Van der Hoek
Kwartierverhalen

Generatie 16 — Detail

Generatie 16 (stam-oudovergrootouders, 32768-65535)

b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)

  1. Pouwels Pouwelsz (VAN MONTFOORT), geb ca 1410, ovl voor 7-8-1487, 75-80j oud, bezit het ‘s-Gravenhuis in Overschie, was schepen van Delft, gehuwd (27-9-1435 vermeld) met
  2. Maritgen Willems Michelsdr

12-7-1446: hij verkoopt aan Jan Smit 4 morgen land gemeen met Huyge die Grote in een kamp van 8 morgen in Schieban in het ambacht van Heynric van Naeltwijck. Belend ten westen: de zusteren van Rotterdam en Claes Robbrechtsz., ten oosten: binnen de watering Claes Arentsz. en daar buiten de Strijpt, ten noorden: de lange kade, ten zuiden: het huis en erf van Andries Claesz. Maakt testament op 25-6-1470.

Ouders van: (1) Meester Pouwels Pouwelsz VAN AMERSOYEN, geb ca 1440, was pensionaris van Dordrecht, gehuwd met Russent Dircksdr VAN ALKEMADE. Koopt 15-2-1497 het ‘s-Gravenhuize met twee boomgaarden, jaagpad en 8.5 morgen land, uit de boedel van zijn schoonvader. (2) Agniet Pouwelsdr, was non in het St.Agathaklooster te Delft. (3) Dirck Pouwelsz (kw 21440), geb ca 1446, boer te Schieveen.

  1. Pieter DE BIJE, ca 1450 42929. Uit dit huwelijk: Claas Pietersz de Bije (kw 21464)

  2. Jacob Willemsz VAN BEVEREN, genoemd te Dordrecht 1439-1457, ovl aldaar in 1461, trouwt 1454/57 met

  3. Elisabeth Dirc Springer (Goetsdr VAN HOUTEN), ovl 2-5-1493 te Dordrecht (aangifte).

Beiden begraven in de Grote Kerk, Van Beverenkapel. Ze woonden bij zijn vader in het huis “De Gans” naast de Munt. Hun zoon Willem trouwt met Maria van Baeckel, dochter van de muntmeester, het buurmeisje dus.

Ouders van: Willem Jacobsz VAN BEVEREN (kw 24412)                48826. Claes Dirck Karrezn (vermoedelijk identiek met: Claes VAN BAECKEL Dirckzn), muntmeester te Dordrecht, gehuwd met 48827. Geertruid Screvels DE JOODE

Claes Dirckzn VAN BAECKEL begon zijn maatschappelijke carriere als schutmeester bij de Kruysboog te Dordrecht, werd lid van de Achtraad 1472, van de Veertigraad 1481, schepen in 1481/82 en 1487/88, burgemeester in 1481 en 1483/91, muntmeester-generaal van de grafelijke munt, “waerdyn” van de munt (1488/90). De naamgeving “Claes Dirck Karrezn” refereert wellicht aan een eerder patroniem (Karelszn?). Claes en Geertruid lieten hun portretten met die van hun kinderen schilderen en de schilderijen hangen in de Beverenkapel (zie Beverenboek voor afbeelding).

Ouders van: Maria VAN BAECKEL (kw 24413)

  1. Jacob Hendricks SNOECK, geb ca 1440, woonde te Gorinchem, laagdijkheemraad van den Lande van Arkel, mogelijk ook secretaris van Gorinchem, ovl 29-5-1466, gehuwd ca 1460 met
  2. Maria Evertsdr LOEFF, geb ca 1440, ovl in 1515.

Jacob is 25-30 jaar oud wanneer hij overlijdt, Maria overleeft hem rond 50 jaren. Zij schijnt niet te zijn hertrouwd. Na haar dood op rond 75-jarige leeftijd treden een Jan Snoeck Jacobszn (een zoon?) en een Roelof Melserszn (aangetrouwd?) als haar testamentaire erfgenamen op. De zoon Evert Jacobsz SNOECK (kw 24414) is vanaf 1508 beweerd op bedevaart gegaan en van hem of over hem wordt sindsdien niets meer vernomen. Hij liet vrouw en minstens 1 kind na.

