Van der Hoek
Kwartierverhalen

Generatie 17 — Detail

Generatie 17 (stam-oudbetovergrootouders, 65536-131071)

b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)

  1. Pouwels Aernts (Paulus Arentsz)
  2. Maria Willemsdr (?)

Ouders van Pouwels Pouwelsz (kw 42880)

In het Repertorium op de lenen van Capelle aan de IJssel 1360-1370 (C.Hoek, Ons Voorgeslacht 1963) is sprake van een belening van een perceel van 2,5 morgen land, onderdeel van de 9,5 morgen in de zate die van Geertruyt Pouwels was. Dit perceel grenst ten oosten aan het godshuis van Berckel en ten westen aan percelen van Floris VAN ALCMADE en Pouwels Arentsz.

Een eenmalige melding betreffende Pouwels Aernts tot dusver gevonden. De zoon Pouwels Pouwels, geb ca 1400 of 1410, wordt ook in het gebied van Berkel en Overschie genoemd (zie bij hem).

  1. Willem Bever Danielsz (of: Willem Danielszn de Bever), geb ca 1400, ovl te Dordrecht in 1464, noemt zich pas op latere leeftijd VAN BEVEREN, herkomstnaam van zijn moeder, trouwt in 1429 met
  2. Catharina Hendricks VAN WEEDE, geb ca 1405, ovl 1454.

Xxxxxxxxuitwerkenxxxxx

Willem BEVER (jawel!) draait al op jonge leeftijd mee in het stadsbestuur van Dordrecht. In 1427 gaat hij als stadsgecomitteerde op diplomatieke reis mee naar Vlaanderen en Brabant. Op 15-8-1431 meldt een document hem als burger van Dordrecht, houder van een schrootambacht metter zoutmate, een gewilde economische functie. In 1436 staat hij als havenmeester vermeld en in 1437 als Heilige Geestmeester. Hij woont aan de Voorstraat te Dordrecht in het huis “De Grooten David” tot 1455, daarna in het huis “de Gans” naast de Munt in het centrum van de stad. Hij overlijdt er in 1464. Catharina VAN WEEDE is ca 24j oud wanneer ze met Willem, ongeveer 5 jaar ouder en al volop regentesk, trouwt. Zij is ook van goede familie. Door de watersnood van 1421 (St.Elisabetsvloed) raakten echter de landen bij Weede en Cillaarshoek, familiebezit, verloren en zo werd deze familie praktisch minder gegoed. Te Dordrecht probeert zij zich te hernemen. De familie VAN WEEDE voert als wapen zes rode lelies op een zilveren veld, het wapen van de heerlijkheid Weede en Cillaarshoek die bij de St.Elisabethsvloed verdronk. Het deel Cillaarshoek op de Keizersdijk verdronk overigens niet. Catharina overlijdt in 1454, Willem in 1464. Per 28-1-1465 vindt een boedelscheiding plaats. Catharina was bij leven een devote rooms-katholiek. Samen met haar man schonk zij de kerk een altaarkleed waarin hun beider wapens geweven waren (dat werd op prijs gesteld, maar niet heus) en in 1450 financierde (stichtte) zij in de Grote Kerk te Dordrecht de Heilige Kruiskapel, naast de al bestaande van Beverenkapel (St.Eliszabethsaltaar).

Willem en Catharina worden na overlijden begraven in de van Beverenkapel binnen de Grote Kerk te Dordrecht. Ouders van: Jacob Willemsz VAN BEVEREN (kw 48824)

  1. Dirk Springer Goets (van Houten)
  2. Haeck Ouders van: Elisabeth Dirk Springer Goetsdr van Houten (kw 48825)

  3. Dirck Karrezoon (van Bakel) 97653. Ouders van: Claes Dirck Karrezn (kw 48826)

  4. Screvel Hendricksz

  5. Nn de Joode Ouders van: Geertruid Screvels de Joode (kw 48827) te Dordrecht

  6. Henrick Jansz SNOECK, geb ca 1421, schepen van Gorinchem 1456/65 97657.

De bijnaam SNOECK doet al vermoeden dat we hier met een familie van riviervissers te maken hebben. Dit blijkt ook uit het feit dat Henrick en zijn broer Adriaen op een bepaald moment door hertog Filips de Goede gebannen worden (later in ere hersteld), vanwege een hoog opgelopen conflict over de visserij in de rivier tussen Gorinchem en Woudrichem.

