 1532)
-
Pieter Leendertsz ROOBOL, geb ca 1580 te Rhoon, secretaris van Nieuw-Beijerland 1624-1632, ovl in 1652 te Rhoon, gehuwd met
- Wijburg Barends, ovl na 21-4-1653
Ouders van: Maria Pietersdr ROOBOL (kw 1533) Pieter en Wijburg kregen 2 zonen (Leendert Pietersz Roobol en Jan Pietersz Roobol) en 8 dochters (Maria, Jellewijntje, Neeltje, Lijsbeth, Cornelia, Jannetje, Jacomijntje en Magdaleentje)
c) DE JONG-kwartier (Friesland)
- Rudolph Willemse, geb ca 1571, “lakenbereider”, tr 7-3-1598 te Leeuwarden met
- Anneken Willemsdr, geb te Breda
Ouders van: Petrus Rudolphi (kw 1648), geb Leeuwarden 1618
PM: Bronnen nog na te vinden. Ging het om kinderen van Hervormd-gezinden die vanwege de opstand tegen het Spaans bewind vanuit Zuid-Nederland naar Friesland vluchtten? Zoon Petrus Rudolphi is later kind uit het huwelijk (wanneer de meldingen kloppen) dat in staat wordt gesteld om rechten te studeren. De productie van lakenstoffen kon lucratief zijn. Van zoon Petrus weten we dat hij (minstens 1648-1658) fiscaal was aan de Universiteit te Franeker.
- Schelte Cornelisz (FALKENBURGH), geb ca 1570?
- Gerrittie (?)
Ouders van: Sake (Saskia) Scheltis Valckenburch (kw 1649)
Eén bron (Bode-stamboom, bode-almere.nl) noemt Schelte als geboren ca 1591 te Franeker. En huwelijk van zoon Cornelis Scheltes 10-8-1604 met Sas Aeryansdr. Het jaartal 1591 kan dan niet kloppen toch. Of was Cornelis een voorkind. In trouwboeken (bewaard vanaf 1636 Schalsum, 1650 Franeker) melding van huwelijk Sake (Saakje, Saskia) Scheltis VALCKENBURCH in 1644 (Schalsum) met Petrus RUDOLPHI (kw 1648). En van huwelijk Sytske Scheltes VALKENBURCH 21-5-1657 (Franeker) met Claas Goslinghs EEKAMA. Of zij zussen waren en misschien kleindochters van hiergenoemde Schelte is onbekend. Nog aan te vullen. PM: Benoeming per 6-5-1631 mr Cornelius VALKENBURG tot advocaat voor het Hof van Friesland. “VALCKENBURCH” kan wijzen naar herkomst uit Holland (Rijnland bij Leiden) of naar herkomst uit Limburg (bij Maastricht).
NB: Uit huwelijk van Saskia VALCKENBURCH en Petrus RUDOLPHI een dochter Gerrittie, doop Franeker 19-7-1657. Uit huwelijk van Claes Goslix (naam moeder niet vermeld): zoon Goslick, doop Franeker 10-1-1658, dochter Gerrittie, doop Franeker 4-4-1659, dochter Gerrittie, doop Franeker 9-9-1660, en dochter Entie, doop Franeker 6-4-1662.
— Inschrijving Burgerboek Franeker juni 1659: Claes Goslicx, geb Dronrijp. Geen beroep vermeld.
- Pyter Pyters, geb te Leeuwarden ca 1578, trouwt Leeuwarden 30-10-1603, van beroep snyder, met
- Eva Jans Volgens (onder)trouwregister is ook Eva van Leeuwarden afkomstig. Ondertrouw 1-10-1603, huwelijk 30-10-1603. In Burgerboeken Leeuwarden inschrijving in 1577 van Peter Peters, kleermaker, en in 1629 Pytter Pytters, kleermaker, geb te Leeuwarden. Het zou kunnen zijn dat genoemde Peter Peters de vader was van de in 1603 en 1629 genoemde snijder/kleermaker Pyter Pyters. Inschrijving in burgerboek was nodig voor beroepsvergunning (gilde-systeem). Vader Peter Peters is dan mogelijk 1629 overleden en Pyter neemt de vergunning over.
Ouders van: Johannes Petri Bechius (kw 1650)
Uit huwelijk van kleermaker Pyter Pyters met Eva Jans zijn waarschijnlijk meerdere kinderen geboren. Doopregister Hervormde Gemeente Leeuwarden uit de tijd van hun huwelijk is bewaard gebleven. In dat register staat echter alleen de naam van vader van de dopeling vermeld en niet de naam van de moeder. Over de periode 1603-1623 worden te Leeuwarden 30 kinderen gedoopt van wie de vader als Pyter Pyters (Piter Piters e.d.) wordt vermeld. Er waren meer vaders met die naam. Over welke kinderen van die 30 uit het huwelijk van Pyter Pyters en Eva Jans zijn geboren valt weinig zinnigs te zeggen.
Haduij, doop Leeuwarden 21-11-1604, dochter van Piter Piters, snyder. Enkel in dit geval beroep van vader vermeld. Mogelijk eerste kind van Pyter Pyters en Eva Jans. Haduwij, doop Leeuwarden 15-2-1607. Mogelijk tweede kind (eerste dochter overleden). Pieter, doop 17-4-1610 of 30-6-1611 (beide data dopen met een vader Pyter Pyters) Jan, doop 30-6-1613, volgens latere berichten de zoon die gaat studeren en als Johannes Petrus BECHIUS dominee wordt te Oosthem.
- Tammerus Gerardi POUTSMA, geb ca 1575 in Reiderland (Oost-Groningen/Duitsland), student te Franeker 1600 (Tammo Gerardi Embdenensis), predikant te Joure 1603/05, predikant te IJlst 1605/44, lid synode Harlingen 1617, ovl 17-7-1644 te IJlst, bijna 70j oud, trouwt 16-10-1603 te Joure met
- Eelckien Sybrands BAERDT, geb ca 1585 te Arum (Wonseradeel FR), ovl ca 1653 te IJlst (?), bijna 70j oud.
Eelckien is door vererving eigenaar van Poutsma Sate te Wierum (Westdongeradeel, FR). Bij hun huwelijk neemt Tammerus de POUTSMA-naam over. De claim was van weinig waarde omdat de POUTSMA-state verviel. Het dorp Wierum, pal gelegen op de Waddenzeekust, raakte herhaaldelijk overstroomd.
— Overigens staan de dochters van Eelckien en Tammerus met de BAERDT-achternaam vermeld. De kinderen van dochter Oedtie daarentegen worden wel weer POUTSMA genoemd, waarschijnlijk omdat haar echtgenoot Johannes NICOLAI na overlijden van zijn schoonouders de claim overneemt. Hij is te Leeuwarden klerk bij de Gedeputeerde Staten van Friesland en 1655-1671 klerk van de Rekenkamer. Hun zoon Petrus Johannes NICOLAI POUTSMA volgt zijn vader in 1671 op als klerk van de Rekenkamer en wordt in 1689 benoemd tot Commies-generaal van de Financiekamer (1689-1702).
— Nicolaus Johannes POUTSMA, de oudste zoon van Oedtie en Johannes NICOLAI, wordt in de stemkohieren van 1698 genoemd als eigenaar van “Wierum, stem nr 9, Poutsma”. Dan en in 1728 wordt Auke Jans genoemd als huurder/gebruiker. Maar tussen 1698 en 1728 is het eigendom van de POUTSMA-zathe overgegaan naar schepen Harmanus DROGENHAM, doctor, zv notaris Joannes VAN DROGENHAM. Deze Harmanus DROGENHAM trouwde in 1700 met Oedilia POUTSMA, dochter van Nicolaus Johannes.
Kinderen uit huwelijk van ds Tammerus Gerardi en Eelkje Sybrandts BAERDT:
1. Titia Tammeri BAERDT (kw 1651), geb 23-10-1607 te IJlst, tr 1636 met de jonge dominee Johannes Petri BECHIUS (kw 1650)
2. Katrijnske Tammeries BAERDT, geb IJlst 7-3-1609, tr IJlst 10-6-1638 (“Krstijntie”) met Frans Andrysz, hij afkomstig van Sneek (ondertrouw Sneek 26-5-1638), doop Sneek 17-2-1611, zv Andries Jans en Aelke.
— Uit dit huwelijk geen dopen gemeld. Wel kinderen uit huwelijk van een Frans Andries, burgemeester te IJlst, en Eelckien Tammes.
— Mogelijk gaat het om latere dochter.
3. Jancke Tameri BAERDT, geb IJlst 18-6-1612 (of ca 1620?), ovl Britsum 1672, tr Heeg 16-2-1645 met Antonius Petri, geb ca 1620, ovl Britsum 1672, 25-4-1637 ingeschreven als student theologie te Franeker, dominee te Jutrijp-Hommerts 1642-1648, als dominee aangesteld te Britsum 11-1-1649.
— Uit dit huwelijk minstens 7 kinderen. Een dochter Sara Antonides, geb te Jutrijp ca 1647, tr in 1672 (ondertrouw Franeker 17-2-1762) met de theologisch kandidaat Suffrides Theodori CANTOR (Sjoerd Dirks CANTOR), en wordt domineesvrouw eerst te Langweer en daarna op het Zuiderzee-eiland Urk. Antonius wordt in 1649 dominee te Britsum (benoorden Leeuwarden). Daar dopen van kinderen: Petrus 29-4-1649, Gerardus 17-8-1651, Femke 16-7-1654, Petrus 9-8-1657, Fem 6-5-1660 en Eelckjen 14-6-1663. Nog aan te vullen.
— Aurelia BECHIUS (kw 825), dochter van Titia en Johannes, is ca 17 bij overlijden van haar ouders, en verruilt dan de pastorie te Oosthem voor de pastorie te Britsum, waar tante Jancke en oom Antonius Petri haar opvangen.
4. Tjitske (Jitske), geb IJlst ca 1615.
5. Christina, geb IJlst ca 1617.
— Gegevens ontbreken. Waarschijnlijk was zij de “Krstijntie Tammeries BAERDT” die 10-6-1638 trouwt met Frans Andrysz (zie hierboven). Maar uit dit huwelijk geen dopen vermeld. Wel dopen uit een huwelijk van een Frans Andries, burgemeester te IJlst, en Eelckien Tammes. Uit dit huwelijk worden tot en met 1661 kinderen geboren (wanneer het over dezelde personen gaat). De moeder zal dan hooguit 45 zijn, geboren ca 1617.
— In trouwregisters geen melding van huwelijk Frans Andries en Eelkjen Tammes. Wel dopen (IJlst) uit deze verbintenis: Andries 17-3-1639, Andries 23-2-1640 (doopheffer Eelckien Tammes, grootmoeder), Aeltie 14-2-1641, Tamme 19-7-1646, Aeltie 1-4-1649, Aeltie 7-4-1650, Aeltie 29-10-1652 (doopheffer Eelkien BAARDA), Andries 12-11-1654, Jan 27-1-1656, Claes 6-2-1659, Klaes 3-11-1651 (doopheffer Hylck Everts).
6. Oedtie Tammeri BAERDT, doop IJlst 12-1-1621, ovl Leeuwarden 1656, ca 35, gehuwd, tr IJlst 20-10-1639 (ondertrouw Leeuwarden 5-10-1639), zij 18, hij ca 22, met Johannes Nicolai, klerk van de Gedeputeerde Staten van Friesland.
— Johannes Nicolai is bij huwelijk nog jong en beginnend klerk. In de lijst van klerken van de Gedeputeerde Staten komt hij niet voor (die meldt geen beginners). Zijn hogere benoeming tot “klerk van de Rekenkamer” volgt in 1655. Hij is dan tegen de 40 jaar oud. Die hoge functie behoudt hij tot 1671. Zoon Petrus Nicolai POUTSMA heeft dezelfde functie 1671-1689 en is Commies-generaal van de Financiekamer 1689-1702. Johannes Nicolai is schepen van de Stad Leeuwarden 1680-1683. Hij overlijdt in 1687, begr 16-8-1687 bij de Westerkerk.
— De kinderen uit het huwelijk van Oedtie Tammeri BAERDT en Johannes NICOLAI krijgen de POUTSMA-naam mee. De verklaring hiervoor zal aan de erfaanspraken van grootmoeder Eelckien Sybrandts BAERD (kw 3303) op de stemhebbende POUTSMA-zate te Wierum te verbinden zijn. Die aanspraken gaan via dochter Oedtie over op de NICOLAI-kinderen die POUTSMA gaan heten.
— Zie aparte paragraaf 3302.6 Oedtie Tammeri BAERDT.
7. Gerrit Tammoni POUTSMA, doop IJlst 14-10-1625, schoolmeester te IJlst. Verdere gegevens ontbreken nog. Van hem een zoon Tamme Gerrits POUTSMA, schoolmeester te IJlst en vervolgens te Joure.
8. Abrahamus Tammeri (Tammes) POUTSMA, doop IJlst 6-4-1627, ovl in of na 1700 te Gorredijk (Opsterland FR), waar zijn zoon Tammerus POUTSMA dan notaris is.
— Abrahamus is 17, jongste zoon uit domineesgezin te IJlst, wanneer zijn vader in 1644 overlijdt. Hij wordt in staat gesteld theologie te studeren. Als student theologie (ondertrouw Leeuwarden 18-8-1649, attestatie Leeuwarden 25-8-1649) trouwt hij 26-8-1649 te Britsum (Leeuwarderadeel FR) met Sara Isaacks CNOOP, afkomstig van Leeuwarden.
— Abrahamus krijgt aanstelling als dominee te Haskerdijken 8-10-1651, hij is dan 24j oud. In 1664 wordt hij dominee te Haskerhorne, in dezelfde buurt. Hij gaat 29-4-1697 met emeritaat, 70 jaar oud. Zoon Tammerus POUTSMA is notaris te Gorredijk. Nog aan te vullen.
In de Hervormde pastorie te IJlst werden dus 8 kinderen geboren: eerst 6 dochters, vervolgens twee zonen. De dochters worden met BAERDT-achternaam vermeld, de zonen met POUTSMA-achternaam. Van de dochters zijn 2 mogelijk jong overleden, is over de derde onduidelijkheid, trouwen Titia en Jancke met een jonge dominee en trouwt Oedtie met een jonge klerk te Leeuwarden die carriëre gaat maken bij de Rekenkamer van Friesland. Kinderen van Oedtie volgen het pad van hun vader en mengen zich via huwelijken met families van Friese grootgrondbezitters (o.a. HAERSMA en CANTER). De kinderen dragen wel de POUTSMA-naam, maar de eigendom van de POUTSMA-zate te Wierum wordt financieel van steeds marginaler belang (wordt ook afgestaan tenslotte). Binnen het gezin met 6 dochters worden te IJlst toch nog 2 zonen geboren: Gerrit in 1625 geboren wordt onderwijzer/schoolhouder te IJlst en later te Joure. Mogelijk is hij gehuwd, maar gegevens ontbreken. Jongste zoon Abrahamus, geboren 1627, heeft zijn verlatiniseerde voornaam te danken aan een studie theologie te Franeker. Hij is 17 wanneer zijn vader, dominee Tammerus Gerardi, overlijdt. De studie mogelijk gesubsidieerd uit piëteit. Ds Abrahamus POUTSMA te Haskerdijken/Haskerhorne is stamvader van een POUTSMA-lijn in het zuidoostelijke deel van Friesland.