Ouders van: Evert Jacobsz SNOECK (kw 24414)

  1. Jacob (BLOCK) 48831. Ouders van: Emma Jacobsdr BLOCK (kw 24415)

  2. Joost Joostz, vermoedelijk Mijnsheerenland 48833. Ouders van: Cornelis Joosten (kw 24416)

  3. Doen Beijensz (de Jonge), geb ca 1450, ovl voor 17-12-1515, was schepen van Poortugaal, gehuwd (1) met Neeltgen Wollebrantsdr BOOT (Neeltje Wollebrant Jansdr), gehuwd (2) met

  4. Haaske (Aeskin, Haesje)

Doen Beijensz wordt op 28-1-1485 door de Heer van Putten beleend met de leengoederen die zijn vader Doen al in leen had. Eerste echtgenote Neeltgen is mogelijk rond dat jaar overleden, twee kinderen uit het huwelijk nalatend, getuige het memorietestament: “Memoria perpetua van Neeltgin Wollebrant Jansdr., de huisvrou van Doen Beijensz., staet op twee ende een half lijne lants, geleegen buyten Zweerdijck onder sijn huis aen den Cruisdijck; dit sal staen op beyde haer kindern te samen ende, 't eynde haer doot, te coemen in den boosum daer 't uytgecoemen is.” Doen bleef geïnteresseerd in memoriestichting. Op 6-1-1513 laat hij te Poortugaal testament maken en geeft hij opdracht zijn memorie te vestigen op de helft van 3 ½ lijn land (voor de missen) en de opbrengst verder te gebruiken om zijn nakomelingen viccary te laten stuydeeren. Dat de positie van de roomskatholieke kerk twee generaties later marginaal zou gaan worden, kon hij niet voorzien. Maar via zijn testament stichtte hij wel de “Grote Memorielanden” te Poortugaal, waarvan de administratie ten behoeve van zijn mannelijke en vrouwelijke nazaten tot en met 1825 getrouw werd genoteerd. Doen en Haesje bestemden de opbrengst van de Grote Memorielanden "omme denzelven uit het innekomen viccary te laten studeren, bequam te maken en onderhouden tot een priester". Ze wilden het land, met alle plichten tegenover de kerk, voor eeuwig in de familie houden: "dat op den oudsten en naasten van syne Descendenten tot een eeuwige memorie soude cuccederen". De eigendomsadministratie werd na de reformatie op de gemeentesecretarie van Poortugaal voortgezet, possesseurs vermeld tot 1825.”

Kinderen van Doen Beijensz (mogelijk vanaf Cornelis uit huwelijk met Haesken):

Beye Doens, ovl ca 1553, eigenaar van land in Hoogvliet en Albrandswaard, heemraad van Poortugaal (1538), schepen aldaar (1543/49), belastinginner, tekent de 10e Penning van Poortugaal 1543, gehuwd (1) met Maritje Claassen, gehuwd (2) met Neeltje Leenerts. Uit huwelijk met Maritje de kinderen: Adriaen, Pieter, Doen, Commer en Klaasje. Neeltje komt in 1543 voor in de 10e Penning van Hoogvliet, met huis getaxeerd op 8 pond, 10 stuivers. Mogelijk zijn Neeltje en Beye na 1543 getrouwd. Zij woont als weduwe na 1556 te Den Briel. Liedewij Doens (Doenen), ovl na 1557, gehuwd (1) met Willem Claesz (VAN GROENENDIJK), ovl voor 1545, gehuwd (2) met Lambrecht Jansz VERSTOUP, schout van Albrandswaard en Poortugaal, ovl 10-3-1553. In 1557 wordt de weduwe Liedewij vermeld als belastinginster. Medekoopster van tienden in de heerlijkheid Rhoon. Dat zij in tweede huwelijk trouwt met de schout Lambrecht VERSTOUP is waarschijnlijk. – Dit huwelijk duurde niet lang want Lambrecht overlijdt begin 1553. Tekst op zerk in de kerk te Poortugaal: :"HIER LEIT BEGRAVEN LAMBRECHT VERSTOUP JANSZ. ENDE STERF INT JAER ONS HEEREN MCCCC ENDE III DEN THIENDEN DACH MARTIJ. BIDT VOER DE ZIELE". Cornelis Doens (kw 24534), geb ca 1480, per 17-12-1515 door de Heer van Putten beleend met de leengoederen van zijn vader Doen. Voorvader Cornelis overlijdt in 1542. Gehuwd met Baertgen Jansdr (kw 24535) die hij als niet onbemiddelde weduwe nalaat (10e Penning 1543). Willem Doens deelt mogelijk in de nalatenschap van in 1542 overleden broer Cornelis. Bij de heffing van 1543 (10e Penning) staat hij vermeld met een huis (boerderij) en 52 gemet lands in Poortugaal. Gehuwd met Ida Jansdr, mogelijk zijn tweede huwelijk. Andere melding is dat hij samen met Willem VAN SEVENTER 10 gemet 1 lijn en een kwart roede land in Sweerdijk bezit. En later dat hij samen met Pieter Cornelisz in 1567 de memorie afkoopt gesticht door Lijsbeth, de weduwe van Beye Doens (de Oude). Ovl Poortugaal voor 1561. Neeltje Doens Lijsbeth Doens Aar(n)t Doens. Gehuwd met Engeltje Claasse. Verder nog onbekend.

