Generatie 18 — Detail
Generatie 18 (edel-ouders, 131072-262143)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Arent (Aernt) Hugenszn (VAN DER WOUDE), bezit sate (boerderij) in het Schieveen (Overschie), benoorden Rotterdam, gehuwd met
- Geertruyd Pouwelsdr (VAN ALKEMADE), zij bezit land te Berckel, benoorden Rotterdam, ca 1350
Ouders van: Pouwels Aerntsz (kw 85760).
In de tijd van leven van Arent en Geertruyd ontstaan in Holland “de Hoekse en Kabeljauwse twisten”. Het Hollandse gravenhuis is rond 1300, na vier eeuwen, uitgestorven. De aanspraken gaan over naar “de koude kant”, via huwelijk van Hollandse graafdochter met Henegouwse graafzoon (in België). De oom of neef Jan VAN HENEGOUWEN verdedigt het Hollandse en Zeeuwse erfgoed tegen de aanspraken die Engeland en Frankrijk erop maken. Zijn zoon Willem VAN HENEGOUWEN wordt graaf van Holland en raakt bekend als een heel goede bestuurder. Hij huwelijkt zijn dochters uit aan zonen van belangrijke partijen. Dochter Margaretha bijvoorbeeld aan een zoon van de hertog van Beieren. Die zoon wordt (toevallig) keizer van het Duitse Rijk, een tiental jaren lang. Haar jongere broer Willem VAN HENEGOUWEN (de tweede) erft van zijn vader de graaftitel in Holland. Hij is bekend als militair. Betrokken bij allerlei veldtochten, oa in Polen/Litouwen. Dat kost veel geld. Als graaf van Holland verslaat hij de bisschop van Utrecht en vaart hij hierna de Zuiderzee over om de Friezen te onderwerpen. Deze inval in Friesland “Slag bij Warns” (1345) loopt voor hem en talrijke “Hollandse edelen” falikant af. Hij sneuvelt en anderen met hem.
De VAN ALKEMADE-naam is in verband te brengen met het gelijknamige hof te Warmond (Sassenheim), aan de Kagerplassen benoorden Leiden. Floris VAN ALKEMADE (ook: VAN SASSENHEIM), ovl in 1310, had deze hoeve in bezit. Van hem zijn twee zonen bekend: Floris VAN ALKEMADE (ovl ca 1334) en Hendrik VAN ALKEMADE (ook: VAN POELGEEST), ovl ca 1319/20. Van beide zonen een zoon Floris. De zoon Floris van Floris trouwde met Hildegarde, dv van Gerard DEVER. De zoon Floris van Hendrik, Floris VAN ALKEMADE Hendrikszn, trouwde met Ada VAN WOUDE, en was vermoedelijk rentmeester van Kennemerland. Over een zoon Pouwels (of Paulus), mogelijk derde zoon van de eerstgenoemde Floris VAN ALKEMADE, ontbreken gegevens. Geertruyd te beschouwen als dochter van deze Pouwels.
- Daniel Willems, Dordrecht, ovl in 1401, gehuwd met
- Soete Willemsdr VAN BEVEREN, ovl in 1437
Ouders van: Willem Bever Danielsz (kw 97648) De naam VAN BEVEREN is via de vrouwelijke lijn in de familie gekomen. Na het overlijden van Daniel in 1401 is Soete getrouwd met Gijsbrecht Neijsse Wouters VAN GENDEREN. Ze woonden in het huis “De Drie Coningen” bij de nieuwe brug in Dordrecht. Op 4-10-1431 stichtte zij het Sint Elisabethsaltaar (Van Beverenkapel) in de Grote Kerk.
- Liefman Willemsz, geb ca 1370, ovl voor 1432, door de heer van Putten beleend met Weede (1399) en met de tienden van Zeldert (1403). Gehuwd in 1403 met
- Nn VAN DER WEEDE, geb ca 1375.
Ouders van: Catharina Hendricks VAN WEEDE (kw 97649)
- Hendrick, in 1404 inwoner van Gorinchem 195309.
Ouders van: Screvel Hendricks (DE JOODE) (kw 97654)
- Jan SNOUCK, in 1404 vermeld als schepen van Gorinchem 195313.
Ouders van: Henrick Jansz SNOECK (kw 97656) 196272. Doen Beijensz (Doedijn Beyensz, Doen Beijensz de Oude), geb ca 1390, ovl voor 11-9-1452 te Poortugaal, leenman van de Hofstad Putten, in 1429-1434 en in 1445 vermeld als leenmangetuige voor de heer van Putten. Gehuwd met 196273. Margriet Heijndricks, ovl 1446. Dochter van Heijndrick en Suetkin.