3302.6: Oedtie Tammeri BAERDT en haar POUTSMA-kinderen Bij huwelijk in 1603 te Joure van de jonge predikant Tamme Gerardi (ook Gerbrandi geschreven) met Eelkje Sybrands BAERDT, dochter uit een familie van advocaten en notarissen, landeigenaars, wordt haar aanspraak door vererving op de POUTSMA-sate te Wierum (Westdongeradeel FR) voor hem ook van belang. Tamme gaat de naam POUTSMA gebruiken, met familiewapen enz. De dochters uit het huwelijk krijgen BAERDT-naam mee, de zonen gaan POUTSMA heten. De werkelijke vererving van POUTSMA-aanspraken lijkt binnen de familielijn via kinderen van dochter Oedtie Tammeri BAERDT te zijn gegaan. Oedtie wordt slechts ca 35 jaar oud, doop IJlst 12-1-1621, ovl Leeuwarden 1656, gehuwd, tr IJlst 20-10-1639 (ondertrouw Leeuwarden 5-10-1639), zij 18, hij ca 22, met Johannes Nicolai, klerk van de Gedeputeerde Staten van Friesland. In 1655 wordt Johannes Nicolai benoemd tot “rekenmeester” van de provincie, klerk van de Rekenkamer. Hij heeft deze functie tot in het jaar 1671. In dat jaar volgt zijn zoon Petrus Nicolai POUTSMA hem in deze functie op.
Uit huwelijk van Johannes NICOLAI en Oedtie Tammeri BAERDT zijn mogelijk 6 kinderen geboren. Meldingen in doopregisters zijn niet voor al hun kinderen terug te vinden. Het echtpaar woonde te Leeuwarden (zeker in de wintermaanden). Voorzover doopregisters te Leeuwarden uit die tijd compleet zijn, missen we dopen van kinderen uit het huwelijk. Ook niet gemeld elders. Onderstaande is een reconstructie op basis van later gemelde gegevens.
- Margarete Jans, doop Leeuwarden 12-2-1640, dochter van Jan Niklaas (namen van moeders worden niet vermeld). In genealogie POUTSMA-family staat zij als Margareta Jan POUTSMA genoemd. Zonder verdere gegevens.
— Wanneer Margareta eerste kind uit huwelijk van Johannes en Oedtie is geweest, was de 18-jarige Oedtie (huwelijk 20-10-1639) bij haar trouwen al hoogzwanger. Geen meldingen over overlijden of huwelijk van Margareta. Zij zou bij overlijden van Oedtie in 1656 zestien jaar oud zijn geweest (mits niet al eerder overleden). - Nicolaus Johannes POUTSMA, geb Leeuwarden 1641, ovl 1727, ca 72j oud, begraven bij de Jacobijnerkerk te Leeuwarden 7-5-1727, N.Poutsma, dr, oud pensionaris.
— Nicolaus POUTSMA, advocaat voor het Hof van Friesland (benoeming 1664), trouwt (ondertrouw Lwrdn 3-3-1666) 11-3-1666 te Britsum (Leeuwarderadeel FR) met Saapke WIERSMA, geb ca 1645 te Kollum, begr op het Westerkerkhof te Leeuwarden 23-3-1691 de echtgenote van Nicolaus Poutsma, dr, pensionaris. Bij hun huwelijk zou Nicolaus ca 24 en Saapke ca 20 zijn geweest. Hij heeft dan al zijn benoeming tot advocaat voor het Hof van Friesland en wordt POUTSMA genoemd. Aan te nemen is dat de erfaanspraken van zijn grootmoeder Eelckien Sybrandts BAERD (kw 3303) op de stemhebbende Poutsma-zate te Wierum (Westdongeradeel) via moeder Oedtie en de “rekenmeester” Johannes NICOLAI verder liepen. Zij gaven in ieder geval hun kinderen de POUTSMA-naam mee en in de stemkohieren van 1698 staat Nicolaus POUTSMA als eigenaar van deze “stem” (stem nr 9 te Wierum, Poutsma, eigenaar: Advocaat N. Poutsma te Leeuwarden, gebruiker: Auke Jans).
— Dat Nicolaus en Saapke de kerkelijke inzegening te Britsum laten plaatsvinden, kan (weer) familiezaak zijn geweest. Te Britsum vangen dominee Antoni Petri en diens vrouw Jancke Tammeri BAERDT molgelijk al vaker geheel of halfverweesde neven en nichten op. Jancke is zus van de in 1656 overleden Oedtie, moeder van Nicolaus.
— Bij overlijden van Oedtie is Nicolaus 15. Hij gaat studeren aan de universiteit te Franeker en is in 1666 advocaat aan het Hof van Friesland. Oom Antoni en tante Jancke hebben hem mogelijk ondersteund. Uit het huwelijk van Nicolaus POUTSMA en Saapke WIERSMA zijn (volgens doopregister Leeuwarden) 7 kinderen geboren: -1. Claes, doop Lwrd 29-11-1668, zv Claes POUTSMA. – 2. Eelckien POUTSMA, doop 1-3-1671, dv Poutsma, doctor. Van haar geen huwelijk gevonden. In 1728 is “jufffrouw” Eelckien POUTSMA eigenaar van stem 18 te Kollum Turpmacluft en van stem 2 te Oostermeer. – 3. Oedilia POUTSMA, doop 21-8-1672, dv Nicolaus POUTSMA, doctor. Zij trouwt 28-1-1700, met Hermanus DROGEHAM, advocaat aan het Hof van Friesland, gedoopt Lwrdn 30-4-1675, zv Joannes DROGEHAM, notaris publicus, en Catharina ATTEMA. Uit huwelijk van Oedilia en Hermanus zeker de dochter Saepke Catharina, doop Lwrdn 17-11-1700. Volgens stemkohier van 1728 is schepen Hermanus DROGEHAM dan eigenaar van “stem nr 9” te Wierum (de POUTSMA-zate), in pachtgebruik bij Auke Jans. - 4. Claes, doop 25-1-1674, zv Nicolaus POUTSMA, doctor. – 5. Maryke, doop 28-4-1675, dv idem. – 6. Berber, doop 28-4-1675, dv idem (waarschijnlijk waren Maryke en Berber een tweeling). – 7. Claes, doop 27-11-1678.
— De drie zonen Claes schijnen jong overleden. Moeder Saapke WIERSMA begraven te Leeuwarden 23-3-1691. Van de vier dochters schijnen in 1698 slechts twee nog in leven. Naast waarschijnlijk oudste dochter Eelckien, in ieder geval de dochter Oedilia die 28-1-1700 trouwt met advocaat Hermanus DROGEHAM die in 1728 wordt genoemd als eigenaar van de POUTSMA-zate te Wierum (“stem nr 9”), verpacht aan boer Auke Jans. Nicolaus POUTSMA is in de periode 1684-1687 als bouwmeester lid van de Magistraat van de Stad Leeuwarden en heeft een lange carriere (hij overlijdt in 1727 te Leeuwarden) als advocaat, doctor, en pensionaris. Bij de telling van waagens en scheepen in de Stadt van 1-5-1694 wordt gemeld dat de pensionaris dr. Nicolaus POUTSMA, wonend aan de Eewal, beschikt over 2 hoornse wagens, 1 boerenwagen en 1 aardekar. In 1698 (stemkohieren) wordt hij genoemd als eigenaar van de POUTSMA-zate te Wierum, maar ook in de functie van vader van en voogd over “zijn twee dochters van wijlen Saapke WIERSMA” als eigenaar van stem nr 2 te Oostermeer (Tietjerksteradeel FR). Dat zal dus erfenis van Saapke zijn geweest. - Tammerus POUTSMA, geb Leeuwarden 1644, benoemd tot notaris 3-7-1683, ovl in 1700, begraven Leeuwarden 12-2-1700. Mogelijk ongehuwd gebleven. Bij de telling van waagens en scheepen in de Stadt van 1-5-1694 wordt gemeld dat dr Tammerus POUTSMA eigenaar is van een sjees.
- Petrus Johannes NICOLAI POUTSMA, geb Leeuwarden ca 1649 (geen melding in doopregister). In 1671 wordt Petrus Nicolai Poutsma klerk van de Rekenkamer, als opvolger van zijn vader. In 1689 wordt hij Commies-generaal van de Financiekamer en die functie behoudt hij zeker tot 1702. In het Rekenkamer-overzicht wordt Johannes POUTSMA genoemd als Commies-generaal over de periode 1702-1711. Zijn opvolger? Of was dit Petrus Johannes POUTSMA nog steeds. Ik ben er nog niet uit.
— Dr. P.POUTSMA is schepen van de Stad Leeuwarden in 1699 en 1700, misschien langer (overzicht stopt bij 1700). Leeuwarder overlijdensregister meldt overlijden 25-11-1712 van Petrus POUTSMA, “vroedsman sedert 28-6-1692”. De Poutsma-family genealogie meldt overlijden te Oostermeer 2-10-1712, maar meldt ook overlijden van vader Johannes Nicolai 2-10-1712 te Oostermeer, terwijl deze toch 16-8-1687 te Leeuwarden is begraven. Er zijn fouten en onduidelijkheden. Dat Oostermeer wordt genoemd is niet vreemd, want Petrus had daar een buitenverblijf. Het verhaal kan duidelijker.
— Petrus Johannes NICOLAI POUTSMA is ca 63j oud geworden. Bij de telling van waagens en scheepen in de Stadt van 1-5-1694 wordt gemeld dat “de commijs POUTSMA” eigenaar is van 1 verdekte wagen en 1 hoornse wagen.
— Zie aparte paragraaf 3302.6.4. voor meer over hem. - Sara Johannes NICOLAI, doop Leeuwarden 23-7-1651, dv Johannis NYCOLAY, tr Leeuwarden 30-7-1676, zij 25, hij 22, met Franciscus VAN VELSEN, geb Goënga 14-7-1654, predikant te Wommels (Hennaarderadeel FR).
— Franciscus, zv Gerhardus VELSEN die in 1649 predikant werd te Goënga en later te Oosthem, was 21-3-1675 als kandidaat bevestigd te Wommels. Sara wordt door haar huwelijk domineesvrouw te Wommels, maar snel daarop te Bergum (Tietjerksteradeel) omdat Franciscus daarheen wordt verroepen en 20-1-1679 als predikant wordt aangesteld. Doopmeldingen Bergum: Gerardus en Udilia 21-8-1681, Titia en Udilia 16-5-1683. Wekt de indruk dat Sara tweemaal een tweeling baarde.
— Zij is in 1683 of kort hierna overleden, hooguit 33j oud. Dominee Franciscus trouwt Bergum 11-1-1685 met Judith HEEMSTERHUIS en laat 6-6-1690 een dochter dopen die de naam Sara krijgt. Hij wordt 27-3-1693 predikant te Harlingen. Judith overlijdt en Franciscus tr (3) Harlingen 1-9-1695 met Lijsbeth FRISIUS en na haar overlijden (4) Harlingen 23-1-1714 met Ysabella ARNOLDI. Hij overlijdt Harlingen 22-3-1724, 70j oud, en inmiddels geen dominee meer. Uit huwelijk met Lijsbeth FRISIUS de zonen Gerrit 18-11-1696 en Cornelis 3-8-1698. De zoon Gerrit (Gerardus) wordt ook predikant. - Eelckien POUTSMA, doop Leeuwarden 5-12-1655, dv Johannes NICOLAAS. Over de dochter Eelckien verder geen gegevens. NB: Moeder Oedtie overleden in 1656, misschien enkele weken na deze bevalling.
3302.6.4. Aanvullende gegevens Petrus Johannes Nicolai POUTSMA
Geb Leeuwarden 1649, begr Lwrd 1712, ca 63j oud. In 1671 benoemd tot klerk van de Rekenkamer, als opvolger van zijn vader. In 1689 wordt hij Commies-generaal van de Financiekamer en die functie behoudt hij zeker tot 1702. In het Rekenkamer-overzicht wordt Johannes POUTSMA genoemd als Commies-generaal over de periode 1702-1711. Zijn opvolger? Of was dit Petrus Johannes POUTSMA nog steeds. Ik ben er nog niet uit. De zoon Johannes is in 1702 pas 16j oud. Dan al (zonder afgeronde studie) Commies-generaal? Je weet.
— Dr. P.POUTSMA is schepen van de Stad Leeuwarden in 1699 en 1700, misschien langer (overzicht stopt bij 1700). Leeuwarder overlijdensregister meldt overlijden 25-11-1712 van Petrus POUTSMA, “vroedsman sedert 28-6-1692”.
Petrus POUTSMA tr (1) Lwrd ondertrouw 26-1-1678, attestatie 3-2-1678, hij advocaat voor het Hof van Friesland, met Saepcke HAERSMA, beiden ingeschreven te Leeuwarden. Hij tr (2) Oostermeer (Tietjerksteradeel) 23-9-1708 (ondertrouw Lwrd 21-9-1708, attestatie naar Oostermeer 30-9-1708), hij rekenmeester in de rekenkamer der provincie, met Johanna SIXTI, zij weduwe van Viglius CRANS. Bij huwelijk met de weduwe Johanna is Petrus bijna 60j oud, zij wellicht ca 45j oud.
Bij huwelijk in 1678 is Petrus bijna 30. Het huwelijk met Saepcke HAERSMA heeft door haar overlijden in 1692 (begraven Tuinsterpoort Leeuwarden 1-10-1692: de echtgenote van Petrus Poutsma, commies) slechts 14j kunnen duren. Petrus en Saepcke krijgen samen 7 kinderen, alle 7 in de eerste tien jaar van het huwelijk.
Notitie bij de echtgenote Saepcke (van) HAERSMA: Bij “Poutsma-family” suggestie dat zij ca 1653 te Leeuwarden zou zijn geboren, bij huwelijk met Petrus dus ca 25j oud. Mij lijkt de stelling dat zij bij huwelijk met Petrus ca 32j oud was en de jonge weduwe van dr Guilbertus Baij meer waarschijnlijk. Huwelijk in december 1665 (ondertrouw Lwrd 9-12-1665) Saepcke HAERSMA en Guilbertus BAY, advocaat voor het Hof van Friesland sedert 6-7-1659, ovl 31-8-1673. Geen meldingen van dopen van kinderen uit dit huwelijk. Saepcke HAERSMA tr (2) in 1678 met Petrus POUTSMA, advocaat voor het Hof van Friesland (jonge collega van overleden Guilbertus BAY). Eerste kind uit dit huwelijk wordt Wulburt genoemd, een voornaam die in de voorfamilies Haersma en Poutsma (voorzover bekend) niet voorkomt. Een ongebruikelijke vernoeming derhalve, maar niet wanneer met het eerste huwelijk van Saepcke rekening wordt gehouden.
Saepcke HAERSMA heeft haar familienaam te danken aan de HAERSMA-state te Oostermeer (Tietjerksteradeel). Een redelijk voorname plaats tijdens de 16de en 17de eeuw, in gebruik of buitenverblijf voor enkele generaties van Friese regenten daar geboren of aan verbonden. In de 17de eeuw worden HAERSMA-telgen o.a. grietmannen te Smallingerland (Drachten) met een latere HAERSMA-state bij Drachten als gevolg. In de tijd van Saepkce VAN HAERSMA is de state te Oostermeer nog “familiecentrum”. In 1698 is de plaats eigendom van haar broer Ericus Meyerts VAN HAERSMA, terwijl aanpalende plaatsen in eigendom zijn van diens POUTSMA-zwagers. Door huwelijk van Nicolaus POUTSMA met Saapcke WIERSMA en van Petrus POUTSMA met Saepcke HAERSMA. HAERSMA-lijnen zijn tot nu toe nog wel bestaand, bijv HAERSMA BUMA-lijn. De state te Oostermeer is na 1723 door Aurelia van HAERSMA, weduwe van de ritmeester Johannes POUTSMA, verkocht binnen de familie (bijv Hobbe BAARDT VAN SMINIA).