c) DE JONG-kwartier (Friesland)

  1. Folpert Tiettezn, geb in Schingen bij Dronrijp, in 1511 genoemd als meier te Oosterend. 52849.

Ouders van: Tiette Folperts BAERDT (kw 26424)

Xxxxxxxxxx BAERDT relatie xxxxxxxxx Katryn AESGAMA

  1. Sywert IN DIE POELEN (Syverdt AESGEMA), geb ca 1460, wonend in de Poelen tussen Dronrijp en Deinum, tekent namens Dronrijp (Menaldumadeel, Westergo, FR) 10-6-1496 het Verbond met Groningen, sneuvelt 16-7-1500 bij Franeker, gehuwd met
  2. Doedt Offkes DOTINGA, grietmansdochter, mogelijk geboren op Dotinga-state te Marsum (Menaldumadeel) ca 1465, ovl na 1511.

Van een Aesgamazathe in de Poelen bij Dronrijp is later in de 16de eeuw nog sprake wanneer dochter Duedt Syeurdts AESGAMA (kw 26425), weduwe van Tiette BAERDT, in 1550 een losrente verkoopt uit een deel van deze zathe, dwz dat ze een hypotheek neemt met een deel van de zathe als onderpand. Haar jongste zoon Syverdt (AESGAMA genoemd) wordt in 1556 van huurder tot eigenaar van deze zathe. Het is onduidelijk hoe het ermee verder verliep: de Tachtigjarige Oorlog brak los. In 1500 was er een andere oorlog gaande. De Duitse keizer Friedrich III had schoon genoeg gekregen van het voortdurende getwist tussen de zogenaamde Schieringers en Vetkoopers in “zijn” westelijke Friesland-provincie. De Schieringers, voornamelijk te Westergo rondom Sneek, traden tientallen jaren erg agressief op, en de Vetkoopers, voornamelijk te Oostergo en vooral in Leeuwarden (dominante handelsstad), hadden verbonden met de Groningers gesloten en zich daarmee versterkt van door Groningen gestuurde politielegers of bendes. Deze hulptroepen joegen de Schieringers op en ver in het defensief, maar oefenden tegelijk ook terreur uit in de streken waar ze rondtrokken. Vrijwel heel Friesland raakte gemaltraiteerd. Voor de toestand in Friesland hadden eerdere keizers nooit veel belangstelling gehad, maar (de nieuwe) keizer Frederik III stelt zich anders op. Hij dwingt de Friese partijen tot overleg. Voordat het tot maatregelen komt, overlijdt de Duitse keizer. Zijn zoon Maximiliaan die tot zijn opvolger wordt benoemd, neemt het “probleem in Friesland” meteen over: de Friese twisters krijgen geen respijt, hoewel ze bij overlijden van Frederik dat misschien wel verwachtten. Keizer Frederik stuurde in 1493 zijn diplomaat Otto von Langen die op relatief veilige afstand van de Friese twisters, namelijk vanuit Zwolle (Overijssel), gemachtigden van Groningen en van Sneek opdroeg naar Zwolle te komen om “hunne aangelegenheiden open te leggen”. Deze oproep werd misschien weinig serieus genomen: te vaag, welke partijen. De Schieringers (Sneek) stuurden een delegatie waarin de pastoor van Ytens, Douwe, een geleerd heer, vooral indruk maakte. Pastoor Douwe bleek zo’n goede pleiter “dat de Keizer, van de onregtvaardigheid der Groningers overtuigd, een nader onderzoek over die belangrijke zaak instelde.” Voordat dit kon worden afgerond, overlijdt de keizer. Zijn zoon Maximiliaan volgt hem op. Hij negeert het door zijn vader beloofde nader onderzoek en stuurt de gezant Otto von Langen nog in hetzelfde jaar, eind 1493, naar de provincie “om de Friezen te doen weten, dat het de ernstige wil des Keizers