Ouders van: Jacob Henricks SNOECK (kw 48828)

  1. Evert Loeffszn 97659. Ouders van: Maria Everts Loeff (kw 48829)

  2. Beijen Doens (Beye Doedijnsz), geb ca 1425, ovl voor 28-1-1485, op 11-9-1452 beleend met het leenland van zijn vader, in 1454/55 en 1457 gemeld als leenmangetuige voor de heer van Putten, boerenbedrijf, belastinginner, schepen van Poortugaal (vermeld 1458, 1463), gehuwd met

  3. Lijsbeth, ovl 17-12-1485 te Poortugaal. Ouders van: Doen Beijensz (de Jonge) (kw 49068) Beye Doedijnsz neemt op 8-12-1455 twee droge dijken bij Poortugaal in leen. De later geheten Cruysdijk en de dijk langs de korenmolen (Zweerdijkse dijk). Door de inpoldering van de Albrantswaard bezuiden Poortugaal kwamen deze dijken achter de nieuwe buitendijk te liggen. Hij betrekt vermoedelijk de Thomashofstede bij het kruispunt van genoemde droge dijken. Voor deze boerderij moet jaarlijks 1 kapoen worden betaald en Beye doet dat over de periode 1459-1469. Gedurende dezelfde periode betaalt hij 32sc 6 d aan jaarlijkse erftijns voor 4 gemet 1 lijn land bij de kerk van Poortugaal en 3 pond hollands voor 7 1/2 gemet land die de Grote Weyde wordt genoemd. Over de periode 1459-1465 betaalt hij jaarlijks 18sc hollands voor de quade 6 gemet. In 1461 pacht hij de tienden van Waddenswaert en in 1465 die voor het dorp en “de lammertiende” wat hem belastinginner maakt. Hij pacht de staalvisserij van Battenoert voor 37 pond hollands en de poting in die Roden als rietbroek en visserij (Roden = Rhoon) 1466-1468 voor 5 1/2 pond en in dezelfde periode de zwaandrift in Poortugaal voor 2 pond. Kortom, want er is meer, hij is een van de grotere bazen/pachters in het gebied. Hij vestigt zijn memorie en die van zijn zoon Aert op 2 gemeten in Ver Nellenhouck (Nieuw-Rhoon), te versterven op zijn zoon Doen. Deze zoon wordt na het overlijden van zijn vader met diens lenen beleend.

Uit het huwelijk: Marritgen Beijensdr, trouwt met Wouter Pietersz (die in 1464 genoemd wordt als zwager (= schoonzoon) van Beije Doens Doen Beijensz (de Jonge, kw 49068) Aert Beijens, ovl voor 1484 Cornelis Beijens Maria Beijensdr, gehuwd met Willem VAN BEAUMONT

c) De JONG-kwartier (Friesland)

  1. Offke (Doekes) DOTINGA (Ofcke DOTTINGHA, DOTNIA), geb ca 1410 (?), vermeld in 1470 als grietman van het Marsumer-Nieuwland, woonde op de Dotinga-state te Marsum (Menaldumadeel, FR), trouwt (1) met Doedt OEDTSMA, trouwt (2) met
  2. Luts Feddesdr MERNSTRA (HAERDA)