Vóór 1550 al Meyert HAERSMA (kinderen van) te Oostermeer genoemd. Een dochter Saep ca 1536 gehuwd met Wybe Melles (zie noot)? Een dochter Houck gehuwd met Arend Oedtses (zie noot)? Een zoon Meyert Meyerts (of Meynerts)? Uit de nevelen van documentarme tijden komt nog melding van Eercke Meyerts HAERSMA, dorpsrechter te Oostermeer, in 1618 en 1628 voor Tietjerksteradeel volmacht op de landdag. Volgens genealogiemakers zv Meyert Meyerts HAERSMA en Eeck Jelledr. Deze Eercke is ca 1600 getrouwd met Saap(ke), geboren te Lippenhuizen (Opsterland FR), dv Wobbe Tsjalles, die met gezin van daar naar Oostermeer was verhuisd. Nog aan te vullen. Uit huwelijk van genoemde Eercke Meyerts HAERSMA oa. zonen Meyert Eerckes (van) HAERSMA (bewoont HAERSMA-state te Oostermeer rond 1645) en mogelijk Arnoldus Erici HAERSMA. Laatstgenoemde (Arnoldus wellicht naar Arend) is rekenmeester aan het Hof van Friesland (vermeld periode 1632-1644). De zoon Meyert wordt (gehuwd met Sjoertie Piers RINCKEMA) vader van oa Ericus HAERSMA, burgemeester van Harlingen en in 1698 eigenaar van de HAERSMA-state te Oostermeer (bewoner ervan al rond 1675), en van Saepke HAERSMA, getrouwd met rekenmeester en commies-generaal Petrus Johannes NICOLAI POUTSMA.
Uit huwelijk van Petrus POUTSMA en Saapke HAERSMA (zij overleden in 1692) via doopregisters 7 kinderen vermeld. Daarbij Meyert- en Sjoertie-namen. Dat ze oudste zoon Wulburt (Wylbart) noemen is merkwaardig. Hun zoon Johannes (ritmeester) trouwt 1719 (tweede huwelijk) met Aurelia VAN HAERSMA die een dochter is van Ericus, en dus een volle nicht van hem (Ericus broer van Saapke).
Kinderen uit huwelijk van “commies” Petrus POUTSMA en Saepcke (van) HAERSMA (doopregister, naam van moeder niet vermeld):
Wulburt, doop Lwrd 23-2-1679, zv Petrus Poutsma, doctor. Geen verdere gegevens over deze zoon. Dat hij vernoemd is naar BAY-lijn (Guilbertus, Wilberts), uit eerste huwelijk van Saepcke lijkt waarschijnlijk. Mogelijk had Saepcke uit eerste huwelijk (geen dopen gemeld) wel (overleden) zoontje(s) met die naam. Vernoeming uit piëteit.
Johannes, doop Lwrd 26-3-1680, ovl 1-12-1683.
Meyer(t), doop Lwrd 26-8-1681.
Sjoerdtie, doop Lwrd 6-12-1682, ovl 1-6-1687.
Johannis, doop Lwrd 24-12-1684, ovl 1685.
Johannes Petrus POUTSMA, doop Lwrd 27-1-1686, ovl 1723, 37j oud, ritmeester in het regiment van de Prins van Oranje-Nassau, cavalerie-regiment 668a, tr Oostermeer 3-12-1719 met Aurelia van HAERSMA uit Driesum. Bij huwelijk met Aurelia is ritmeester POUTSMA 33j oud.
— Ik weet nog niet zeker of deze ritmeester POUTSMA dezelfde is geweest als Johannes POUTSMA, commies financ bij de Provincie, die december 1704 (ondertrouw Lwrd 12-12-1704, attestatie naar Huizum 21-12-1704) trouwt met Yda RECALFF. Hoewel: genoemde ritmeester was eerder getrouwd met genoemde Yda, volgens stemkohieren van 1728, maar was hij de in 1686 geboren Johannes? Zijn periode als commies-generaal bij de rekenkamer is volgens de boeken 1702-1711 (opvolger van zijn vader?), maar in 1702 is de in 1686 geboren Johannes pas 16j oud en bij huwelijk met Yda pas 18. Kon een 16-jarige al Commies-generaal worden bij de provinciale rekenkamer? Lijkt me sterk. Verdere onderbouwing nodig.
— In de stemkohieren van 1728 komt het aandeel in stemhebbende plaatsen van erven van of weduwe Aurelia van ritmeester Johannes POUTSMA tientallen malen voor. Zie hieronder Stemkohieren 1728 betreffende erven van ritmeester Johannes POUTSMA. In het verhaal past dat de commies Johannes POUTSMA in 1711 zijn functie beeindigde (was hij 26?) om kapitein/ritmeester te worden van een cavalerie-regiment van de Prins van Oranje-Nassau.
Sjoertie (Suffrida) Petri POUTSMA, doop Lwrd 29-7-1687, begraven Lwrd bij de Jacobijnerkerk 19-11-1727, 40j oud, “de echtgenote van Everhardus Wielinga, burgemeester, tr Marssum (Menaldumadeel FR) 27-4-1704 (ondertrouw Lwrd 18-4-1704, attestatie naar Marssum 27-4-1704), zij 16 (?), hij 26, met Everhardus WIELINGA, ontvanger (van belastingen), doop (“Evert”) Lwrd 17-3-1678, zv Epaeus Everts WIELINGA, vroedsman, en Geijske Jans STORM.
— Sjoertie (Suffrida) trouwt ook op stand, haar man Everhardus bekleedt belangrijke functies, wordt na 1714 daarnaast ook een van de burgemeesters van Leeuwarden. Hij overlijdt 6 jaar na Sjoertie op 24-11-1733, 55j oud. Er werd na zijn overlijden een lofdicht gepubliceerd.
— Volgens dat lofdicht trad hij in het voetspoor van zijn vader, wat ook werkelijk zo is geweest, want vader Epeus (Ipe) WIELINGA (ovl 1718) was bij zijn huwelijk met Geijske in 1665 “weibel van het krijgsgerecht”, wordt in 1666 aangesteld tot notaris, in 1675 tevens vroedman te Leeuwarden, over de periode 1686-1710 burgemeester van Leeuwarden en na 1688 vaak gedeputeerde (bron: Encyclopedie van Friesland, 1958).
— Dat Suffrida en Everhardus (ondertrouw Leeuwarden) te Marssum trouwen, maar te Leeuwarden gaan wonen, is niet zo vreemd omdat zijn vader, burgemeester van Leeuwarden, daar zijn “buitenverblijf” heeft. Volgens de stemkohieren van 1698 is de burgemeester eigenaar en gebruiker van de zate Marssum stem nr 11. Daar woont hij “dus” een deel van het jaar en worden bruiloften gevierd.
— Volgens lofdicht op Everhardus na zijn overlijden in 1733, 55j oud, laat hij 7 “frisse loten” na, 3 zonen en 4 dochters. Uit zijn huwelijk met Suffrida POUTSMA werden ietsje meer dan 7 kinderen geboren: - 1. Epeus, geb Lwrd 23-5-1705, ovl 26-12-1705 (moeder Suffrida is dan pas 18j oud). - 2. Saepke WIELINGA, doop Lwrd 1-9-1706. - 3. Epeus WIELINGA, doop Lwrd 25-3-1708, tr Magdalena VAN SCHELTINGA. - 4. Jeltje WIELINGA, doop Lwrd 12-4-1711. -5. Suffrida Aurelia WIELINGA, doop Lwrd 24-8-1714. – 6. Petrus, doop Lwrd 12-8-1716, ovl 22-4-1717. – 7. Petrus, doop Lwrd 15-9-1717. – 8. Johannes WIELINGA, doop Marssum 16-7-1719, ovl 28-5-1791. – 9. Everardus, doop Marssum 20-5-1725, ovl Lwrd 29-1-1727. – 10. Catharina Odilia WIELINGA, doop Lwrd 19-1-1724. Nog aan te vullen. Ontvanger/burgemeester WIELINGA na 1723 (overlijden van neef, ritmeester Johannes POUTSMA), genoemd als curator voor diens jonge kinderen.
Stemkohieren 1698 betreffende “commies” Petrus POUTSMA: In 1698 staat oudere broer Nicolaus vermeld als eigenaar van het erfgoed “Poutsma” te Wierum en ondermeer “voor zijn twee dochters” van stem nr 2 te Oostermeer (Tietjerksteradeel). Dit zal familiebezit zijn geweest van zijn overleden echtgenote Saapke (van) WIERSMA. Te Oostermeer heeft jongere broer Petrus POUTSMA, de commies, in 1698 geheel of gedeeltelijk belang in vier stemhebbende plaatsen. Door zijn huwelijk met Saapke (van) HAERSMA, overleden in 1692, mogen wij aannemen. Tenzij mocht blijken dat vader Johannes NICOLAI al plaatsen te Oostermeer bezat. De HAERSMA State bij Oostermeer (stem nr 1 aldaar) is in 1698 eigendom van mr Ericus HAERSMA, de broer van Saapke. Ericus HAERSMA, o.a. burgemeester van Harlingen, gebruikt het als buitenverblijf (Douwe Claesen als pachtboer/gebruiker). Na overlijden van Ericus ca 1720 gaat eigendom van de HAERSMA State te Oostermeer over naar diens dochter Aurelia (van) HAERSMA, gehuwd met de ritmeester Johannes POUTSMA, haar neef, zv commies Petrus POUTSMA. In stemkohieren van 1728 wordt Aurelia als eigenaar genoemd (zij is dan al 5 jaar weduwe van de ritmeester). Zij verkoopt het goed rond die tijd.
Commies (Petrus) POUTSMA komt in stemkohieren van 1698 (hij overlijdt 1712) twaalfmaal voor als eigenaar (geheel of gedeeltelijk, dan wel “voor zijn kinderen”, die erfrechtelijk aanspraak hebben op HAERSMA-delen). De commies vermeld als:
(1) Eigenaar en gebruiker van de plaats stem nr 5 te Oostermeer. Petrus heeft deze plaats als buitenverblijf gebruikt (hij heeft nog steeds zijn functies te Leeuwarden). Geen naam vermeld van een “pachtboer”. Dus mogelijk was het zijn overwegende woonadres, met kinderen van Saapke.
(2) Eigenaar van stem nr 14 te Oostermeer (Eesge Folkes gebruiker).
(3) Eigenaar voor de helft van stem nr 12 te Oostermeer. Sipke Douwes eigenaar van de andere helft. Beiden zijn niet gebruiker. Jacob Gerlofs is gebruiker (boer) op de ene, Uitse Meenes op de andere helft.
(4) Eigenaar voor de helft van stem nr 26 te Oostermeer. Hart Hendrix is gebruiker op die helft. Sape Sapes is eigenaar en gebruiker van de andere helft.
(5) Eigenaar als vader van en voogd over zijn twee dochters bij wijlen Saapke HAERSMA van de stemhebbende plaats Eestrum nr 4. Dat bezit te Eestrum is mogelijk uit HAERSMA-bezit. In 1728 wordt Aurelia VAN HAERSMA als eigenaar genoemd, weduwe van Johannes POUTSMA. Gebruiker in 1698 is de weduwe van Binne Clases (met gezin), in 1728 Sije Roels. – Merkwaardig dat in 1698 zijn twee dochters worden genoemd en niet zoon Johannes.
(6) Eigenaar voor 7/12 deel te Garijp (Tietjerksteradeel, ten westen van Oostermeer en Bergumermeer) van stemhebbende plaats nr 26. Het 5/12 deel is eigendom van de fiscaal Thijssen. Gebruiker is de weduwe van Poppe Teyes.
(7) Eigenaar van stem 3 te Oenkerk (Tietjerksteradeel). Gebruiker Jetse Martens.
(8) Eigenaar van stem 4 te Oenkerk. Gebruiker Jetse Martens. In 1728 zijn deze plaatsen te Oenkerk in eigendom van de erven van Johannes POUTSMA. Met Pybe Andries als gebruiker.
(9) Commies Petrus POUTSMA staat in 1698 vermeld als eigenaar uit naam van zijn kinderen van stem nr 39 te Lippenhuizen (Opsterland FR). Tjeerd Jeens als gebruiker. De betrekking met Lippenhuizen is nog onduidelijk. Broer Nicolaus POUTSMA in 1698 ook vermeld met belangen te Lippenhuizen (stemmen 12 en 30).
— In 1728 wordt ontvanger Everhardus WIELINGA “uit naam van zijn kinderen” als eigenaar genoemd (Tjeerd Jeens gebruiker). WIELINGA is zwager van commies POUTSMA.
(10) In 1698 Commies Poutsma vermeld als eigenaar van stem 3 te Nijland (Wymbritseradeel, bij Bolsward). Gebruiker Bote Sjouckes.
— In 1728 wordt oud-ontvanger Everhardus WIELINGA “uit naam van zijn kinderen” als eigenaar genoemd (Sible Uylkes gebruiker).
(11) In 1698 Commies Poutsma vermeld als eigenaar van stem 24 te Oldetrijne (Weststellingwerf). Gebruiker Dirk Dirks.
— In 1728 Jan Eylen eigenaar (Hendrik Wolters gebruiker).
(12) In 1698 Commies Poutsma vermeld als eigenaar van stem 44 te Oldetrijne (Weststellingwerf). Gebruiker Dirk Dirks.
— In 1728 grietman jonkhr Duco VAN HAREN eigenaar voor de helft, de gezusters Froukje en Beeltje OORTWIJN eigenaar voor de helft (gebruiker Alt Harms).
Stemkohieren 1728 betreffende erven van (wijlen) ritmeester Johannes POUTSMA
Ritmeester Johannes POUTSMA is 1723 overleden, mogelijk slechts 37j oud. Eerst getrouwd (december 1704) met Yda RECALF(F), in december 1719 vervolgens getrouwd met Aurelia VAN HAERSMA. Johannes POUTSMA is zoon van de rekenmeester (commies-generaal) Petrus POUTSMA en kleinzoon van de rekenmeester Johannes NICOLAI. Johannes wordt genoemd als opvolger van zijn vader in de commies-functie vanaf 1602. Hij is dan pas 16j oud (misschien krijgt hij de aanstelling, terwijl zijn vader “het werk” nog doet). Na 1711 is hij niet meer commies, maar ritmeester. Officier in het leger (door de verdrinkingsdood bij Moerdijk in 1711 van Johan Willem FRISO was reorganisatie van de landsverdediging nodig). Bij huwelijk december 1704 met Yda RECALF is commies Johannes POUTSMA 18j en Yda 15j jong. Zij is geboren (doop) te Bergum 20-10-1689, dv Jacobus RECALFF, dan grietenij-secretaris van Tietjerksteradeel, en Anna van RHALA (in trouwregister Lwrd staat “Anna VAN RHODA”). Yda overlijdt 13-10-1718, bijna 29j oud. Uit haar huwelijk met Johannes POUTSMA (eerst commies, na 1711 ritmeester) zijn mogelijk zes kinderen geboren: 1. Saapke, doop Bergum 2-5-1706 2. Jacobus, doop Bergum 2-10-1707 3. Anna Cornelia, doop Bergum 21-10-1708 4. Anna Cornelia (geen doopboek) 19-8-1710, ovl Bergum 1752 (?) 5. Odilia Sophia (geen doopboek) 6-7-1711 6. Petrus Johannes (geen doopboek) ca 1713, ovl Bergum 1723 (?). Noot: De vader, ritmeester Johannes POUTSMA ook overleden 1723.