was, dat zij alle tweedragt vergeten, eenen Potestaat uit hun midden, volgens oud vaderlijk gebruik, verkiezen en aan denzelven gehoorzaamheid bewijzen zouden; indien zij zich hiertoe niet lieten bewegen, zou de Keizer eenen heer naar zijn believen over Friesland aanstellen, en hen tot onderwerping dwingen.” Tot dat laatste komt het uiteindelijk. De Duitse keizer geeft Friesland aan de hertog Albrecht van Saksen, generaal over de keizerlijke legers in de Nederlanden die het Hollandse deel al afdoende wist te bezetten, om ermee te doen naar believen. Hieraan vooraf ging dat de gezant Otto von Langen in Sneek 1-1-1494 een landdag bijeen kon roepen. Dat werd een vergadering van Schieringers want die heersten te Sneek en omgeving. Op deze “Schieringer-landdag” kozen de voorname hoofden der Schieringers een potestaat, namelijk Juw Dekema (Julius), heerschap te Baard. Juw DEKEMA had zich in de partijtwisten vredelievend en zeer onzijdig betoond. Aan de keizerlijke eis om de tweedracht te vergeten en een potestaat volgens oud gebruik te verkiezen lijkt te Sneek te worden voldaan. Veertien dagen later is er, 14-1-1494, in Bolsward een volgende landdag en het aantal Schieringers in de vergadering is dan veel kleiner, de aanwezigheid van prominente vertegenwoordigers van de Vetkooperspartij groter. De verkiezing van Juw DEKEMA tot “potestaat” wordt weggestemd en de ruzies hierover ter vergadering en erna, laten de keizerlijke gezant wegvluchten uit Bolsward en Friesland. Aangekomen te Deventer (Overijssel) ontbiedt hij nogmaals eenige edelen ter onderhandeling, doch zonder eenig gevolg.” De missie van gezant VON LANGEN leidt niet tot vrede in Friesland. De terreur van “Groningse” politiebendes duurt voort. De jonge Duitse keizer Maximilliaan schenkt Friesland vervolgens aan de bekwame legerleider hertog Albrecht van Saksen. Hij wordt, met grote weerzin, als nieuwe potestaat door de Friese partijen erkend. Nadat dit is gebeurd, vertrekt Albrecht naar zijn thuisland, na zijn zoon Hendrik tot bevelhebber over Friesland te hebben benoemd. De jonge Hendrik slaagt erin de meeste Friese partijen tegen hem in het geweer te krijgen, door arrogant gedrag, afbraak van stinzen, hoge belastingen. In 1500 wordt hij te Franeker waar hij het Sjaardema-huis had betrokken (en de Sjaardema’s verjaagd) door een leger van Friezen omsingeld en bedreigd: Beleg van Franeker. Zijn vader, Albrecht, moet vanuit Duitsland met een leger via Groningen haastig optrekken om hem te ontzetten. Hij slaagt daarin. De belegeraars moeten wijken. Sjoerd IN DIE POELEN is een van de velen die sneuvelt.

Ruim een eeuw later noteert de jonge student (Iater grietman) Ernst Harinxman van Donia in zijn Kerck-Calender ofte Dootboeck bij 16 Julii 1500: “Worden in een slach bij Franiker van den hartoeghe van Sassen veel Vriesche heerschippen verslaegen, besunder deese seven, als: Hessel JONGAMA van Doeyngum, Lyuwe Fons van Jorwirt, Wyttie Laeszoon van Boxum, Heero Riencks van Dronryp, jonge Kempo Jakles HINNEMA van Jelsum, Jarich Wybes van die Schellinge, Sywert IN DIE POELEN.

Kinderen van Syverdt AESGAMA en Doedt Offkes DOTINGA:

Duedt Syeurdts AESGAMA (kw 26425) Ofke Syeurdts AESGAMA ….

Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Hertog Albert kreeg zijn benoeming in 1495 en bevond zich op dat moment al met een leger in Holland, maar hij pakte het strategisch aan. Hij stak de Zuiderzee niet over, terwijl de Schieringers hem toch als steun in de rug beschouwden. Zij keken nu ook over de grens en “verzamelden in Overijssel en Gelderland eenen hoop krijgsvolk onder de overste Nittert of Nuttert Fox, van geboorte uit Frankenland afkomstig, welke, in Friesland aangekomen, grooten schrik onder de Vetkoopers verspreidde.” De Schieringers hadden uiteraard niet verwacht dat dit huurleger voor eenzelfde schrik zou zorgen binnen hun eigen gebied (Zuiderzeekust, Wymbritseradeel rond Sneek, Gaasterland, Lemsterland). De huurlingen gingen in dat gebied erger te keer dan in de door de Vetkopers/ Groningers beheerste gebieden. Op 1 januari 1496 deed het leger wel een poging om Leeuwarden te overvallen, “doch tot het Galgeveld genaderd zijnde, overkwam hen plotselijk een geweldig onweder van regen en wind, dat hen niet alleen belette in hun voornemen, maar ook den moed benam, zoodat zij, na een molenhuis in brand gestoken te hebben, om zich te verwarmen, daardoor de burgerij tegen zich op de been bragten, die hen ijlings wegjaagden, en weder naar Sneek deden vluchten. De Groningers, voor het verlies van Leeuwarden beducht, zonden een groot aantal volks naar die stad, die er den geheelen winter stil bleven liggen, tot groote schade en kosten, gelijk ook tot misnoegen der stedelingen, die zich niet weinig over hunne verbindtenis met de Groningers beklaagden.”

De Leeuwarders verlieten gaandeweg het starre standpunt van de Vetkopers/Groningers. Het teruggeslagen leger van overste Nuttert Fox moest zich intussen weer op Schieringer gebied in leven houden en verloor daar alle goodwill. Strooptochten door Gaasterland en Lemsterland, een bloedige slag op het dichtgevroren Sneekermeer waar “de Woudlieden” hen met alle macht probeerden tegen te houden. Ellende alom. Hoe werd dit opgelost? De Snekers (Schieringerbolwerk) richtten zich tot de tegenpartij, de “Groningers”. Geef ons geld zodat we dat huurleger van Fox af kunnen betalen en jullie en wij van die mannen af zijn. Van geven geen sprake natuurlijk, maar de “Groningers” deden wel mee: ze zorgden ervoor dat de 8000 benodigde goudguldens via de rijke kloosters in Oostergo en Westergo ter beschikking werden gesteld “stellende zich borg voor de wederbetaling”. Fox en zijn leger werden betaald en vertrokken. De dag erna stonden de “Groningers” al met hun legers in Sneek, Sloten en Harlingen, “om geheel Friesland nu onder hun gezag te brengen”.

Iedere dag weer wat nieuws in die jaren (maar kranten om erover te berichten waren er nog niet). Het bleef in 1496 volop onderlinge oorlog in Friesland. Alleen de stad Franeker kon zich als Schieringer-bolwerk staande houden (met stiekume ondersteuning vanuit Sneek en omstreken). Er werd gemoord en geplunderd bij het leven. Dat Hertog Albert van Saksen, nog steeds afwachtend in Holland, het sluw speelde, bleek later in het jaar toen Goslik Jongama uit Bolsward zich tot hem richtte met de vraag een verrassingsaanval te doen. De Hertog ging er op in en stuurde, jawel, overste Fox met rond 800 man per vloot de Zuiderzee over. Hoewel de “Groningers” enigszins voorbereid waren (landing bij Zurig), waren zij dat niet op de terugkomst van de Fox-veteranen. Binnen enkele weken had Fox heel Westergo “van den overlast en moedwil der Groningers verlost.” Maar het Fox-leger deed vervolgens wat het eerder deed (plundering etc.), zodat “eindelijk de edelen besloten, om in het algemeen in Westergo eene schatting in te vorderen, waarmede zij Fox en zijne lastige gasten betaalden, die voorts over Workum naar Holland vertrokken. Tjerk Walta en Sybrand Roorda werden als gevangenen door Fox medegevoerd, doch zij kochten onderwege hunne vrijheid, de eerste voor 800 gulden, en Roorda voor de helft dier som; echter durfden zij niet in het land komen, waarom Walta een tijd lang zich als balling te Zwol en Kampen ophield.”

Denk niet dat het tweede vertrek van het Fox-legertje betekende dat de Friese partijen de onderlinge strijd beeindigden. Helemaal niet. Bijna iedere dag nieuwe doden. Wel was Westergo nu even van “Groningers” bevrijd en kwamen “de prelaten, geestelijken, edelen en regters” van dit deel van Friesland tot een soort van verbond “om alle gevangenen te bevrijden, de verschillen te beslechten, vreemd volk te weren.” Hertog Albert van Saksen haakt hierop in en via landdagen te Franeker en vervolgens te Dronrijp (1497) laat hij zijn gezanten de kwestie van hem als aangewezen gouverneur over Friesland tot een formeel te erkennen feit voorleggen. Westergo en Oostergo sturen hun gemachtigden. En wat gebeurt? Zij staan gezamenlijk achter het verbond “vreemd volk te weren”. En de hertog van Saksen valt ook onder de noemer van vreemd volk.