In het grietmannenregister staat Ofcke Dottingha als grietman van Leeuwarderadeel vermeld. Hoe dit precies in elkaar steekt, moet nog blijken. De drooglegging van het noordelijke deel van de Middelzee tussen Leeuwarden (Oostergo) en Marssum/Menaldum (Westergo) en de polderaanleg was een belangrijk project. Dat de leiding ervan berustte bij aparte grietmannen, los van de traditionele grietenij-structuur, is goed denkbaar. De 19de-eeuwse historicus Eekhoff opperde dat deze als grietman genoemde personen eigenlijk “gecommiteerden der waterlossing” waren, meer “dijkgraaf” dan grietman. Uit akten van de 15de eeuw blijkt dat zij wel over eigen rechtsgebieden beschikten (zoals een grietman). Al in 1406 wordt Hoecke (Houcke) MYNNEMA genoemd als zo’n aparte grietman in het bepolderingsgebied: in de Bacuwa, wat dat betekent is nog onduidelijk. In 1432 wordt Take ASGHAMA en in 1448 Schelte IDZENCKA vermeld als grietman van het Huizumer Nieuwland. In 1445 Hemka HEIJAMA en in 1458 Tyerd SYERDSMA als grietman van het Deinumer Nieuwland. In 1455 Sipka MINNEMA als grietman in “de Hirna riucht op Liouwerdera Nijeland”. In 1470 tenslotte wordt Ofcke DOTINGA gemeld als (aparte) grietman voor het Marsumer Nieuwland, grenzend aan het Leeuwarder Nieuwland. “De Hirna riucht” (Hirna = Horne of Hoek) wijst op een apart lokaal rechtsgebied.

De Dotinga-state bevond zich bij Marsum. Volgens het Burmania-boek vertoonde het wapen van “Dotinga tot Marsum” 4 zespuntige sterren (in de volgorde van boven naar onder: 2,1,1). In de kronieken is sprake van 2 DOTINGA-states, nl een Dotinga-state bij Dronrijp (oost-Dronrijp, “in de Poelen” (?)), die later Groot-Dotinga of Readhús wordt genoemd, naast de Glins-state in de Poelen onder Dronrijp die Blauhús wordt genoemd, en een Dotinga-state bij Marsum (naast Dronrijp), die later Klein-Dotinga wordt genoemd. Mogelijk verband tussen deze twee moet nog worden gevonden.

Kinderen uit het huwelijk van Offke en Luts: Imck DOTINGA (Ymck), ovl 1482, gehuwd met Sipke MINNEMA, in 1455 al genoemd als grietman van Leeuwarder Nijland, ovl 1483, zv Hotze Mynnema en Frouck WIARDA. Voor Sipke wellicht een tweede huwelijk. Zie 104702.1. Doedt Offkes DOTINGA (kw 52851), trouwt Sjoerd in de POELEN (AESGAMA, kw 52850). Sjoerd sneuvelt 16-7-1500 bij het beleg van Franeker. Hun dochter Duedt tr ca 1515 met Tiette Folperts BAERDT. Fedde Offckes (van) DOTINGA, ovl in 1529: “1529 den 7 Oct. Fedde DOETINGA ofte DOTTNIJA tot Marsum begraven.” Fedde bewoonde de Dotinga-state. Hij was getrouwd met Catharina (Katryn) VAN BAERDT, dv Doecke Douwes BAERDT (naam moeder niet vermeld). Deze Catharina, weduwe van Fedde DOTINGA, wordt in latere melding Katryn AESGAMA genoemd. His(se) Ofkes DOTINGA wordt genoemd in testament dat Sicke Allartzoen OEDSINGA 16-9-1476 laat opmaken: “Item Hisse, syn frysster, Ofka Dotinga dochter, hat hy toleyd joulyck ende eerflyck toulf klinkerden renten uut Fockama gued.”
— Sicco Alardi OEDSINGA overlijdt 18-9-1476, twee dagen na datering van het testament, waarin hij nog als “gesond ende voerstandel van synnen, al was hy syeck fan lichama” wordt genoemd. Hisse niet zijn echtgenote maar zijn frijsster (verloofde?). Over leeftijden wordt niets gemeld. Mogelijk was Sikke nog een tamelijk jonge man. Hij is zoon van Allart SJAARDA en Engele OEDSINGA en op zijn sterfbed moet hij beslissen over de vererving. Vader Allart is al eerder overleden, broer Epo idem (zonder kinderen) en moeder Engele op 7-6-1476, drie maanden voordat Sikke zijn testament maakt. Via zijn moeder wordt hij eigenaar van de OEDSINGA-stins bij Dronrijp (in de Poelen?). In zijn testament laat hij weten de wilsbeschikkingen van moeder Engele (haar testament is niet bewaard gebleven) te volgen. De OEDSINGA-stins laat hij na aan “syn moeytie” (tante) Eedwer SJAARDA. Aan OEDSINGA-kant waren er kennelijk geen personen meer in leven die voor erfenis in aanmerking kwamen. Kort hierop, in 1479 en tante Eedwer wellicht dan ook al overleden, wordt de stins als huwelijksmedegave door haar man Douwe en hun zoon Sicke geschonken aan haar kleindochter Katryn HOTTINGA.
— Sicco Alardi OEDSINGA overlijdt kinderloos 18-9-1476 en hoelang zijn “vrijster” Hisse DOTINGA van haar pensioen heeft kunnen genieten weten we niet (jaarlijks 12 klinkerts uit het Fockama-goed). Doecke Offkes DOTINGA Feycke Offkes DOTINGA Eets (?) Reme (?)