Er is geen melding dat of wanneer hij beleend werd met het leenland van zijn vader. Op 1-4-1429 wordt Doedijn Beijens na opdracht uit eigen beleend met 2 gemet land aan de Hofweg te Poortugaal, vervolgens treedt hij ook op als leenmangetuige voor de Heer van Putten. Dit wijst er op dat hij voor zijn vader in de plaats kwam. Op 21-9-1434 zegelt hij bepalingen inzake dijk- en waterschapsrechten en in 1436 wordt hij genoemd als medebedijker van het Oudeland van Strijen. In de nacht van 18 op 19 november 1421 had een grote storm met vloed (de Sint-Elizabethsvloed) voor grote overstromingen gezorgd. In de jaren daarna kwamen regelmatig ook hevige stormen voor en de toestand van de dijken voorzover die er nog lagen, was meestal slecht. Als gevolg van de burgeroorlog (Hoeken en Kabeljauwen) werd er lang te weinig gedaan, maar nadat op 12 april 1433 Jacoba van Beieren haar aanspraken opgeeft en Philips van Bourgondie Holland en Zeeland inlijft, wordt het politieke klimaat een tijdlang rustiger. De dijkverbetering krijgt direct meer aandacht en Doen Beijensz krijgt daarin rond Poortugaal een verantwoordelijke rol. Gaandeweg krijgt hij meer percelen tot zijn beschikking. Rond 1450 maakt hij testament en vestigt zijn memorie op 2 gemet land in de Versnellehoek (Nieuw-Rhoon), te versterven op zijn zoon Beye Doens. Hij overlijdt voor 11-9-1452 want op die datum wordt zoon Beije Doens (kw 98136) beleend met het leenland van zijn vader. Voor Margriet Heijndricks, overleden in 1446, was een memorie gevestigd op 4 lijn land achter de kerk van Poortugaal. Dit werd later deel van de Grote Memorielanden aldaar.
Uit het huwelijk: - (1) Beijen Doens. ZIE kw 98136. - (2) Aechte Doen Beyenzoonsdochter. Vermoedelijk ongehuwd gebleven. Sticht memorie, verzekerd op 2 gemet land in Oedenvliet (= Hoogvliet), genaamd Vranckenland, te versterven op haar zuster Ariaen Doen Beyenzoonsdochter, gehuwd met Dirck Westgeest, burgemeester te Rotterdam, en vervolgens op de oudste en naaste nakomelingen van haar vader. Deze bepalingen moeten in jaren voor 1-7-1461 zijn neergeschreven omdat haar zus en de man van haar zus op die datum beide al overleden zijn. (Westgeest = Oegstgeest?) - (3) Ariaentge Doen Beyenszoondochter, ovl voor 1-7-1461, de datum waarop haar broer Beijen wordt aangesteld als voogd over de kinderen van haar en haar ook overleden man Dirck van Oegstgeest, in leven burgemeester van Rotterdam. (Oegstgeest = Westgeest?) Het echtpaar laat o.a. 48 gemet land te Poortugaal na. Ariaentge had haar memorie bepaald op 2 gemet land aan de Moelenweg (Molenweg) te Poortugaal, te versterven op haar jongste kind. Door de weeskamer van Rotterdam worden op 24-4-1475 de laatste rentebrieven en juwelen aan haar kinderen overhandigd. - (4) Huych Doensz, kinderloos overleden. Memorie gevestigd op 2 gemet land, genaamd Huych Blixsland, te versterven op Beye Doensz en vervolgens op de oudste en naaste van Doen Beyensz.
c) De JONG-kwartier (Friesland)
- Doeke DOTINGA (DOETINGA of nog anders geschreven) 209405.
Ouders van: Hette Doeckes DOETINGA Offcke Doekes DOTINGA (kw 104702)
Er zijn redenen om aan te nemen dat Doeke DOTINGA in deze kwartierstaat in 18de voorgeneratie als voorvader mag worden genoemd. Volgens genealogisch gebruik: edelvader. Echt “edel” mogen we hopen dat hij was. In zijn eeuw knuppelden de “kerels” (hoofdelingen ook wel genoemd) elkaar met behulp van andere hoofdelingen, hangjongeren en te wapen geroepen personeel regelmatig dood. Dat gebeurde niet alleen in Friesland. Ook in Holland en Gelre en elders in de wereld. De introductie van nieuw wapentuig, geleerd bij de kruistochten (musketten en kanonnen: vuurwapens), was een factor die meespeelde. Maar onderling geruzie en vaak meedogenloos verweer en wraak leidde tot overdadig geweld, met nieuwe en oude wapens, dat moeilijk viel af te remmen. Dit duurde tot en met de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) die veel veranderde. Maar ook niet alles.