Hertog Albert was uiteraard furieus over deze nieuwe en onverwachte afwijzing. Zonder zelf naar Friesland te komen, stuurt hij nieuwe plunderlegertjes op de provincie af. Via zuidelijk Friesland (de Zevenwouden) waar geen tegenweer vanuit de stadjes kan worden georganiseerd. Opnieuw maakt hij gebruik van Fox-veteranen. De uit Friesland gevluchte Vetkoper Tjerk Walta betrekt hij in het complot, met de belofte dat deze niet voor de kosten van het huurleger hoeft op te draaien. Begin 1498 vriest het hard. Het binnenvallende leger heeft dankzij het dikke ijs overal doorgang. Slechts enkele versterkte steden (zoals Sneek) laten zich niet overrompelen. Maar daar trekt het leger net zo lief dan omheen, plunderend en moordend. Pas in Barradeel, boven Harlingen, maar veel verder noordelijk in Westergo kon je niet, worden ze gestopt.

In Barradeel veroverden ze nog wel “Rippert Eelsma huis te Sexbierum, alsmede die van Pybo HAARDA en Seerp BOTNIA te Oosterbierum, welke zij uitplunderden, en de edelen zelve gevangen naar Bolsward vervoerden. De landeigenaars, en in het gemeen alle ingezetenen werden woedend over dit bedrijf van het vreemde volk. In en omstreeks Barradeel verzamelde zich eene groote menigte, die deze roovers een goed deel van den buit ontzettede, en hen verjaagde, slaande wel vijftig van hun dood.”

De tegenslag in Barradeel leek een incident. De Saksische legers werden vanuit het zuiden almaar aangevuld. Zo werd de Liauckema-state te Sexbierum nog bezet en bij verlating in brand gestoken. Barradeel leek verder niet interessant genoeg meer. Het zuidelijke deel van Westergo gaf nog genoeg plunderkansen en Menaldumadeel tussen Franeker en Leeuwarden: “Menaldumadeel werd mede door deze roovers bezocht en zwaar gebrandschat.” Menaldumadeel..? Dan ben je op het terrein van stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen (Sjoerd Aesgama).

Laat ik nu het verhaal, dat toch al lang werd (maar dit gebeurde) inkorten. Lees elders meer. Vanwege alle voortdurende oorlogvoerderij zonder uitzicht, krijgt Hertog Albert van Saksen eindelijk zijn zin: hij wordt door de Friese partijen als landvoogd tegen heug en meug uiteindelijk toch maar erkend en gehuldigd. Voordat dit gebeurde waren nieuwe legers nodig en ook een veldtocht van (de inmiddels bekende) overste Fox tot in Groningerland. Dat maakte de Groningers definitief stil. In mei 1499 landt hertog Albert van Saksen eindelijk in eigen persoon op Friese grond. Te Harlingen, “welke stad, toenmaals door de beroerten der tijden zeer geschokt zijnde, den nieuwe heer gewillig inhuldigde. Hij begaf zich voorts naar Franeker, Bolsward, Sneek en eindelijk naar Leeuwarden, alwaar hij in de kerk van Oldehove plegtig gehuldigd werd, welk voorbeeld de edelen en landzaten weldra navolgden.”

De hertog (strateeg) bleef niet lang. Hij benoemde een nieuw gerechtshof dat op strikte orde moest toezien, eigende zich een belangrijk deel van de nieuwe inpoldering Het Bild toe als persoonlijk eigendom, regelde een bestuurlijke gezagsstructuur met een Hoge Raad etc., en droeg zijn zoon Hendrik het opperbestuur over Friesland op. Albert was zelf hooguit zes maanden in Friesland. “Met eene som gelds beschonken zijnde”, vertrok hij na vele jaren wachten eind 1499 naar zijn geliefde Saksen.

Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Het antwoord op deze vraag komt akelig dichtbij. De jonge hertog Hendrik van Saksen die van zijn vader het bewind over Friesland kreeg opgedragen, ontpopte zich direct als een ambitieuze despoot. Hij koos het Sjaardema-slot te Franeker als zijn hoofdverblijfplaats (en joeg daarmee de Sjaardema’s van hun eeuwenoude plek) en gaf opdracht aan de havenmond te Harlingen een versterkt kasteel te bouwen. De hiervoor benodigde stenen werden o.a. beschikbaar gemaakt door stinsen in de omliggende dorpen te slopen (wat de eigenaren van deze stinsen uiteraard razend maakte). Ter betaling van de verdere kosten eiste hij ook nog “van alle steden, grietenijen en kloosters in Oostergo, Westergo en de Zevenwouden, om binnen acht dagen eene groote schatting, tot dit gebouw vereischt, op te brengen.” Bij overschrijding van dit termijn moest men het dubbele betalen. Omdat die boete meedogenloos in praktijk werd gebracht, slaagde de jonge Hendrik erin binnen enkele maanden na het vertrek van zijn vader “alle Friezen” tegen hem in het geweer te brengen.

Sjoerd Aijlva, Tjerk Walta (hierboven al eerder genoemd), Douwe Hiddema en Dooitze Bonga vormden het viertal edelmannen die de snelle opstand organiseerden. “Na uit alle oorden een leger van 16000 man bijeengebragt te hebben, begonnen zij den 12 Mei (1500) het beleg van Franeker, alwaar de Hertog zijn verblijf hield; ook bezette men op vele plaatsen de grenzen van Friesland, ten einde het binnenrukken van vreemd volk, tot onderstand van den Hertog te beletten.” Om vreemd volk te herkennen werd gebruik gemaakt van een leus die binnenkomers correct dienden te herhalen: Fjouwer lotter-claer leepaaijen op in finne herne yn ien nest. “Die deze woorden niet met eene genoegzame vaardigheid kon nazeggen, hield men voor eenen uitlander, en werd op staanden voet veroordeeld, om verdronken te worden.” De bedoelingen waren fraai, maar de belegering was slechts een belegering. Tot een inname van Franeker en gevangenname van Hertog Hendrik kwam het niet.

Hertog Albert van Saksen was op een rijksdag te Augsburg toen hij hoorde dat zijn zoon te Franeker omsingeld werd. De ijzervreter liet geen tijd vergaan en trommelde een leger bij elkaar te Aduard in Groningen. Het kostte hem weinig tijd om daar zelf te verschijnen en het Friese grensleger bij Bomsterzijl vervolgens in de pan te laten hakken (“wel vijfhonderd Friezen sneuvelden”). Hertog Albert liet geen tijd verloren gaan. “Alom ging de schrik het Saxische leger, dat steeds met plundering, moord en brandstichting voortging, vooruit, waarom de Friezen voor Franeker, op het vernemen van hunne komst, meestendeels de vlugt namen. Te Dronrijp en in het klooster Miedum, werden de geruchten van de komst der Saxen door de zoetelaars, die gaarne hunne waren duur wilden slijten, sterk en stellig tegengesproken, waardoor de Saxers, eer zij het dachten, hen in de schansen overvielen, en waarbij wel vijfhonderd Friezen verslagen werden, en er nog veel meer omkwamen van degene, welke in de vlugt veiligheid zochten. Zij namen de vlugt naar Miedum, Tzum en voorts landwaarts in, en werden overal van het woeste krijgsvolk des Hertogs vervolgd, dat dagen achtereen rondzwierf, steeds moordende en plunderende.”

Terwijl Hertog Albert vanuit het oosten binnenviel, stuurde Filips van Bourgondië, zoon van keizer Maximiliaan, graaf van Holland, vanuit het westen een leger, onder leiding van de graaf van Buren, over de Zuiderzee heen op Franeker af. Op 16 juli 1500 werd van beide kanten korte metten gemaakt met het beleg van Franeker.

Bij de omgekomen belegeraars o.a. de Friese edelen: Hessel Jongama, van Goënga; Lieuwe Fons, van Jorwerd; Wybe Laasz, van Boxum; Hero Rienks, van Dronrijp; Jarig Wybes, van Terschelling; Sjoerd in de Poelen, te Dronrijp; en Kempo Jaklesz, van Jelzum.

In een nasleep van de “Donia-oorlog” die rond 1460 woedde in het midden van Friesland, pakte de houwdegen Agge Donia, in het voorbijgaan de Aesgama-stins te Sijbrandaburen, “die hij eenigen tijd bleef bezitten, roovende en plunderende van daar rondom op zijne vijanden”. Over waar de Aesgama’s na dit gebeuren (midden 1465) heentrokken en of zij terugkeerden, vinden we geen meldingen. Er is wel melding over een tak die naar Groningen vertrok (omgeving Ulrum), over Aesgama’s te Damsterwoude (Dantumadeel) en “onze” Aesgama’s rond Oosterend (bij Sneek) en vooral bij Dronrijp. Sjoerd Aesgama (Sjoerd in de Poelen) werd geboren vlak voordat Agge Donia de Aesgama-sate te Sybrandaburen veroverde en als uitvalsplaats voor plundertochten ging gebruiken.