104702.1. Ymck Offckes DOTINGA Vermoedelijk oudste dochter van Offcke Doekes DOTINGA en Luts Feddes MERNSTRA (HAERDA). De historicus Andreae (Nalezing, 1893) schrijft dat Ymck DOTINGA “volgens sommigen” dochter van Offcke en Luts is. Dit is omdat historische bronnen hierover geen bevestiging geven.

Ymck DOTINGA is getrouwd met Sipke Hotzes MINNEMA die in 1455 vermeld wordt als grietman van Leeuwarder Nijland, zv Hotze MYNNEMA en Frouck WIARDA. Zijn vader Hotze is een broer van de Houcke MYNNEMA die in 1406 als grietman (“in de Bacuwa”) staat vermeld. Uit het huwelijk van Ymck en Sipke is de zoon Frans Sipkes MINNEMA geboren, overleden in 1512, genoemd in 1502 als grietman van Leeuwarderadeel, vanaf 1500 ook als olderman van de stad Leeuwarden. De stad Leeuwarden (Vetkoopers) was weinig populair in de rest van Friesland en zeker niet in Westergo (Schieringers). De binnenlandse twisten tussen Schieringers en Vetkoopers liepen vaak hoog op. Leeuwarden als markt- en handelsstad had beschermde toegangsvaarten/-wegen nodig en was naar het zuiden en westen toe in concurrentie met o.a. Franeker en Sneek. Meer dan een eeuw duurden de onderlinge moorden en gevechten, ook nog na 1481. Maar per 21-10-1481 werd in ieder geval tussen de warengilden en de gemeente Leeuwarden met de olderman en hoofdeling Sipke MINNEMA die (kennelijk al ruim 25 jaar) zeggenschap hield over het Leeuwarder Nieuwland een schikking gemaakt. Volgens beschrijvingen werd hij “onderworpen”, maar ik vind geen veldslagen gemeld. Zeker lijkt wel dat de inmiddels vermoedelijk bejaarde Sipke de realiteit onder ogen zag: het botweg tegenhouden van Leeuwardense handel in en met Westergo was onverstandig en leidde alleen maar tot verdere onzinnige twisten. Zijn invloed binnen het Nieuwland en de schikking met de gilden en het stadsbestuur van Leeuwarden had tot gevolg dat Leeuwarden in redelijke rust met de aanleg van grachten rondom de stad, ter beveiliging, kon beginnen. Dit stadsgrachtproject kon pas ca 1497 worden voltooid, omdat nieuwe problemen ertussen kwamen. Frans MINNEMA, zoon van Sipke en Ymck, volgde het spoor van zijn vader en koos geheel partij voor Leeuwarden, werd olderman in het stadsbestuur en ging in de stad ook wonen (MINNEMA-huis).

Volgens meldingen is Ymck DOTINGA in 1482 overleden en Sipke MINNEMA in 1483. Hun zoon Frans Sipkes MINNEMA, getrouwd met Tryn LIAUWCKAMA, wordt grietman van Leeuwarderadeel (ook Tietjerksteradeel?), in 1500 raad van de Hertog van Saksen die bewind over Friesland ging voeren, in 1502 en daarna olderman van Leeuwarden. Hij bewoonde het MINNEMA-huis te Leeuwarden. Overlijdt er in 1512, alom als medebestuurder geprezen.