Bij huwelijk 3-12-1719 met Aurelia HAERSMA is (inmiddels ritmeester) Johannes POUTSMA ca 33j oud en Aurelia 37: doop Auckien Leeuwarden 4-1-1682 (ovl Oostermeer 1761, 79j oud, begraven Oostermeer 15-6-1761), dv Ericus HAERSMA en Anna Clara CANTER. Of Aurelia eerder getrouwd is geweest, weet ik nog niet. Misschien niet. Wel is bekend dat zij dochter is van Ericus (oa burgemeester van Harlingen), broer van Saepcke HAERSMA, moeder van ritmeester Johannes POUTSMA. Aurelia (Auckien) en Johannes zijn neef en nicht van elkaar. Uit de stemkohieren van 1728 is af te leiden dat uit de combinaties POUTSMA/BAERDT, de RECALF-connectie (“voorkinderen” van de in 1723 overleden ritmeester Johannes) en de dubbele HAERSMA-connectie (via Saepcke, moeder van Johannes, en Ericus, haar broer en de vader van Aurelia) aanspraken op tientallen stemhebbende plaatsen te Friesland volgden voor erven van de ritmeester. Afwijkend voor kinderen uit zijn eerste huwelijk (RECALF-connectie) en die uit zijn tweede huwelijk (ERICUS HAERSMA –connectie).
Kinderen uit huwelijk van ritmeester Johannes POUTSMA en Aurelia (van) HAERSMA:
1. Eritia Clara POUTSMA, doop Oostermeer 5-10-1721
2. Petrus Johannes POUTSMA, doop Oostermeer 28-4-1723, ovl Driesum (Dantumadeel) 2-9-1780, 57j oud, wordt in 1746 aangesteld tot grietenij-secretaris van Dantumadeel, tr (1) met Sjoerdtje VAN IDSINGA (ondertrouw Harlingen 25-10-1748) en (2) met Elske VAN VIERSSEN (ondertrouw Lwrd 21-5-1773, huwelijk Driesum 6-6-1773).
— Bij huwelijk met Elske is de grietenij-secretaris POUTSMA 50 en Elske VAN VIERSEN 51, doop Leeuwarden 30-7-1721, dv Willem Livius VAN VIERSEN, kolonel in leger van de Prins, en Christina VAN SCHELTINGA. Elske is weduwe van Cornelius Livius VAN BOURICIUS, met wie ze Hardegarijp (Titejerksteradeel) trouwde 20-9-1739, zij van Hardegarijp, hij van Leeuwarden en luitenant te paard van de Prins van Oranje Nassau.
— Sjoerdtje VAN IDSINGA, met wie de grietenij-secretaris in 1748 trouwt, hij 25, zij 28, is een nichtje van hem, dv Sjoerdtje VAN HAERSMA, de oudste zus van zijn moeder Aurelia, en van Arnold Mathijs VAN IDSINGA, secretaris van de stad Harlingen. Zij wordt 26-11-1719 te Harlingen gedoopt en wordt laatste kind van Sjoerdtje HAERSMA die 10 dagen hierna overlijdt (mogelijk grote kraamproblemen en daarom vernoeming Sjoerdtje).
— Uit huwelijk van Petrus Johannes POUTSMA en Sjoerdtje VAN IDSINGA zijn (dopen Rinsumageest-Hardegarijp) minstens 8 kinderen geboren, van wie diverse jong gestorven: - 1. Aukjen, doop 26-10-1749 (vernoeming Aurelia?). – 2. Anna Clara, 8-8-1751 (vernoeming oma). – 3. Arnold Matthijs, 7-1-1753 (vernoeming opa). – 4. Arnold Matthijs POUTSMA, 4-8-1754 (nieuwe vernoeming opa Arnold, deze zoon blijft in leven, trouwt Syke OSINGA). – 5. Anna Klara 20-6-1756 (nieuwe vernoeming oma Anna Clara CANTER, deze dochter blijft in leven, trouwt Johannes VAN KNIJFF, erft uiteindelijk de Canter State te Driesum die onder familie DE KNIJFF wordt gerenoveerd en verder bestaan krijgt. – 6. Johanna Eritia. – 7. Johannes, 29-3-1761. – 8. Petrus Jacobus, 1-5-1763.
Van de “erven” van ritmeester Johannes POUTSMA (overleden 1723) uit diens eerste huwelijk (met Yda RECALF) is sprake in stemkohieren 1728. Uit dit huwelijk staan 8 kinderen vermeld, maar onduidelijk is wie van deze 8 in 1728 nog leefden. Het aantal lijkt beperkt. Nog aan te vullen.
Uit tweede huwelijk van de ritmeester (met Aurelia VAN HAERSMA) is een dochter Eritia geboren en de zoon Petrus Johannes POUTSMA (1723-1780) die bekend is gebleven als grietenij-secretaris van Dantumadeel (1746-1780). Hij trouwt in 1748 met zijn nicht Sjoerdtje VAN IDSINGA. In de HAERSMA-CANTER lijn krijgt zijn moeder Aurelia van haar moeder Anna Clara CANTER eigendom van het HAERSMA-goed te Oostermeer, terwijl zijzelf op het CANTER-goed te Driesum gaat wonen en daar 1724 overlijdt. Volgens stemkohieren 1728 is het goed te Driesum vermaakt aan Sjoerdtje en Geertruyd HAERSMA (of hun kinderen), want Aurelia was met Oostermeer (Haersma) al goed bedeeld? In de kohieren 1728 wordf raadsheer Titus SLOTERDIJK genoemd als eigenaar namens zijn vrouw van Driesum stem nr 5. Deze SLOTERDIJK (advocaat, Harlingse achtergrond) trouwt december 1722 met Geertruyd VAN HAERSMA die CANTER-erfrecht heeft te Driesum. Voor de stemmen 6, 7 en 8 te Driesum wordt in 1728 Arnold VAN IDSINGA, secretaris van Harlingen, genoemd als eigenaar uit naam van zijn kinderen. Hij trouwde Harlingen 19-4-1696 met Sjoerdtje VAN HAERSMA (in 1719 overleden). Hij vertegenwoordigt voor zijn kinderen uit huwelijk met Sjoerdtje de aanspraken op CANTER-state te Driesum.
In 1728 (volgens stemkohieren) is het CANTER-goed te Driesum nominaal eigendom van raadsheer SLOTERDIJK en (groter deel) van Harlingse secretaris IDSINGA. Rond 20 jaar later gaat (aangetrouwde) neef Petrus Johannes POUTSMA er wonen, zoon van Aurelia VAN HAERSMA, gehuwd met Sjoerdtje VAN IDSINGA. Het CANTER-goed te Driesum wordt zijn verblijf en laat hij na aan zijn dochter Anna Clara POUTSMA, gehuwd DE KNIJFF.
Vanuit de stemkohieren van 1728 (ritmeester Johannes POUTSMA overleden in 1723) de volgende meldingen:
Oostermeer (Tietjerksteradeel)
Nagelaten belangen in 9 stemhebbende plaatsen te Oostermeer: 5, 6, 7, 8 (voor driekwart deel), 12, 14, 25 (voor de helft), 26 (voor de helft) en 27 (voor de helft). Een grote verzameling vanuit HAERSMA en RECALF-verervingen, waarvan na 1698 mogelijk een deel was toegevoegd via niaer-recht (naastingsrecht).
Stem Oostermeer 5: Petrus POUTSMA (de “commies”) is in 1698 eigenaar en gebruiker. Voor hem en gezin was het mogelijk buitenverblijf (buiten Leeuwarden). Stem nr 5 is niet de HAERSMA-state (stem nr 1 te Oostermeer) die als buitenverblijf wordt bewoond door Ericus VAN HAERSMA, broer van Saapke VAN HAERSMA, de eerste echtgenote van Petrus POUTSMA.
— Saapke is 1692 overleden, Petrus in 1712. Hun zoon Johannes laat volgens melding tussen 1708 en 1720 een nieuw herenhuis bouwen te Oostermeer dat (ook) Haersma wordt genoemd. Dit lijkt eerder stem nr 5 dan stem nr 1 te betreffen. Maar dit is nog onduidelijk. Ericus is rond 1720 overleden. Stem nr 1 te Oostermeer (de originele HAERSMA State) wordt dan eigendom van dochter Aurelia. In stemkohieren van 1728 staat voor de HAERSMA-state (stem nr 1) dan ook mevr. Aurelia van Haersma weduwe Poutsma genoemd als eigenaar (Andries Oebeles als gebruiker). De weduwe Aurelia verkoopt de HAERSMA-state kort hierna.
— Stem nr 5 in 1728: de erven van ritmeester Johannes POUTSMA eigenaar en gebruiker.
Stemmen Oostermeer 12, 14 en 26: In 1698 Petrus POUTSMA eigenaar (14 geheel, 12 en 26 voor de helft), in 1728 de erven van ritmeester Johannes POUTSMA (12 en 14 geheel, 26 voor de helft). De helft van stem 26 is dan eigendom van de erven van Antje Van Scheltinga weduwe Glinstra. De Poutsma-helft dan met Hoeke Harts als gebruiker (in 1698 was het Hart Hendrix).
— Tussen de bestuursfamilies Glinstra-, Scheltinga, Haersma, Van Viersen enz bestonden diverse relaties. In 1728 is Antje zojuist overleden, haar man Johannes GLINSTRA (grietman van Tietjerksteradeel vanaf 1706 als opvolger van zijn vader Hector Epeusz GLINSTRA) overleed al in 1714, pas 30j oud. Antje was dochter van Livius Liviusz VAN SCHELTINGA, grietman van Achtkarspelen.
Stemmen Oostermeer 6, 7, 8, 25 en 27: Van de erven ritmeester Johannes POUTSMA, 30 jaar eerder (nog) niet van hun grootvader Petrus.
– In 1698 was stem 6 eigendom van Monsr. Pierius HAERSMA (Jan Edses gebruiker toen en in 1728).
– Stem 7 was in 1698 gesplitst eigendom (elk voor 1/3) van Jancke Aernts, Sape Hendrix (uit naam van zijn vrouw) en Eelse Hattums (uit naam van zijn vrouw), met laatstgenoemde als gebruiker voor het geheel. In 1728 is het geheel eigendom van de POUTSMA-erven en is (stief)moeder AURELIA VAN HAERSMA gebruiker.
– Stem 8 is in 1728 voor ¾ eigendom van de ritmeester-erven, met Wytse Fockes als eigenaar voor ¼ en gebruiker voor het geheel, naast Eelse Hattums als gebruiker (zie 1698 bij stem 7). In 1698 was Focke Wytses eigenaar en gebruiker voor ¼ van stem 8, zo ook Ritske Ropkes. Harmen Willems was toen gebruiker van de helft die toebehoorde aan oud-secretaris RECALF. De erven zijn de kinderen uit het eerste huwelijk van Johannes POUTSMA, diens huwelijk met Yda RECALF. – De ritmeester-erven van 1728 zijn voor de helft eigenaar van stem 25 die in 1698 voor de helft eigendom was van oud-grietman Arnoldus VAN HAERSMA. Gebruiker van diens helft was toen de weduwe van Douwe Jochums. Zowel in 1698 als in 1728 is Hendrik Rienks eigenaar (in 1698 uit naam van zijn vrouw) en gebruiker van de andere helft. – Stem 27 te Oostermeer is in 1728 voor de helft eigendom van de ritmeester-erven (gebruiker Sybren Alles), met Claes Halbes als eigenaar en gebruiker van de andere helft. Deze plaats was in 1698 al gehalveerd (met andere eigenaren).
Eestrum (Tietjerksteradeel) In dit buurdorp, noordelijk van Oostemeer, laat ritmeester Johannes POUTSMA zijn kinderen belangen na in stemhebbende plaatsen, deels voortkomend uit zijn huwelijk met Yda RECALF, deels uit zijn huwelijk met Aurelia VAN HAERSMA. De erven zijn niet steeds dezelfde. Zijn “Recalf”-kinderen hebben andere aanspraken dan zijn “Haersma”-kinderen. Nalatenschap te Eestrum deels ook op naam van Aurelia. Stemmen Eestrum 1 en 2: In 1728 eigendom van ritmeester-erven (Sjoerd Hendriks gebruiker op beide plaatsen). In 1698 eigendom van oud-secretaris RECALF, Hessel Jans toen gebruiker op beide plaatsen. Stem Eestrum 4: Deze plaats staat in 1698 op naam van de commies Petrus POUTSMA uit naam van zijn twee dochters bij Saapke HAERSMA. Merkwaardig dat hier niet de zoon Johannes uit het huwelijk wordt genoemd. In 1728 staat Eestrum stem 4 op naam van Aurelia VAN HAERSMA uit naam van haar zoon (gebruiker Sije Roels), zij weduwe van ritmeester Johannes POUTSMA. Aurelia was nicht (tantezegster) van Saapke. Waarom enkel dochters vermeld is nog raadsel. Stem Eestrum 5: In 1698 eigendom (elk voor een kwart) van Goffe-kinderen. In 1728 eigendom van Aurelia VAN HAERSMA weduwe POUTSMA uit naam van haar zoon (gebruiker Sije Roels). Stem Eestrum 8: In 1698 eigendom van Monsr. Pierius HAERSMA (gebruiker Pyter Wolters), in 1728 eigendom van Aurelia VAN HAERSMA wed POUTSMA (Johannes Jeens gebruiker). Stem Eestrum 13: In 1698 eigendom van Ritske Harmens, in 1728 van Odilia POUTSMA, gehuwd met Harmannus DROGENHAM (dit bericht past niet hier). Stem Eestrum 21: In 1698 eigendom van Gerbens-familie, in 1728 van Aurelia VAN HAERSMA wed POUTSMA, uit naam van haar zoon (Claas Hendriks gebruiker). Stem Eestrum 23: In 1698 eigendom van oud-secretaris RECALF, in 1728 van erven ritmeester Johanns POUTSMA (weduwe Jochum Roels gebruiker).
Bergum (Tietjerksteradeel)
De erven van ritmeester Johannes POUTSMA zijn in 1728 eigenaar van stemmen 28 en 41 te Bergum, zoals oud-secretaris RECALF dat in 1698 was. En van de helft van stemmen 11 en 21 te Bergum, zoals idem. De POUTSMA-erven zijn dus de kinderen uit eerste huwelijk van Johannes, het huwelijk met Yda RECALF.
In 1698 was de oud-secretaris RECALF eigenaar en gebruiker van stem 28 (hij woonde daar is de aanname), op stem 41 was Jan Minnerts gebruiker. In 1728 is jonkh Willem Hendrick VAN HIEMSTRA gebruiker op stem 28 (niet eigenaar) en Jan Claassen gebruiker op stem 41.