De naam van Doeke DOTINGA vinden we expliciet vermeld bij nieuwsbericht uit 1444. In de onderlinge strijd om vrijere handelswegen (handelsvaarten) rondom Leeuwarden was Sjoerd GROVESTINS te Engelum, enkele kilometers noordwestelijk van Leeuwarden, een irritante dwarsligger. Hij barricadeerde een belangrijke route. De Grovestins was een versterkte plaats, een der sterksten in gansch Friesland. Een vooruitgeschoven bolwerk van de Schieringer-partij. In de zomer van 1444 werd de stins onverhoeds stormenderhand aangevallen en bemachtigd. Sjoerd GROVESTINS en zijn zoon werden gevangen genomen, die zij op Sjaardema huis te Franeker in bewaring stelden. Aan de overval en verovering van de Grovestins deden Doeke en zijn broer Abbe DOTINGA mee met opgetrommeld manvolk: Sikko en Douwe SJAARDEMA, Doeke en Abbe DOTINGA, Rommert GABBINGA, Keimpe UNIA, Lieuwe OEDSMA, Worp JUCKEMA, Rienk KAMSTRA, Sikko MARTENA, Ruurd ROORDA, Gerrolt HERAMA en “eene menigte van hunne vrienden en hunnen aanhang”.
Bijna 20 jaar later terroriseerde de Schieringerpartij (Donia-oorlog) het gebied bezuiden, tussen Sneek en Akkrum, Rauwerderhem. Daar werd o.a. de AESGAMA-state aangevallen en veroverd en als uitvalsbasis gebruikt. Verband tussen deze AESGAMA’s en latere meldingen van AESGAMA’s nog niet gevonden.
- Fedde MERNSTRA (HAERDA) ), geb ca 1400, woonde te Pietersbierum (zusterdorp van Sexbierum, grietenij Barradeel, aan de NW-Waddenkust boven Harlingen), trouwt met
- Catharina
Ouders van: Luts Feddes Mernstra (Haerda) (kw 104703) en wellicht ook van Lolle MERNSTERA die vanaf 1463 grietman was van Barradeel.
xxxxxxxxxxx
Edelvader Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. Het is nog even onduidelijk vanaf wanneer en of dit al Fedde betrof. De HAERDA (Haarda, Handa) state bevond zich bij Oosterbierum (Barradeel) en kan via huwelijk binnen de familie zijn gekomen. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij een zoon of kleinzoon van Fedde.
De oudere naam MERNSTRA kan te maken hebben met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. De inpolderingen zorgden voor nieuw landbouwgebied waarop diverse stinsen ontstonden. Naar de HAERDA-stins “nam het geslacht MARNSTRA of MERNSTRA in later tijd de naam van HAARDA aan”.
Notities: - De naam MERNSTRA komt na 1500 nauwelijks meer voor, de naam HAARDA overweegt. Soms nog gekoppeld aan de eertijdse naam. - Piso HAARDA was een van de ondertekenaars van het Verbond der Edelen uit 1566 dat zich keerde tegen de inquisitie en de plakkaten van het “Spaanse bewind” en dat mede aanleiding was tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).
Generatie 18 bestaat uit zo’n 130.000 personen, 65.000 echtparen. Ze hebben voornamelijk in Friesland dan wel in Holland gewoond, twee regio’s die in de periode van eind 14de eeuw toen onze edel-ouders leefden, vijandig tegenover elkaar stonden. Daar ging al een lange historie aan vooraf. Maar nadat in september 1345 de onverstandige graaf Willem IV van Holland met een vlootleger de Zuiderzee was overgestoken, bij Stavoren aan land was gegaan om Friesland definitief te onderwerpen en daarbij meteen met zijn leger in een hinderlaag liep (de Slag bij Warns) en samen met een groot aantal edelen sneuvelde, was de wraakbehoefte aan Hollandse kant extra vergroot. Op het niveau van de machthebbende families, in ieder geval. Onze Hollandse resp. Friese edel-ouders dachten er wellicht anders over of bemoeiden zich er niet mee. Kenden elkaar niet eens.