Ook Tryn LIAUWCKAMA overlijdt in 1512 en tevens het kind (zoon) uit het huwelijk. Het erfgoed valt toe aan de moeder van Tryn: Luts (Luttzie) LIAUCKAMA, dv Juw HARINXMA, weduwe van Schelte LIAUCKAMA. NB: Juw HARINXMA en Schelte LIAUCKEMA waren “heerschap te Sneek”. Door de oorlogs-situatie vluchtte Luts in 1514 van Sneek naar Leeuwarden. Kleinzoon Sicke komt in 1523 weer naar Sneek om in familierechten te worden hersteld. Schelto Lyauckema is in 1503 te Sneek overleden en begraven. Luts was sindsdien weduwe en enig erfgename, in eerste instantie, van allerlei goed en titel. In haar testamenten (1527/28) is ze heel precies. Ze overlijdt 21-12-1528: “Op S-Thomisavont sterff vrou Luttie oft Lutz Haarsma, Schelto Lyauckema wijff, tot Sneek begraven.” Haar dode lichaam moet, haar wilsbeschikking, naar Sneek worden gebracht om daar te worden begraven. En dat gebeurt.

Bij de nazaten van Offke en Luts komt tweemaal de naamsverwisseling tussen BAERDT en AESGAMA voor. Het is mij op dit moment nog niet duidelijk wat hier achter steekt. Katryn (Baerdt of Aesgama), weduwe van Fedde DOTINGA, heeft een broer Sybren Doekesz BAERDT die in 1527 overlijdt, vóor het overlijden van Fedde: “den 18 Apr. dat was doen Paesch Maendach sterff Heer Sibren, Doecke Douwama zoon, pastoor tot Marssum.” Bijna 100 jaar later, het kerkgebouw is van rooms-katholiek hervormd geworden, wordt in het rekeningboek van de Hervormde kerkvoogdij (1624) bij de verkoop van een graf in de kerk voor een nieuwe bestemming “de steen van AESGAMA” genoemd, de zerk werd geruimd maar bleef bewaard. Zerk van gele zandsteen; vierpassen, waarin de tekens der Evangelisten; totaal afgesleten Gotisch randschrift; binnen de rand een miskelk met hostie; daaronder een gedeeld wapen, waarin links flauwtjes zichtbaar een ster boven een wassenaar. Gelet op het wapen (voor zover zichtbaar gelijk aan het wapen Baerdt) en in aanmerking nemende de naamsverwisseling van Baerdt en Aesgema, menen we hier de zerk te hebben van Heer Sybren Doeckesz. Baerdt. (bron: )

Of er kinderen zijn geboren uit het eerste huwelijk van Offke DOTINGA is onbekend. Doedt OEDTSMA is mogelijk te snel overleden. Waarschijnlijk was ze een dochter uit de OEDTSMA-familie te Boksum (bij Deinum, ten zuiden van Marsum.

Anno 1444: “Een nieuwe oorlog ontstond er weder tusschen de Schieringers en Vetkoopers in Westergo. Sikko en Douwe Sjaardema, Doeke en Abbe DOTINGA, Rommert Gabbinga, Keimpo Unia, Lieuwe OEDSMA, Worp Juckema, Rienk Kamstra, Sikko Martens, Ruurd Roorda en Gerrolt Herama trokken met eene menigte van hunne vrienden en hunnen aanhang voor de sterke stins van Sjoerd Grovestins te Engelum. Zij bemagtigden dit slot, een der sterksten in gansch Friesland, stormenderhand, namen Grovestins en zijnen zoon gevangen, die zij op Sjaardema huis te Franeker in bewaring stelden.”

Engelum ligt op een steenworp afstand van Marsum en de Grovestins was een aanmatigend Schieringer-bolwerk in die periode. Het was een Vetkoopers-bolwerk merendeels. De (tijdelijke) omzwaai van de ene naar de andere partij kan achter de aanval hebben gezeten. Je ziet DOTINGA en OEDSMA-namen, van de generatie voor Offke en Doedt, verenigd in de aanval. Bijna 20 jaar later terroriseerde de Schieringerpartij (Donia-oorlog) het gebied bezuiden, tussen Sneek en Akkrum, Rauwerderhem. Daar werd o.a. de AESGAMA-state aangevallen en veroverd en als uitvalsbasis gebruikt. De leden van de AESGAMA-familie die de bestorming overleefden, vluchtten naar Leeuwarden en omgeving. Het is niet duidelijk overigens of er familieverband was tussen de AESGAMA’s in Rauwerderhem en de in Dronrijp en Marsum (Menaldumadeel) vermelde AESGAMA’s.