Eigendom van stem 11 is in 1698 al gedeeld: half van oud-secretaris RECALF, andere helft van burgemeester Jacobus RECALF (Sjoerd Douwes gebruiker). De ritmeester-erven erfden deel van de oud-secretaris, terwijl deel van de burgemeester overging naar de broers Ate en Hendrik CLOOSTERMAN (ook gebruikers van het geheel in 1728).
Evenzo was eigendom van stem 21 in 1698 al gedeeld: ene helft van de oud-secretaris RECALF, andere helft van de oud-burgemeester RECALF (Jan Goffes gebruiker voor het geheel). In 1728 is deel van de oud-secretaris eigendom van de ritmeester-erven en deel van de burgemeester eigendom van Jacobus FENEMA (Popke Goitses gebruiker voor het geheel).
— Oud-secretaris RECALF en burgemeester RECALF waren naaste familie. Jacobus FENEMA is grietenij-secretaris van Dantumadeel 1693-1737, in 1702 getrouwd met Saske RUDOLPHI, mogelijk dv Rudolphus Petri (kw 824) en Aurelia BECHIUS (kw 825).
Suameer (Tietjerksteradeel) Zuidelijk van Bergum, aan westkant van Bergumer Meer. In 1728 ritmeester-erven genoemd als eigenaren van de stemhebbende plaatsen Suameer 1 (Hedser Popkes als gebruiker) en 29 (Sybren Jelles als gebruiker). Weer gaat het om nalatenschap van oud-secretaris RECALF. In 1698 is hij eigenaar van Suameer 1 (Edse Jacobs huurder) en Suameer 29 (weduwe Heere Symens gebruiker). Het goed is in 1728 toegevallen aan de kinderen van Yda RECALF (bij ritmeester Johannes POUTSMA.
Suameer stem 23 is ook in de familie maar niet van de ritmeester-erven, voorzover in RECALF-lijn. In 1698 eigendom van Pierius HAERSMA (Sjoerd Annes en Feicke Annes gebruikers). In 1728 (Haring Melles gebruiker) gedeeld eigendom van mevr Aurelia VAN HAERSMA wed POUTSMA “uit naam van haar zoon”, en burgemeester Everhardus WIELINGA “uit naam van zijn kinderen”.
— Suameer 23 is dus in de HAERSMA-lijn. De zoon van Aurelia is Petrus Johannes POUTSMA (uit HAERSMA-huwelijk van de ritmeester) en de kinderen van burgemeester WIELINGA zijn uit diens huwelijk met Sjoerdje (Suffrida) HAERSMA, zuster van Aurelia.
De erflater was (oud)oom Pierius HAERSMA.
Garijp (Tietjerksteradeel) Ritmeester Johannes POUTSMA laat zijn erven belangen na in 7 stemhebbende plaatsen te Garijp. De erven zijn de nagelaten kinderen uit zijn eerste huwelijk. De genoemde plaatsen (1728) waren in 1698 eigendom van oud-secretaris RECALF: stemmen 19, 25, 37. 38, 41 (toen voor ¾) en 46. Alle plaatsen aan pachtboeren (gebruikers) verhuurd.
Giekerk (Tietjerksteradeel)
Stem 18 te Giekerk is in 1698 voor de helft eigendom van Henricus RECALF uit naam van zijn vrouw, en voor de andere helft van raadsheer Matthias VAN VIERSEN uit naam van zijn vrouw.
Het gaat hier om de State POELZICHT die kennelijk eigendom is van de erven RHALA, want de vrouw van Henricus RECALF, ontvanger-generaal der lijfrenten, is Anna Cornelia (van) RHALA, en de vrouw van raadsheer Matthias VAN VIERSEN is Ida Margaretha (van) RHALA. In 1728 zijn de erven van ritmeester Johannes POUTSMA eigenaar voor de ene helft en is dr. Franciscus FRISIUS eigenaar voor de andere helft. Laatstgenoemde is in 1738 eigenaar voor het geheel. (“Poelzicht” wordt in de eeuwen erna gerenoveerd, afgebroken, vervangen door moderner bouwsel, villa gemaakt etc. Rond 1985 werd aan de villa een “koninginnekamer” toegevoegd, voor het geval koningin Beatrix er zou komen logeren: oud-VVD-leider Hans Wiegel was Commissarie van de Koningin te Friesland geworden en had “Poelzicht” als woning gekozen (later verhuisde hij naar Smalle Ee)).
In zijn overzicht “Stinsen in Friesland” begint Leemburg met “Poelzicht” als eigendom van de erven RHALA rond 1700. Geen informatie over daarvoor. Hij stelt dat in 1708 Petrus POUTSMA er gaat wonen (de commies) en dat Poelzicht na diens overlijden in 1713 eigendom wordt van Johannes POUTSMA (de ritmeester) via diens huwelijk met Ida RECALF, “dochter van Anna Cornelia RHALA”. Johannes en Ida gaan er niet wonen maar verhuren de plaats aan “mr SCHULTING, raad-ordinaris voor het Hof van Friesland” (mr Johan Hendriks SCHULTENS zal zijn bedoeld).
— Als Ida/Yda dochter was van Anna Cornelia RHALA, dan niet uit haar huwelijk met Henricus RECALF (ontvanger-generaal) want dat is van 7-2-1695. Maar uit het huwelijk met Jacobus RECALFF (grietenijsecretaris van Tietjerksteradeel) van februari 1688: Anna VAN RHODA te Leeuwarden zal Anna VAN RHALA moeten worden gelezen.
— Mogelijk was Philippus RHALA, in de periode 1653-1660 grietenij-secretaris van Tietjerksteradeel, ovl te Bergum in maart 1664, de grondlegger van het buiten “Poelzicht” te Giekerk. En waren rond 1700 de zussen Anna Cornelia RHALA en Ida Margareta RHALA, dochters uit zijn huwelijk met Romelia FOCKENS, de enige resterende erven.
Giekerk ligt in de noordwestelijke punt van grietenij Tietjerksteradeel, verder weg van Bergum (hoofddorp van Tietjerksteradeel) dan van Leeuwarden (hoofdstad van Friesland). Het is een van de dorpen in de Trynwâlde (Oudkerk, Oenkerk, Giekerk) ten oosten van de Dokkumer Ee, op een langgerekt “zandeiland” tussen kleiland in het westen, laagveen in het noorden en oosten, poelen in het zuiden. De RHALA-naam is verbonden aan Oudkerk/Wyns. Na overlijden van “ontvanger” Johannes Henrici RHALA, ontvanger voor de (ex) kloostergoederen, in 1624, laat hij een goed van 55 pondematen te Wyns na. Mogelijk RHALA-bezit (zie de noten). Johannes’ zoon Henricus RHALA studeert filosofie en rechten te Franeker, Marburg, Heidelberg en Basel. Aan de Zwitserse universiteit promoveert Henricus tot doctor. Daarna wordt hij advocaat voor het Hof van Friesland te Leeuwarden en vanaf 1618, hij is dan 28, professor/lector aan de universiteit van Franeker (filosofie/geschiedenis/rechten) tot zijn vroege dood in 1640.
De professor Henricus RHALA is ca 1625 getrouwd met Anna DUIRCOOP, afkomstig uit Embden (havenstad in Oost-Friesland, Duirsland), dv een ambtuman (bestuurder). Over haar en voorfamilie geen directe gegevens. Mogelijk is zij ca 1603 geboren, zeker is dat zij 3-12-1665 is overleden. Volgens grafzerk in Martinikerk te Franeker 62j oud geworden: “Den 18 Novemb. 1640 is gestorven Henricus Rhala, de beijden rechten doctor ende Professor in de Universiteit tot Franeker, out 49 jaren. Den 3 Decemb. 1665 is gestorven Anna, sijn huisvrouw, out 62 jaer, en leggen hier begraven.”
Gegevens vanuit stemkohieren Giekerk 1698 en 1728 betreffende stem 18 aldaar (huize POELZICHT) wijzen op allerlei verbindingen op bestuurlijk niveau tussen regionale familienetwerken. Bezitsaanspraken worden verhuwelijkt, vererfd, gegund op naam van afkomst en “historische” reputatie. De RHALA-lijn stopt “erfrechtelijk” rond 1700 doordat enkel twee nadochters RHALA dan als erfgenaam zijn overgebleven (Anna en Ida). Hun aanspraken verdwijnen al weer snel (door verkoop) en daarna volgend verhaal.
Oenkerk (Tietjerksteradeel) De stemhebbende plaatsen 3 en 4 te Oenkerk waren in 1698 eigendom van commies Petrus Poutsma (gebruiker Jetse Martens) en zijn in 1728 eigendom van de erven van ritmeester Johannes POUTSMA (gebruiker Pybe Andries). Daarnaast zijn die erven in 1728 eigenaar van de stemmen 10, 12 en 16 te Oenkerk. Op stem 16 is Gerben Rienx gebruiker, deze plaats was in 1698 eigendom van oud-secretaris RECALF. Op stemmen 10 en 12 is Andries Andries gebruiker. Stem 10 was in 1698 eigendom van prof. Matheus stem 12 van de weduwe Jacob Pyters uit Jelsum.
Eernewoude (Tietjerksteradeel)
Ritmeester Johannes POUTSMA laat zijn erven deelbelangen na te Eeernewoude bij stemhebbende plaatsen 5 (17/18 deel), 8 (1/6 deel) en 9 (1/2 deel).
De erven zijn eigenaar van vrijwel de gehele stem 5 (weduwe Pieter Bonses is gebruiker). Het 1/18 deel is eigendom van oud-kolonel Cornelis VAN SCHELTINGA uit naam van zijn kinderen. In 1698 is 17/18 deel eigendom van oud-secretaris RECALF (Lolke Wybes gebruiker) en 1/18 deel van oud-grietman Arnoldus VAN HAERSMA. Het partje van de oud-grietman was voor 1728 eigendom van de kinderen van de oud-kolonel geworden.
— Door diens huwelijk. Nog aan te vullen.
De ritmeester-erven zijn 1728 eigenaar van de helft van Eernewoude stem 9. Ook dit is het deel van oud-secretaris RECALF in 1698. De andere helft staat in 1698 op naam van oud-grietman Hector VAN GLINSTRA en in 1728 op naam van Johanna VAN VIERSEN wed GLINSTRA. In 1698 staat Naentie Siercx als boer op de plaats vermeld (gebruiker), in 1728 worden Otto Baukes en Dirk Jans als gebruikers gemeld. De plaats kan inmiddels door aparte huurcontracten per eigenaar zijn gesplitst.
De ritmeester-erven zijn 1728 eigenaar voor 1/6 deel van Eernewoude stem 8. Alweer het aandeel dat oud-secretaris RECALF in 1698 al bezat. De namen verder zoals bij stem 9: majoor Hector VAN GLINSTRA in 1698 eigenaar van de helft, in 1728 Johanna VAN VIERSEN wed GLINSTRA. En in 1698 oud-grietman Arnoldus VAN HAERSMA eigenaar van de rest (1/3 deel), in 1728 Cornelius VAN SCHELTINGA voor dat deel. In 1698 Lieuwe Claeses en Hendrik Saekes genoemd als pachtboeren (gebruikers) voor afzonderlijke delen. In 1728 Claas Lieuwes en Johannes Keimpes. Meer toe te voegen.
Suawoude (Tietjerksteradeel) Dorp aan de Wijde Ee, westelijk van Bergum/Suameer, met Garijp ten zuiden en Tietjerk ten noorden ervan. Ritmeester-erven in 1728 genoemd als eigenaar van Suawoude stem 11 (Roel Jochums gebruiker). Deze plaats uit nalatenschap van oud-secretaris RECALF die het eigendom heeft in 1698 (Bottie Olpherts gebruiker).
De vrij jong overleden ritmeester Johannes POUTSMA (overleden 1723, kinderen uit eerste huwelijk met Yda RECALF en zoon uit tweede huwelijk met Aurelia VAN HAERSMA) liet zijn kinderen eigendomsaanspraken na op heel wat stemhebbende plaatsen in Tietjerksteradeel FR. Omdat zijn echtgenotes erfden vanuit families met grond- en plaatsbezit vooral. Maar ook omdat hijzelf`ambitieus was en aanspraken vergaarde. Al heel jong door zijn vader op te volgen als commies-generaal in de rekenkamer van de Staten van Friesland (zo komt het voor) en ook heel jong (1704) te trouwen met Yda, dochter uit bestuurdersfamilie RECALF. Na overlijden van Yda met Aurelia, dochter uit de HAERSMA-familie van bestuurders, grootgrondbezitters, Friese “landadel”. De bezitsaanspraken na zijn overlijden in 1723 van zijn in 1728 nog jonge kinderen uit twee huwelijken op stemhebbende boerderijen/plaatsen her en der in Friesland zijn tekenend. Het grootste deel van die aanspraken betreft stemhebbende plaatsen binnen de grietenij Tietjerksteradeel (Friesland). Het al relatief grote aantal aanspraken daar heeft nog aanvulling elders (stemkohieren). Buiten Tietjerksteradeel zoal het volgende.
Huizum (Leeuwarderadeel) Huizum stem 16 in 1728 gemeld als eigendom van de erven van ritmeester Johannes POUTSMA (Reyner Bockes gebruiker). In 1698 is oud-secretaris Jacobus RECALF eigenaar van deze plaats (dan ook Reyner Bockes als gebruiker). – Raadsheer KNOCK en ontvanger WIELINGA in 1728 vermeld als curatoren.
Grouw (Idaarderadeel) Grouw stem 7 (in 1698 “Oetsma” genoemd, groot ongeveer 80 pondematen, schiet 9 floreen 15 stuivers) is dan eigendom van Hendricus RECALF te Bergum “uit naam van zijn vrouw” en raadsheer Matthias VAN VIERSEN “uit naam van zijn vrouw” (Tjomme Tjeerds gebruiker). In 1728 is oud-raadsheer Johan Hendrik SCHULTENS eigenaar van de helft (VAN VIERSEN-deel) en zijn Ritmeester Johannes POUTSMA kinderen (curator: burgemeester WIELINGA) eigenaar van de andere helft (RECALF-helft). Sjoerd Gabes gebruiker.
Akkrum (Utingeradeel) Erven of voorkinderen van ritmeester Johannes POUTSMA eigenaar van stem nr 4 te Akkrum (Pyter Jelles gebruiker) in 1728. In 1698 is Akkrum stem nr 4 eigendom van oud-secretaris C. RECALF (Jelle Pyters gebruiker).