  1. Anscke (Doecklesz?), geb ca 1480 53185.

Ouders van: Doeckle Ansckes (kw 26592)

  1. Hoyte Gerrolts (Walpert), geb ca 1510, ovl ca 1580, tr ca 1535 met
  2. Yets (Jets)

Ouders van: Gerrolt Hoytes WALPERT (kw 26598)

De WALPERT-naam, verbonden aan een zathe te Wommels (Hennaarderadeel, FR), komt in de 16de eeuw bij deze familie voor. Mogelijk koopt Hoyte in 1536 de Walpert van Botte Bottes en mogelijk is er relatie via zijn huwelijk in 1535 met Yets. In 1581 neemt het Hof van Friesland een gerechtelijke beslissing over een kwestie waarbij Gerrolt Hoytes WALPERT te Wommels, diens meerderjarige (gehuwde) dochter Anna Gerrolts WALPERT betrokken zijn, plus Pybe Hoytes WALPERT te Wommels en Duecke Hoytes WALPERT te Kubaard (buurdorp van Wommels). Vader Hoyte is overleden PM 1: Naast Gerrolt uit huwelijk van Hoyte en Yets in ieder geval ook de zonen Pybe en Duecke? Aanvullende gegevens nog te vinden. In 1578 doet de grietenij Hennaarderadeel niet mee aan de extra-belastingheffing door het (nog) Spaanse bewind waartegen immers onder Oranjes en met Watergeuzen al werd gevochten. In impositieregister van 1578/80 komt wel een Dueke Hoytez wonend te Cornuart (Kornwerd, Wonseradeel, FR) voor. Hij krijgt een aanslag van 3 Caroligldns. PM 2: Op 15-9-1658 trouwt te Harlingen Timen Pieters STEUR met Rins Heuites WALPERT.

53198. Here Jorrits, geb ca 1515, ovl voor 1597, gehuwd met 53199. Gats Gerbensdr, ovl voor 1587

Ouders van: Ydt Heredochter (kw 26599)

PM: palstra.com. Naast Ydt ook kinderen Lioepck Heres en Rinck Heres daar vermeld. Verondersteld wordt dat de moeder van Here Liupck heette (kw 106397). En de vader was Jorrit Heres (kw 106398).

Aanvullende gegevens nog te vinden.

Zerk gevandaliseerd (1795?) en ontdaan van familiewapens. Nog wel een palmtak en een St.Catharinarad zichtbaar. Doet vermoeden dat Lambrecht VERSTOUP in zijn jonge jaren op pelgrimstocht naar Jeruzalem ging. De “Jeruzalemridders” voegden in hun blazoen/wapenschild de palmtak of Jeruzalemsveer toe en wanneer ze op de reis ook Constantinopel bezochten eventueel het gebroken St.Catharinarad – de heilige Catharina werd er geradbraakt en daarna onthoofd. Kwartierstaat Johan Gerard Stuut. Kwartierstaat van Schothorst. Daar wordt de suggestie gedaan dat Folpert via zijn huwelijk in relatie kwam met een familie Baerd-Aesgama, “vermoedelijk bezitters van de Baardazathe nabij Wommels en Oosterend”. (Baarda van Ba-wert). Zeker is dat zijn zoon Tiette de familienaam Baerdt kreeg en trouwde met Duedt Sjoerdsdr Aesgama. Oosterend is een terpdorp van grote ouderdom (vondst van aardewerk uit de Romeinse tijd) waaromheen al vroeg bedijkingen plaats vonden ( het zogenaamde “eiland van Oosterend”). Steenstra, II pag 319: “Tusschen de vier en vijfduizend Woudlieden kwamen hier om het leven, door het zwaard der vijanden en het water.” HAARDA of HAERDA: Was Pybo Haarda een broer misschien van edelvader Fedde Mernstra (Haerda) (kw 209406) of anderszins gelieerd? Het achteraf-verslag door Steenstra kan je niet echt objectief noemen. Het is niet te bepalen waar hij overdrijft. Steenstra II pag 285.

Werkdocument 2007