  1. Gerrold Minthyezn (Minthies, Mintsjes), geb ca 1481 (of 1460?), ovl voor 1540
  2. Siouck Hessels

Ouders van: Hoyte Gerrolts (Walpert) (kw 53196)

PM: Palstra-com. Volgens deze bron was er nog een andere zoon: Doede Gerrolts Walpert, gehuwd (1) met Lolck, en (2) met Jayts. Uit huwelijk met Lolck een dochter Rixt Doededr die voor 1548 is getrouwd met Focke Sybrandts UNIA, kleinzoon van Keympe VAN UNIA (1460-1481) en Frouck AMAMA. Uit huwelijk van Rixt en Focke een zoon Frans Fockes UNIA. PM: Van 1554 tot 1561 is Doeko Gerardi WALPERT grietenijsecretaris te Baarderadeel (grenzend aan Hennaarderadeel).

De naam WALPERT wordt in de 16de eeuw (tijdelijk) toegevoegd en houdt verband met de Walpert-zathe te Wommels die (mogelijk in 1536) door zoon Hoyte van Botte Bottes werd gekocht. Discussie Tresoar-forum november 2007.

  1. Jorryt Hereszn, geb rond 1481, ovl voor 1554, hoogstens 70j oud, wonend te Goïnga (Wymbritseradeel), gehuwd met
  2. Liupck (?), ovl na 1554

Ouders van: Goethie (Gooitse?) Jorrits, geb rond 1512, ovl na 1578, minstens 66j oud, wonend te Hallum (Ferwerderadeel), gehuwd met Tyam Heerckes, dv Heercke Jacobs. Volgens “Quaclappen”-register verkoopt Tyam in 1569/70 een boerderij in de Poelen (bij Dronrijp). En verkopen Goethie en Tyam in 1571/72 land te Dronrijp. Zijn ze als renteniers naar Hallum verhuisd? Here Jorrits (kw 53198) N.n. Jorrits, geb ca 1518, gehuwd met Jetthie Sickes Eelck Jorrits, geb ca 1521, dochter, tr (1) Wybe Sickes, tr (2) ca 44j oud, met Hanck Sybrens. Deze Hanck ovl tussen 1600 en 1606 te Goïnga (Wymbritsaradeel).

In 1544 koopt Jorrit Heres land te Gauw (Gausteragoet) bij Goïnga gelegen. In 1550 nog vermeld als (tegen-)pleiter in gedingen. De zonen Goetthie en Here Jorrits vertegenwoordigen 27-11-1553 en 9-2-1557 de erfgenamen van vader Jorrit Heres. In 1559 komt die erflating opnieuw ter sprake. Dan worden naast Goetthie en Here ook Jetthie Sickes en Wybe Sickes als erfgenamen genoemd. Jetthie, weduwe van derde zoon, en Wybe gehuwd met zus Eelck Jorrits.

PM: Palstra-com. Thomas Boersma Pedigree. Tresoar-forum (Margreet Huisman).

De vermelding “schrootambacht” moet waarschijnlijk “schoutambacht” worden gelezen. De schoutfunctie werd verpacht. Metter zoutmate houdt in dat hij (mede) toezicht hield op de zoutwinning en de daaraan verbonden belastingen inde. Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. De naam “Mernstra” heeft misschien te maken met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. “Haerda” is nog niet verklaard. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij zoon of kleinzoon van edelvader Fedde. Tijdens de eerste helft van de 13de eeuw begon men in Friesland de functies van scelta (schuldvorderaar, belastinginner) en asega (rechtspreker, toezichthouder bij juridische procedures) per gebied bij éen functie/persoon onder te brengen: de greetman of grietman. Het handschrift (1597) Tractatus de nobilitate door historicus Upco van BURMANIA, door zijn kleinzoon Upco bewerkt en gepubliceerd. In testament 16-9-1476 noemt Sikke Oedsinga ook nog een tante DOEDE. H.W. Steenstra “Geschiedenis van Friesland” (1845), deel II pag 264.

Werkdocument 2007