Oldeboorn (Utingeradeel) In 1728 is Oldeboorn stem 31 eigendom van de erven ritmeester Johannes POUTSMA (gebruikers Carst Jans en Cornelis Harmens). Dit was in 1698 eigendom van oud-secretaris RECALF te Bergum (in 1698 Sierk Karstes gebruiker). De ritmeester-erven gelden te Oldeboorn in 1728 ook als eigenaren voor ½ deel van stem 74 (Gauke Hylkes gebruiker, de andere helft eigendom van raadsheer SCHULTENS “uit naam van zijn dochter”) en voor ¼ deel van stem 38. Oldeboorn stem nr 74 is in 1698 (Doeke Tettes gebruiker) gedeeld eigendom van Hendricus RECALF “uit naam van zijn vrouw” en raadsheer Matthias VAN VIERSEN “uit naam van zijn vrouw”. Vrouw in kwestie steeds RHALA-dochter. Deze twee zijn, uit naam van hun vrouw, ieder voor ¼ eigenaar van Oldeboorn stem 38, met grietman Augustus VAN LYCKLAMA “uit naam van zijn vrouw” ook voor ¼, en de kinderen en erfgenamen van L. VAN BURMANIA idem (weduwe Hendrik Joostes gebruiker). Stem nr 38 is in 1728 nog in kwarten verdeeld (Gerryt Hendriks gebruiker): erven ritmeester Johannes POUTSMA (het RECALF-kwart), grietman Lycklama a Nijeholt “uit naam van zijn kinderen” (het LYCKLAMA-kwart), raadsheer Johan Hendrik SCHULTENS “uit naam van zijn dochter” (het VAN VIERSEN-kwart), terwijl het BURMANIA-kwart dan eigendom is van de ontvanger VAN BURMANIA “met zijn 2 broeders” (3/16) en raadsheer SIXMA “uit naam van zijn dochter” (1/16). Klinkt ingewikkeld.;
Terhorne (Utingeradeel) De ritmeester-erven (zijn “voorkinderen”, dus uit huwelijk met Yda RECALF) zijn eigenaar voor de helft van Terhorne stem 5 (“een reidpolle”) en voor de helft van Terhorne stem 13. De andere helften zijn eigendom van raadsheer SCHULTENS “uit naam van zijn dochter” (Joris Sakes gebruiker op stem 5 en 13). In 1698 werden de plaatsen gedeeld door Hendricus RECALF “uit naam van zijn vrouw” en raadsheer Matthias VAN VIERSEN “uit naam van zijn vrouw”.
Uitwellingerga (Wymbritseradeel) Uitwellingerga stem 10 (“bij percelen verhuurd”) is in 1728 ook gedeeld eigendom van de ritmeester-erven en van raadsheer SCHULTENS, zoals te Terhorne. Vervolg op de situatie in 1698 toen stem 10 (“bij percelen verhuurd”) gedeeld eigendom was van de heer RECALF en raadsheer Matthias VAN VIERSEN, beiden uit naam van hun vrouw.
Oudehaske (Haskerland) Stemmen Oudehaske 49 en 51: in 1728 eigenaar kinderen van ritmeester Johannes POUTSMA bij Ida VAN RECALFF, curatoren: ontvanger WIELINGA en raadsheer KNOCK (gebruiker Harmen Freerx). In 1698 eigenaar raadsheer Matthias VAN VIERSEN uit naam van zijn vrouw Yda Margaretha VAN RHALA (gebruiker Claes Clasen).
Ureterp (Opsterland)
Ureterp stem 8 is in 1698 voor 5/12 deel eigendom van de broers Jacobus REECALF en Cornelis REECALF. Boer op hun deel is Inse Allerts. Een ander 5/12 deel is eigendom van Tjaerd VAN AYLVA, grietman over Dantumadeel (“eigenaar, met anderen”). Boer op dat deel is Roel Lyckles. De rest van de stem (2/12 deel) is eigendom van de erven van Jochum Allerts: diens “voorkind” (uit eerder huwelijk) Wytse Jochums, en kinderen uit huwelijk met Martjen Goytses, die in 1698 in de kwaliteit van moeder van en voogd over die kinderen wordt vermeld (curatoren: Oebele Bienses en Allert Barelts). Wytse Barelts wordt genoemd als gebruiker van 2/12 deel (1/6 deel). – Met deze namen lijkt eigendom en gebruik van stem 8 compleet vermeld. In het stemkohier worden echter ook nog Wybe Sytses, Alle Heynes met zijn vrouw, en Aefke Jacobs genoemd als “eigenaar en gebruiker” van partjes (niet aangegeven hoe groot).
— In 1728 worden “wijlen ritmeester Johannes POUTSMA voorkinderen” genoemd als eigenaar voor 5/12 deel van Ureterp stem 8, met de kinderen van oud-kapitein AYTSMA (weduwe Gauke Barelts als gebruiker voor 5/12 deel). Augustinus Lycklama a Nijeholt, oud-grietman van Opsterland, is eigenaar van 1/6 deel (2/12, Sytse Roels gebruiker). In het stemkohier daarnaast weer andere namen: Jacobus VAN EYK (eigenaar voor 1/12, “een huis”, Arent Johannes als gebruiker van dat huis), Sybe Sybes, Alle Reines en Jan Ales (elk eigenaar en gebruiker voor 1/12, “huis en gedeelte hornleger”) en Jan Jansen en zijn stiefzoon (eigenaar en gebruiker voor 1/12, “een huis”). Mogelijk ging het de grootgrondbezitters op afstand enkel om de (stemhebbende) landerijen. En liet men opstallen en erven (hornlegers) aan de anderen.
- Baucke Rommerts, tr december 1606, hij uit Marrum (Ferwerderadeel FR), weduwnaar van Maeicke Eeckes, met geb ca 1581 bij Leeuwarden, ovl voor 1656, gehuwd in 1606 (hij is weduwnaar van Maeicke Eeckes) met
- Trijn Claeses, afk van Franeker. geb te Franeker, ovl in 1661 te Snakkerburen bij Leeuwarden Gerecht Leeuwarden: eerste proclamatie 21-11-1606, derde proclamatie 7-12-1606: Baucke Rommerts, Marrum, en Trijn Claeses, Franeker.
Volgens Leeuwarder trouwregister van 1606 is hij van Marrum (tussen Holwerd en Ferwerd) en zij van Franeker afkomstig. Volgens genealoog Palstra (palstra.com) was Baucke Rommerts boer (huisman) en dorprechter te Lekkum, geb ca 1581, ovl voor 1656. Wanneer geboortejaar 1581 enigzins klopt, werd Baucke al jong weduwnaar in eerste huwelijk. Uit impost-register van 1579 geen “Rommert” te Marrum-Nijkerk als zijn mogelijke vader af te leiden. Tryn Claeses is volgens Palstra-melding in 1661 te Snakkerburen (tussen Leeuwarden en Lekkum) overleden. Lekkum en Snakkerburen liggen aan de Ee, direct benoorden Leeuwarden. Uit huwelijk van Baucke en Tryn is alleen zoon Rommert Bauckes (kw 1656) in meldingen (geen doopregister) terug te vinden. Hij is te Lekkum geboren ca 1610? Hij wordt in 1640 als boer (huisman) te Huizum gemeld (direct bezuiden Leeuwarden).
Ouders van: Rommert Bauckes (kw 1656)
- Jan Reijners, geb ca 1595, boer (huisman) te Pylkwier (onder Huizum, Leeuwarderadeel FR), ovl in 1666 3315.
Ouders van: Auck Jans (kw 1657)
Boer Jan Reyners overleeft zijn dochter Auck (ovl ca 1662) die eerst was getrouwd met Rommert Bauckes (kw 1656) en na diens overlijden nog enkele jaren met Bocke Wybrens. Baucke Rommerts (kw 828) uit eerste huwelijk van Auck trekt weg uit Huizum en vestigt zich te Witmarsum waar hij trouwt en als lakenkoper en bakker goed de kost verdient. Na overlijden van Jan Reyners (1666) wordt het bedrijf te Pylkwier/Huizum voortgezet, maar de eigendom raakt over nazaten verdeeld. Volgens stemkohieren 1698 is kleinzoon Baucke Rommerts te Witmarsum dan eigenaar van 2/9 deel van Huizum stem 3 en andere Reyner-nazaten delen de rest. Stemkohier 1698 Huizum (Leeuwarderadeel) Stem nr. 3, groot 84 pondematen, aantal stemmen: 1 Zakelijk gerechtigden: Baucke Rommerts, eigenaar voor 2/9 Reyner Claesen, eigenaar voor 1/9 Symen Lieuwes, eigenaar voor 10/27 Jantie Nannes, eigenaar voor 4/27 Reyner Nannes kinderen, eigenaar voor 4/27 Garrardus Oeges weduwe, gebruiker Aan die verdeling is in volgende generatie een einde gemaakt. In 1728 (stemkohieren) is Huizum stem 3 volledig eigendom van de koopman Oepke Douwes (Jenne Cornelis gebruiker).
De huisman Jan Reijners is een van onze (vele) stamovergrootvaders. Hij was boer te Pylkwier. De naam van deze buurschap bij Huizum (nu deel van Leeuwarden) is nog bewaard, geloof ik, dankzij een kanoclub die deze naam koos. Het Historisch Centrum Leeuwarden meldt een volksvertelling rond de naam (citaat): Een pylk is Fries voor pen, de slagveder van een vogel, en tevens (voor) een pijl. Nabij het dorp Huizum staat een boerenhuis dat Pylkwier heet. In den overouden tijd kregen eens twee reuzen twist en dezen zouden zij beslechten door een tweegevecht. Vuurwapenen waren er toen niet, men zoude elkander beschieten met pijl en boog en wie doodgeschoten werd zou het verloren hebben. Volgens gemaakte overeenkomst nam de een plaats op de Oldehoof te Leeuwarden en de ander op den Domtoren te Utrecht. Zij schoten, maar door den sterken wind kwamen beide pijlen terecht op de plaats waar nu het huis staat, dat naar deze geschiedenis den naam heeft ontvangen van Pylkwier. Toen er nog eene schuur bij stond had deze als windwijzers een paar pijlen. Of dit verhaal al bekend was aan stamovergrootvader Jan Reyners boer te Pylkwier weet ik niet. Dat de ene reus vanaf de Utrechtse Domtoren de pijl afschiet die vrijwel tot Leeuwarden komt en de andere zijn pijl maar enkele kilometers bezuiden Leeuwarden weet te schieten, zodat beide pijlen te Pylkewier belanden.
- Pytter Broers, geb ca 1610, ovl ca 1690, (meester-bakker?)
- Foeckien Intes
Ouders van: Broer Pytters (kw 1660), geb ca 1638, ovl voor 25-1-1681.
In PALSTRA-genealogie de aantekening dat Pytter Broers in 1690 te Witmarsum (Wonseradeel, FR) woont en de melding van Foeckien Intes als zijn echtgenote. Waar deze info vandaan komt moet nog blijken. In 1690 is Pytter 70-80j oud, en is zoon Broer Pytters al overleden. Deze vermeld als bakker (meester-bakker) te Tsjum (Franekeradeel) 1662-1680. Vanaf Broer volgende generaties via diens zoon Sybren Broers (kw 840) van meester-bakkers te Witmarsum. Mogelijk was ook Pytter Broers al bakker van beroep.
In 1698 (stemkohieren) zijn Sybren Broers en Broer Pyters kinderen mede-eigenaar van de grote plaats Stem 23 te Oosterlittens (Baarderadeel FR), ten oosten van Tsjum. Sybren als volwassen zoon eigenaar van 7 pondematen (het gehele goed is 96 pondematen groot). Voor de “Broer Pyters kinderen”, mogelijk jongere kinderen (dan Sybren) van Broer Pytters, treedt Hylcke Ymes te Rauwerd op als bewindvoerder (“eigenaar met 4 familieleden” van 12 pondematen). Mogelijk was hij een oom van deze kinderen en was Broer Pytters niet het enige kind uit huwelijk van Pytter Broers. Genoemde Hylcke Ymes is in 1698 boer op Rauwerd stem 19 (eigendom van de grietman jonkh Taco VAN BURMANIA) en trouwde Rauwerderhem (gerecht) 11-2-1674 met Jeltje Pytters. Zij afkomstig van Grouw. Als mede-eigenaren van Oosterlittens stem 23 worden in 1698 ook Matheas Pyters te Grouw, en Doeckle Pyters te Grouw genoemd. Geen familie.
3324. Ulbe Doeckles, geb ca 1595 te Oosterlittens (?, Baarderadeel, FR), ovl te Arum (Wonseradeel, FR) voor 1638 3325. Eelck Lolckes, geb ca 1600 (te Minnertsga?, Barradeel FR), ovl voor 1673 te Arum (mogelijk ook rond 1640)
Ulbe Doeckles is, vermoedelijk rond 40j oud, te Arum overleden. In ieder geval zijn moeder Jouck Djurredr (kw 6649) was toen nog te Oosterlittens (Baarderadeel, FR) in leven, en mogelijk ook vader Doeckle Oenes (kw 6648) nog. Zij hadden te Oosterlittens boerenbedrijf (ANGEMA?). Ulbe begint te Arum. Wanneer zijn ouders te Oosterlittens overlijden (1641/42), kan hij daar bedrijf niet voortzetten, omdat hij al enkele jaren daarvoor overlijdt. Eelck Lolckes, genoemd als dv Lolcke Jans (kw 6650), broer van Hessel Jans (kw 6652).
Kinderen uit huwelijk van Ulbe Doeckles en Eelck Lolckes:
Doeckle Ulbes, geb ca 1630, ovl na 1698, landbouwer te Witmarsum (bij Arum), in 1698 vermeld als mede-eigenaar (voor een tiende deel, 8 ¾ pondematen) van Oosterlittens stem 23, en gebruiker voor het geheel van Witmarsum stem 23, groot 97 pondematen en 4 einsen en eigenaar van 56 pondematen hiervan. Eigenaren van andere delen zijn erfgenamen van oud-schepen Tania te Leeuwarden (19 pondematen), de weduwe van Jacob Jacobs te Wons (16 pondematen) en de kinderen van Joecke Gerbens te Noordhorn in Groningerland (6 pondematen, 4 einsen).
— Geen meldingen van huwelijk en dopen. In 1728 (stemkohieren) zijn de erven van Jansen DOEKLES eigenaar van 25 pondematen 1,5 einsen, van Witmarsum stem 23. Deze “Jansen” zal Janke DOEKLES zijn, dv Doeckle Ulbes. Janke (indien dit dezelfde is), trouwt 23-11-1685 te Baard (Baarderadeel FR), zij afkomstig van Witmarsum, hij van Baard, met Sierk Sikkes. Nog na te gaan.
Jouck Ulbes, dochter, geb ca 1630, trouwt ca 1656 met Sjoerd Tjercks HOYTINGA, zv boer en bijzitter (mederechter van Wonseradeel) Tjerck Sjoerdts HOYTINGA (ook: HOITINGA). Jouck Ulbes te Arum in stemkohier 1698 zoals broer Doeckle vermeld als mede-eigenaar (voor een tiende deel, 8 ¾ pondematen) van Oosterlittens stem 23. Door haar huwelijk met een HOYTINGA raakte Jouck verbonden aan familie met grootgrondbezit, vooral te Arum (in 1698 mede-eigenaar in 6 stemhebbende plaatsen daar). Is nog aan te vullen.
Lolcke Ulbes (kw 1662), geb ca 1630, ovl Dronrijp (Menaldumadeel FR) 30-6-1692, rond 60 jaar oud, trouwt ca 1650 met Bauck Lolckes, verhuist van Arum naar Dronrijp, waar hij boer wordt op de HOMMEMA-zathe.
— Bauck Lolckes is kleindochter van Hessel Jans, broer van Lolcke Jans, de vader van Eelck Jolckes, de moeder van Lolcke Ulbes. Een verre verwantschap.
- Lolcke Hessels, geb ca 1588
- Dieuwer Dircks, ovl voor 1673
Ouders van: Bauck Lolckes (kw 1663) Documentatie, voorzover vindbaar, nog aan te vullen. Volgens suggestie bij Palstra is Lolcke Hessels voor 1624 te Minnertsga (Barradeel FR) overleden. De inschatting dat dochter Bauck Lolckes geboren is ca 1626 te Minnertsga strookt niet met deze melding. Goed: bij een inschatting hoort een marge. Documentatie van rond 1620 is schaars of ontbreekt.
De dochter trouwt ca 1650 met verre neef Lolcke Ulbes (kw 1662) en wordt met hem boerinne op de HOMMEMA-zathe te Dronrijp. Kinderen uit het huwelijk gaan HOMMEMA heten. De moeder van Lolcke Hessels was een BONNEMA (niet te Dronrijp).
d) SCHIPPERS-kwartier (Friesland) Slechts enkele snippers. Over vroege voorouders binnen dit kwartier (weinig tot} niets bekend. Uiteraard hebben ze wel bestaan. Maar niet gedocumenteerd gebleven.
- Jan Meinesz, geb. ca 1590, trouwt met
- Trijn Michielsdr Uit dit huwelijk: Roeloff Jans (kw 2024).
Jan Meinesz en zijn schoonvader Michiel Hannes (kw 8098) worden in SintJohannesga vermeld. Het kan zijn dat men van daaruit naar het nabij gelegen Rottum vertrok. Aan te nemen is dat zij als boer (huisman) werkzaam waren.
- Bonne Jeipsz
- Geeske Jansdr Uit dit huwelijk: Lolcke Bonnes (kw 2032).
Bonne Jeipsz is waarschijnlijk rond 1590 geboren. Hij is eerst getrouwd met Foock Jansdr die te Nijbrongerga overlijdt. Geeske Jansdr is ook nog getrouwd geweest met ene Claes Jansz die te Ter Idzard (Weststellingwerf, FR) is overleden.
Deze Reinu komt als dochter voor in enkele genealogieen. Te Oostermeer wordt 29-5-1642 een Reinu gedoopt, kind van Sioerdt Jelgerts. Er staat niet bij dat het een doop op belijdenis was. Onze Sjoerd en vrouw Trijn zijn dan al hoogbejaard of reeds overleden. Onwaarschijnlijk dat deze Reinu een dochter van hen is geweest. Over haar geen verdere meldingen.
Kwartierstaat Kim Dijkxhoorn: ondertrouw 13-10-1584 te Delft, gehuwd op 1-11-1584 te Delft (Gerecht).
Haar ouders woonden 1578 te Benthuizen, maar eerst te Delft? Misschien is ze te Delft gedoopt.
“Ons Voorgeslacht” 1967, blz 27.
Zoon Abraham is stamgrootvader in onze kwartierstaat, zoon Gabriël is stamgrootvader in de kwartierstaat Dijkxhoorn.
Buisman IV 489 vat samen: “Frederik Hendrik tobt al jaren met flerecijn (jicht) en andere kwalen en takelt zo af, dat hij nauwelijks meer kan spreken. Hij overlijdt op 14 maart 1647 en is dan 63 jaar oud. Het Huis ten Bosch is in aanbouw.” Dichter en geschiedschrijver P.C.Hooft is 66 en ook ziekelijk. Hij is op 10 mei in Den Haag voor de begrafenis van Frederik Hendrik. Hooft overlijdt er op 21 mei 1647. Hij wordt in Amsterdam (Nieuwe Kerk) begraven.
Genealogie van Pieter de Bije (Angelfire).
Hij was weduwnaar van Pleuntje Jacobsdr BOVENWATER., die 28-2-1590 te Zoetermeer werd gedoopt en daar dus voor 1623 overleed, hoogstens 33 jaar oud.
Genealogische website van Daan den Hengst.
Kwartierstaat Van der Krogt.
Trijntje MOLENWERF huwde na overlijden van Joost Jans VOS DE HOOGWERF met Pieter Pietersz ‘T HART, weduwnaar van Maartje Jans VOS DE HOOGWERF, zus van Joost.
Of 15-6-1607 (kwartierstaat Kim Dijkxhoorn).
Genealogische homepage van Hendrik van der Spek. Met doopdata van dochters Trijntje en Maartje is iets vreemds aan de hand.
In index: “Opm 36. Haar vader NB”.
Tammerus Gerardi POUTSMA is dominee te IJlst 1605-1644. Een doopregister te IJlst is eerst vanaf 1638 bewaard. Zijn kinderen zijn allen voor 1630 geboren. De geboortedata van kinderen hierboven vermeld, heb ik gehaald bij andere bronnen en of die juist zijn heb ik niet kunnen nazoeken.
— De BAERDT-naam had ook reputatiebelang (raadsheren en grietmannen in directe familie).
In Urker genealogieën melding over haar kinderen en verder nageslacht. De CANTOR-naam is te herleiden naar onderwijzersberoep en voorzangerfunctie in de kerk.
Abraham trouwt met Sara. Lees bijbelboek Genesis (grap). Zij trouwen te Britsum en de enige denkbare reden daarvoor is dat Antonius Petri daar sinds begin 1649 dominee is. De jonge zwager van Abraham, gehuwd met diens zuster Jancke Tammeri BAERDT, verzorgt graag de huwelijksdienst in “zijn” kerk te Britsum. En zo gebeurt: ondertrouw Leeuwarden 18-8-1649, attestatie vanuit Leeuwarden 25-8-1649, huwelijksbevestiging Britsum 26-8-1649.
Hij is de jongste zoon (Benjamin) in het gezin, maar krijgt Abraham-naam (aartsvader).
In doopboek Herv Gem Leeuwarden vermeld: Claes, zv Johannes Niclaes, doop 21-5-1641. Mogelijk dezelfde. Bij POUTSMA-family wordt voor hem 20-11-1641 als geboortedatum genoemd, dat klopt dus niet met doopboek voor genoemde Claes.
Volgens POUTSMA-family: “Saapke Nicolaas VAN WIERSMA”, geb Kollum 1645. Er zijn geen registermeldingen. Wel is in 1698 Nicolaus POUTSMA, weduwnaar van Saapke, eigenaar van stem 18 te Kollum Turpmacluft, en in 1728 de dochter Juffr. Eelkjen POUTSMA.
Het bezit van een “stemhebbende” boerderij was indertijd van belang omdat het de toegang gaf tot kiesrecht bij politieke kwesties. Johannes NICOLAI en zijn zonen hadden politieke functies en konden het stemrecht goed gebruiken. De aandacht voor de POUTSMA-zate als “stem” werd wel minder belangrijk doordat al in 1698 Nicolaus POUTSMA (en zeker zijn jongere broer Petrus POUTSMA) geheel of deels eigenaar waren van “stemhebbende” plaatsen, minder afgelegen dan de zate te Wierum. De zatenaam POUTSMA bleef hen en hun nageslacht. De zate te Wierum is in 1728 (Nicolaus overleed in 1727) eigendom van schepen Harmanus DROGENHAM, schoonzoon van Nicolaus. Auke Jans runt (pacht), zoals in 1698, de boerderij.
In 1698 is dr. Nicolaus POUTSMA eigenaar van stem 9 te Wierum (Poutsma zate), van stem 18 te Kollum Turpmacluft en van stem 2 te Oostermeer (“voor zijn twee dochters”). Ook nog (“uit naam van zijn kinderen”) eigenaar van stem 30 te Lippenhuizen en (“uit naam van zijn vrouw”) voor 1/7 deel eigenaar van stem 12 te Lippenhuizen. Tenslotte bezit hij 4 pondematen van stem 32 te Kubaard (Hennaarderadeel) die in totaal 62 pondematen omvat. Raadsheer Hobbe Baard van SMINIA (verre famillie) is eigenaar van 21 pondematen ervan.
Volgens POUTSMA-family doop Leeuwarden 4-5-1649. Waar ze dat vandaan hebben, weet ik niet. Doop van deze Pyter of Petrus niet in doopregisters gevonden.
Het Leeuwarder begraafboek meldt begraving 9-11-1712 van Petrus POUTSMA, “de heer admiraliteytsheer”. Moet ook nog verduidelijkt worden.
Met die “verdekte wagen” (gesloten koets) was Petrus meest deftig. De “hoornse wagen” was een wat uitgebreidere versie van de “sjees”. Bij alle drie had je paarden nodig.
Data zoals in de kerkregisters vermeld. Oostermeer meldt huwelijk 23-9, terwijl Leeuwarden attestatie noteert 30-9. Hoewel Petrus POUTSMA in 1698 commies-generaal is te Leeuwarden en er in 1699 ook schepen wordt, meldt stemkohier van 1698 hem ook als eigenaar èn gebruiker van stem nr 12 te Oostermeer. Mogelijk zijn “buitenverblijf”: de HAERSMA-state te Oostermeer.
Viglius CRANS, doop Leeuwarden 23-4-1665, ovl Lwrd 11-4-1707, 38j oud, tr Franeker 10-11-1689 (otr Leeuwarden 1-11-1689), hij advocaat voor het Hof van Friesland, met Johanna SIXTI, afk van Franeker (geen doop bekend). Viglius is zv Hermanus CRANS (1635-1709) en Hiltie WIGLIUS, in 1664 gehuwd (otr Lwrd 7-5-1664), Hiltie ovl ca 8j later. Hermanus CRANS tr (2) 8-6-1674 met Jancke Andries WINDT. Hermanus vermeld als stadsbouwmeester 1672-1675, als burgemeester van Lwrd 1682-1685 en 1693-1696, als voorgd van het Stadsweeshuis, en als politiemeester. Hermanus’ vader Dirck CRAN(T)S (geb Groningen ca 1603, ovl Lwrd na 1668) was bontwerker van beroep, tr Lwrd 17-3-1633 met Rinske Geerts SAMPLONIUS, en wordt gecertificeerd koopmansbode van Leeuwarden op Amsterdam. Hun oudste zoon Petrus CRANS wordt dominee (o.a. Metslawier) heeft een zoon die dominee wordt te Gorredijk.
— Viglius CRANS was ongeveer gelijk (1697-1700) met Petrus POUTSMA schepen van de stad Lwrd, was politiemeester en hopman van de schutterij. Hij had een huis aan de Weaze en bezat volgens de vaartuigentelling van 1694 een speeljacht, waarmee hij, vrouw Johanna SIXTI en zoontje Harmannus (doop 13-3-1695) konden “spelevaren” over de Friese meren. Lwrd telde toen nog maar zo’n 20 “speeljachtbezitters” (een luxe).
Wulburt als vernoeming past in BAY-lijn. In 1627 trouwt te Leeuwarden Berberke HAERSMA met Claas Wilberts BAY. In 1665 Saepcke HAERSMA met Guilbertus BAY die 1673 overlijdt. Nicolaus DE BAY is grietenijsecretaris van Achtkarspelen FR 1663-1701 (grafzerk Buitenpost).
Over eerste bouw van een “HAERSMA-state” bij Oostermeer is onduiidelijkheid. Een versterkte state aldaar in late Middeleeuwen niet genoemd.
— In Genealogysk Jierboekje 1985 pg 58 “Haersma fan Eastermar” veronderstelt auteur R. van der Ley dat de HAERSMA-naam vanuit de buurschap De Harste bij Suameer kan komen. Hij noemt Arent Oedtses en Houck Meyertsdr (dv Meyert HARDSMA te Oostermeer) als mogelijlke voorouders, Oedts Arents HAERSMA (ovl Bergum ca 1615) als hun zoon.
— Van 1539 tot en met 1561 procedeerde (Quaclappen Hof van Friesland) Wybe Melles te Bergum, gehuwd met Saep HAERTS (in 1557 namens zijn kinderen bij wijlen Saep Haerts, in 1561 namens zijn dochter Anna), tegen de kinderen van Meyert HAERSMA (Haerts?) te Oostermeer. Geschil over erfenis?
Haar zus Tetje Wobbes getrouwd ca 1600 met Ritske Harckes (kw 2056)?
Het grote nieuws van 1711 was het verdrinken van Johan Willem Friso, 23j oud, vorst van Nassau-Dietz, “prins van Oranje” sinds overlijden van zijn kinderloze oom prins Willem III van Oranje, stadhouder in de Nederlanden en door huwelijk koning van Engeland. Koning/stadhouder Willem III benoemde Johan tot zijn erfgenaam en opvolger (in de Nederlanden). Mannelijke nazaten in rechte lijn van stamvader Willem van Oranje (“Wilhelmus van Nassauwe ben ik van Duitse bloed”) waren er er niet. Johan stamt uit de lijn van Friese stadhouders, stammend van Jan van Nassau, de oudere broer van Willem van Oranje. Door uitsterven van de Oranje-lijn (Willem-lijn) kwam de jonge Johan Willem Friso voor opvolging in aanmerking. Hij was kleinzoon van Albertine Agnes, dochter van Frederik Hendrik, jongste zoon van genoemde stamvader Willem van Oranje. Albertine (stichtser van de buitenplaats “Oranjewoud” in Schoterland FR) trouwde met haar achterneef Willem Frederik.
— Verdere info elders te vinden. In dit verband: de bestuurders in Holland en andere Nederlanden zien weinig in de puber Johan Willem Friso als “erfopvolger” van de Oranje-stadhouders. De Franse “zonne”-koning Louis IV heeft het prinsdom Oranje al geannexeerd. Het erfrecht op de Oranje-titel wordt ook door de Pruisische koning Frederik, stammend van oudere zus van Albertine Agnes geclaimd. Het verdrinken van Johan Willem FRISO juli 1711, 23j oud, hij op weg van Frankrijk (militaire gevechten) naar Den Haag (opvolgingsoverleg), leidt in de Nederlanden tot een langdurig stadhouderloos tijdperk.
— In de problematiek van toen kan de commies Johannes POUTSMA gekozen hebben voor een militaire functie. Mogelijk ca 26j oud wordt hij ritmeester bij de cavalerie “van de prins”. Die prins verdrinkt juli 1711 en de “nieuwe prins”, Willem Karel Hendrik Friso wordt posthuum geboren (1-9-1711). Ritmeester Johannes POUTSMA overlijdt in 1723.
Ter gedagtenisze van ... Everhardus Van Wielinga, j.u.d., eerst ontvanger generaal der lijfrenten, vervolgens raad ter admiraliteit, laatst mede gedeputeerde staat van Fryslandt, oud-burgemeester en vroedschap der stad Leeuwarden, overleden den 24 van slagtmaand, rouwstatelyk ter aarde besteldt den 3den van wintermaandt des jaars 1733. Leeuwarden, Tobias van Dessel, 1734. 4º: 8 p.1733, 24 november Gedicht ondertekend: R. Roukema. Zinspelingen op het treden in de voetsporen van zijn vader, op zijn 13-jarig burgemeesterschap, op zijn overlijden op ruim 55-jarige leeftijd, nalatende 7 "frisse looten": 3 zonen en 4 dochters. (Antiquarisch)
De Leeuwardense burgemeester Epeus WIELINGA bezit en bewoont (gebruikt) de zate te Marssum (Menaldumadeel FR) stem 11. Daarnaast is hij in 1698 ook eigenaar van de stemhebbende plaatsen Marssum 14, 19 en 33, Deinum (Menaldumadeel) 26 en 31 en Goutum (Leeuwarderadeel FR) 21. Die plaatsen zijn verhuurd aan en in gebruik bij anderen.
— Volgens register te Leeuwarden liet hij 6 kinderen dopen: Jeltie 16-5-1669, Jeltie 19-6-1670, Antie 3-11-1672, Jan 24-10-1675, Evert 17-3-1678 en Claes 25-1-1680. De zonen Jan (Johannes) en Evert (Everhardus) trouwen beiden te Marssum, maar ondertrouw te Leeuwarden. Johannes WIELINGA, doctor en advocaat voor het Hof van Friesland en postmeester, tr Marssum 30-5-1697, 23j oud, met Dieuke WESTERHUIS, ook dochter uit Leeuwardense magistraatsfamilie. Johannes is ander voorbeeld van jongeman die na afstuderen snel hoge functie krijgt in bestuurssysteem.
In het overzicht “stinseninfriesland” door Jan LEEMBURG melding dat Johannes POUTSMA tussen 1708 en 1720 een nieuw “herenhuis” te Oostermeer laat bouwen dat (ook) HAERSMA-huis wordt genoemd. Onduidelijk of dit herbouwing Oostermeer stem 1 betreft (oorspronkelijke HAERSMA-state) dan wel stem 5, de plaats van zijn vader Petrus POUTSMA.
Eestrum (Tietjerksteradeel) enkele kilometers benoorden Oostermeer, ook aan de oostkant gelegen van het Bergumermeer.
Oenkerk (Tietjerksteradeel) ligt tamelijk ver van Oostermeer, in de noordwestelijke punt van de grietenij, de Trynwouden,, bij Bartlehiem, bij de grens met Dantumadeel. Bij Oenkerk o.a. de oudtijdse Heemstra- en Stania-states.
Huwelijk Sjoerdje HAERSMA en Arnold Mathijs VAN IDSINGA te Harlingen 19-4-1696. Arnold geboren Harlingen 25-1-1668, ovl 15-3-1739. Sjoerdje doop Leeuwarden 3-12-1676, ovl Harlingen 5-12-1719, 43j oud. Kinderen uit het huwelijk (dopen Harlingen): Titia 17-1-1697, Mathijs Adolph 7-10-1706, Matthijs Adolph (Adelick) 26-12-1711, Saco Harmen 15-2-1714, Meyert Johannes 21-11-1716, Aurelia 21-11-1716, Sjoerdje 26-11-1719.
— Moeder Sjoerdje HAERSMA overlijdt 5-12-1719, binnen 14 dagen na doop/geboorte van dochter Sjoerdje (IDSINGA).
Het “niaer-recht” hield in dat kooprechten van gronden allereerst tot de maagschap cq buurschap behoorden. Dit om te snelle vervreemding tegen te gaan. Onroerend goed moet eerst worden aangeboden binnen naaste familie en/of geburen.
Ericus HAERSMA, burgemeester te Harlingen (maar uit Oostermeer afkomstig), is ook eigenaar (1698), namens zijn vrouw Anna Clara CANTER, van Canter State te Driesum (Dantumadeel). De Haersma-state te Oostermeer en de Canter-state te Driesum worden afwisselend als zomerverblijven bewoond. Na overlijden van Ericus ca 1720 kiest zijn weduwe voor woning te Driesum en draagt zij de Haersma-state te Oostermeer over aan dochter Aurelia. Na overlijden van Anna Clara Canter te Driesum 26-1-1724, 68j oud, gaat het bezit daar naar (erven van) haar dochters Sjoerdtje en Geertruida, zussen van Aurelia. Twintig jaar later echter woont er Petrus Johannes POUTSMA, de zoon van Aurelia (zie bij hem).
Grietmansweduwe Antje VAN SCHELTINGA erft in 1721, na overlijden van haar (ongehuwd gebleven) achterneef Jacob VAN ROSEMA, de Fogelsangh Stins te Veenklooster (Kollumerland). Vanaf 1728 woont hier haar dochter Wija, gehuwd met Willem Hendrik VAN HEEMSTRA.
Monsr. Pierius HAERSMA was mogelijk een (oud)oom. Heb over hem (nog) geen nadere informatie. Monsr. = “monseigneur”?
De familienaam RHALA is topografisch bewaard in de benaming Rhaladijk voor de weg tussen het dorpje Wyns aan de Dokkumer Ee en Oudkerk (Tietjerksteradeel). Bij Van der AA (ca 1840) wordt die weg Oudkerkstermiedweg of RALADIJK genoemd. In 16de eeuw diverse leden familie VAN RAELE genoemd (uit Wyns). Precieze reconstructie moeilijk te maken door ontbrekende gegevens. Vgl inleiding bij Rekken oer it Boekjier 1606/1607 verzorgd door P.Nieuwland en J.A.Mol. Die “Rekken” (boekhoudverslag) is gemaakt door Johannes Henrici (RHALA), destijds ontvanger der geestelijke goederen in Friesland. De RHALA-naam wordt door deze Johannes Hendriks (ca 1554 of 1569, ovl 1624) zelf pas na 1620 gebruikt. Mogelijk erfde hij toen het Raele-goed te Wyns. Bij de boedelscheiding na zijn overlijden in 1624 wordt in ieder geval een geheel van 55 pondematen te Wyns tot zijn nalatenschap gerekend, naast 52 pondematen te Uitwellingerga en 22 pondematen te Itens. Hij was getrouwd met Aaltje (Aletta) DE VENO, geb ca 1579, dv Laurens DE VEEN, stadsschrijver van Leeuwarden, zuster van de “vermaarde geleerde” Henricus DE VENO (zie elders).
— Van een “Rhala-stins” te Wyns is vermoedelijk nooit sprake geweest (geen gegevens gevonden). Alleen de “Rhala-dyk” staat 500 jaar later nog steeds op de kaart. Familie voor 1600 al gerelateerd aan Leeuwardense bestuurders. Ontvanger Johannes Henrici woont te Leeuwarden en zijn zoon Henricus Johannes RHALA, geb Lwrd ca 1591, ovl Franeker 18-11-1640, zal ook nooit behoefte hebben gevoeld om het goed te Wyns voort te zetten cq er een “buiten” van te maken. Zoals zijn oom Henricus DE VENO wordt ook Henricus RHALA een “vermaard geleerde”. Mogelijk krijgt hij nog college van deze oom (ovl 1613), want Henricus RHALA wordt 15-5-1606 als philologie-student te Franeker ingeschreven (immatriculatie). In 1610 vervolgt hij zijn studie aan Duitse universiteiten, inschrijving Marburg 9-6-1610, inschrijving Heidelberg 8-9-1611, inschrijving Basel (Zwitserland) april 1613, promotie tot doctor in de rechten te Basel 24-9-1613. Met zijn doctorsbul in de reistas komt Henricus RHALA, ca 23j oud, terug naar Leeuwarden, waar hij een aanstelling krijgt als advocaat. Dat is een tussenstap. In 1618 krijgt hij de benoeming tot professor politieke wetenschappen (welsprekendheid) en geschiedenis aan de universiteit van Franeker. Ongeveer de leerstoel die oom Henricus DE VENO er tot 1613 had. In 1628 wordt Henricus daarnaast lector Romeins Recht, in 1636 professor in de rechten. Hij schrijft diverse juridische boeken en handleidingen. Overlijdt 18-11-1640 te Franeker. Grafschrift Martinikerk): “.. Henricus Rhala, de beijde rechten doctor ende Professor in de Universiteit tot Franeker, out 49 jaren.”
Volgens de meldingen zijn in de Martinikerk te Franeker op dezelfde plaats (later “graf 151” genoemd) begraven: Henricus RHALA in 1640, zijn vrouw Anna Duercop in 1655, hun zoon Franciscus RHALA ook in 1655, hun zoon Phlipus RHALA in 1660, en Ydtje VAN ANDRINGA in 1672. Genoemde Ida VAN ANDRINGA was eerste echtgenote van Johannes RHALA, zv prof Henricus RHALA en Aanne DUIRCOP. Of het jaartal 1672 voor Ydtje correct is of dat hier 1662 moet staan, is nog een vraag. Johannes RHALA tr 1666 met Gratia VAN DORSTEN.
Prof Philippus Mattheus sr was archiater provinciae (aartsdokter van de provincie), op 30-4-1651 door de Staten van Friesland aangesteld tot professor in de medcijnen en botanie aan de academie te Franeker. Prof Mattheus was toen 29. Geb Marburg (Duitsland) 11-12-1621, ovl Franeker 29-12-1700 (waar hij zesmaal burgemeester was). In 1698 eigenaar van 18 stemhebbende boerderijen in dorpen rondom Franeker en Leeuwarden. Hij overlijdt in 1700.
— Zijn zoon prof Philippus Mattheus jr , geb Utrecht 6-3-1641, ovl Franeker 6-10-1690, 49j oud, werd in 1670 professor in anatomie en geneeskunde te Franeker. In 1698 was deze zoon dus al overleden. Prof Mattheus sr , is 42j oud in Friesland nog getrouwd (attestatie afgegeven Franeker 13-5-1683), met Maria VAN HANENBURGH, dan weduwe te Dronrijp van wijlen secretaris SIXTI. In 1698 is Maria medeeigenaar met Saakje Johannes van stem 24 te Dronrijp (Menaldumadeel).
Vermelding van KNOCK en WIELINGA als curatoren voor de erflatingen van ritmeester Johannes POUTSMA op plaatsen verderaf van Tietjerksteradeel (Oostermeer en omgeving) is begrijpelijk. Gemotoriseerd verkeer bestond nog niet. Geen snelwegen etc. De genoemde heren hadden hoge bestuurlijke functies verderop in de regio en waren onderdeel van het familienetwerk. WIELINGA door huwelijk van Sjoerdtje (Suffrida) HAERSMA, zus van Aurelia, met Everhardua WIELINGA. De ontvanger KNOCK door huwelijk met Barbara BAY, vernoemd naar haar grootmoeder Berber HAERSMA, zus of tante van Saepcke HAERSMA, de eerste vrouw van commies Petrus POUTSMA (Saepcke moeder van ritmeester Johannes).
— Dit verhaal kan nog verder geschreven. Na overlijden van ritmeester Johannes treden in ieder geval KNOCK en WIELINGA op als curatoren voor de ritmeester-erven bij aanspraken op bezittingen verder weg binnen Friesland. NB: De curator KNOCK in 1728 genoemd is zoon Guilbertus KNOCK uit huwelijk van ontvanger Baroldt KNOCK en Barbara BAY. Barbara is weduwe in 1728. De zoon Guilbertus (geb Harlingen 1696).
Vermelding van de raadsheren VAN VIERSEN en SCHULTENS is (ook) uit de familie-netwerken van toen te begrijpen. Er waren connecties op bestuurlijk niveau (advocatuur, raadsheren, grietenijbestuur) en verzwageringen (huwelijken binnen de groep). Hendricus RECALF en Matthias VAN VIERSEN werden zwagers door huwerlijk van de een met Anna Cornelia RHALA en van de ander met Ida Margaretha RHALA.
Johan Hendrik SCHULTENS wordt in stemkohieren van 1728 raadsheer genoemd en soms oud-raadsheer. Feit is dat hij (ovl 16-8-1730) raadsheer was vanaf 1712 tot 1728. Het college van raadsheren in Friesland bestond uit 12 personen, verkozen uit de kwartieren Westergo, Oostergo, Zevenwouden en Steden. SCHULTENS was een van de raadsheren namens het steden-kwartier (Leeuwarden). Opvolger van Godschalck KNIJFF (1699-1712) die de functie overnam van Matthias VAN VIERSEN (senior). SCHULTENS wordt 15-3-1728 opgevolgd door Epeus WIELINGA.
— Raadsheer SCHULTENS treedt op “uit naam van zijn dochter” in stemkohieren van 1728 bij stemhebbende plaatsen die in 1698 eigendom waren van (oud-)burgemeester Jacobus RECALF(F) van Leeuwarden. Aan te nemen is dat SCHULTENS getrouwd is geweest met een dochter van deze burgemeester. Trouw- en doopregisters laten ons helaas in de steek vwb de namen van die mogelijke RECALF-dochter en de dochter uit het huwelijk voor wie raadsheer SCHULTENS in 1728 aanspraken vertegenwoordigt. Andere bronnen moeten helpen.
— Hij wordt in 1712 tot raadsheer benoemd (een erg hoge functie) en je verwacht dan meldingen over loopbaan van ervoor. In mijn (beperkt) onderzoek kwam ik zulke meldingen nog niet tegen. Hij overlijdt in 1730 en was mogelijk dezelfde als de Johan Hendrik SCHULTENS die 12-3-1724 te Leeuwarden trouwt met Anna Sophia KNOCK (uit al genoemde KNOCK-familie). Mogelijk (indien dit dezelfde is) was hij toen al ca 60j oud en was zijn eerste echtgenote (RECALFF-dochter?) reeds lang overleden. – SCHULTENS was mogelijk uit Groningen afkomstig: de achternaam doet “Saskisch” aan, “Schulte” voor scholt of lokale/regionale rechtspreker. In 1711 trouwt te Leeuwarden (attestatie naar Huizum), een Hendrik Jans SCHULTENS, afkomstig van Groningen, met Alegonda RECALF, afkomstig van Leeuwarden (“hij is doctor in beide rechten”). Of er verband is (en welk mogelijk verband) valt nog uit te zoeken.
— Of Johan Hendrik SCHULTENS mogelijk broer is geweest van Albert SCHULTENS (Groningen 1686 – Leiden 1750), de man die als professor Hebreeuws/Arabisch te Franeker en later te Leiden wereldberoemd werd, is ook nog verder na te gaan.
Een pondemaat is 240 vierkante (konings)roeden, dwz (koningsroede is 12 voet) 2.880 voeten in het vierkant. Na invoering van het metriek stelsel (koningsroede is ca 3.9 meter) volgde standaardisering naar meters: centi-are 1 vierkante meter, are 100 m2, hectare (bunder) 100 are (10.000 m2). Een pondemaat kwam op 36,75 are, ruim 1/3 van een hectare (de morgen, oudsher 640 vierkante roeden) werd 92 are, dus bijna 1 hectare). Bij 84 pondematen heb je het over bijna 25 hecatre. Per regio verschillen in maten.
Het ANGEMA-Goet te Schrins (Skrins) bij Oosterlittens (een ouderwetse boerderij) als bed&breakfast bestemming rond 2005 genoemd. In overzicht van Leemburg (stinsen in Friesland) niet opgenomen. Eerder als DOEKE ANSKES Zathe vermeld. Het gaat om een plaats die Yme Broers BAKKER in 1879 voor zijn dochter liet bouwen. Volgens verhaal stond op deze terp eeuwenlang al een zathe (Minne Tiaers 15de eeuw?). Was dit Oosterlittens stem 23? Nog aan te vullen.
De erven van Janke Doekles zijn 1728 eigenaar van ruim 25 pondematen van Witmarsum stem 23. Douwe Obes te Tjerkwerd eigenaar van 35,5 pondematen, weduwe van Enne Jacobs ABBEMA eigenaar van 16 pondematen 2 einsen, wagenmaker Jacob te Leeuwarden voor zichzelf en in kwaliteit eigenaar van 9 pondematen 5 einsen, evenals dr. Nicolaus Arnoldi, en Symen Pieters eigenaar van 1,5 pondematen. Gebruiker is Douwe Murks.
Volgens stemkohier 1728 is de weduwe Frans HOITINGA (Frans is zoon van Jouck Ubles) eigenaar van 24,5 pondematen van Oosterlittens nr 23. Dat is driemaal meer dan het aantal pondematen waar Jouck in 1698 recht op had. In de tussentijd hebben er verdere verervingen plaats gevonden.