Omdat Willem IV geen mannelijke nakomeling had, ging de grafelijkheid over Holland en Zeeland (en de claim op Friesland) over naar zijn zus Margaretha van Henegouwen, getrouwd met Lodewijk van Beieren die in het Duitse rijk met de keizerstitel stoeide. Jonge zonen van Margaretha werden als waarnemers aangewezen, kregen ruzie met hun moeder en in Holland barstten de Hoekse en Kabeljauwse twisten los met vele nare gevolgen. Onze edelouders en edel-grootouders in Holland, vooral rond Den Haag, zaten daar maar mee in die tijd. De jongste zoon van Margaretha van Henegouwen, Albrecht van Beieren, die in 1357 het bewind kreeg toegewezen, nadat zijn broer Willem (V) er behoorlijk gek van was geworden, stelde zich diplomatieker op, maar met een hardhandig politietoezicht op de achtergrond. Rond Den Haag werd het leven draaglijker. Albrecht zorgde zelfs voor een hofleven en dat Den Haag residentiestad werd is aan hem te danken. Redelijk goede tijden voor onze edelouders in de nabijheid van Den Haag.
In 1392 wordt Albrecht van Beieren razend van woede. Hij (geboren 1330 te München) was als 60-jarige aan het Haagse hof smoorverliefd geraakt op de schoonheid, jonkvrouwe Aleid VAN POELGEEST. Zijn omgang met dit meisje was zo intiem en hardnekkig dat zoon Willem (VI) vreesde dat er kindjes van zouden komen en dat hij in zijn erfrechten vreselijk geschaad zou kunnen worden. Wat er precies aan complotten werd gesmeed is onduidelijk of elders te lezen. Zeker is wel dat de jonge Aleid, 22 jaar, bij een zondagse wandeling over het Buitenhof te Den Haag, 22 september 1392, samen met haar lijfwacht wordt overvallen en door messteken gedood. Albrecht vermoedde (of wist vrijwel zeker) van welke kant de moordenaars kwamen en stuurde er zijn mannen op af. In die tijd wordt rond Den Haag weer terreur uitgeoefend en worden veel huizen verwoest of verbeurd verklaard.
De woede van Albrecht strekt zich ook uit in noordelijke richting omdat hij weet dat in Friesland veel verklaarde tegenstanders van hem een (tijdelijke) onderduik kunnen vinden. In 1395 besluit hij tot een invasie. In de twintig jaar ervoor had hij zich al zwaar geërgerd aan de piraterij op de Zuiderzee van Friese en Kuinderse kant. In 1381 had hij zich de eilanden Urk en Schokland (Emmeloord) toegeeigend, die zogenaamd tot de heren van Kuinre behoorden en door deze heren als uitvalsbasis voor de zeestroperij werden benut. Begin 1396 maakt hij een afspraak met de zittende heer Herman II van Kuinre om (ver oostelijk van Warns) in diens gebied aan land te kunnen gaan om vandaaruit Friesland in te trekken. Zo gebeurt in augustus 1396. In de slag bij Schoterzijl sneuvelen in twee dagen tijd ruim 1600 Friezen, volgens de verhalen. Een complete overwinning voor Albrecht die zijn leger daar laat overwinteren. Herman van Kuinre schijnt een dubbelrol te hebben gespeeld en wordt gevankelijk naar Holland afgevoerd. Het slot te Kuinre en de bezittingen worden geplunderd. Na Schoterzijl vinden geen grote veldslagen meer plaats omdat noordelijk Friesland daartoe niet bereid is of de legers niet kan vormen. In 1398 erkennen Kuinre, de Stellingerwerven en Oostzingerland (Lemsterland) Albrecht als hun heer. Na het overlijden van Albrecht in 1404 kan de bisschop van Utrecht de aanspraken op het gebied vernieuwen.
In Holland verhevigen zich de Hoekse en Kabeljauwse twisten (rond Jacoba van Beieren, kleindochter van Albrecht) en de aandacht voor Friesland vanuit Holland nam weer een tijd af.
Bijna een eeuw later wanneer ook de Friezen zich onderling bestoken in twisten, Schieringers en Vetkopers, en Groningen (bisschop van Utrecht) Oostergo bezet, roepen de Schieringers (Westergo) een verre opvolger van Albrecht van Beieren te hulp, Albrecht van Saksen. Dit leidt tot een bezetting van heel Friesland voor enkele tientallen jaren, de “vrijheidsstrijd” onder “leiding” van Grutte Pier en dat soort zaken. Maar dan zijn onze edelouders in Holland zowel als Friesland allang overleden en hebben jongere generaties met deze kwesties te maken. Een aanvulling hierna.
- Minthie (Mintze, Menso), geb ca 1430 midden-Friesland 212785.
Ouders van: Gerrolt Minthies (kw 106392) Douwe Minthies Gosse Minthies Fed Minthies Tryn Minthies Gotk Minthies Doed Minthies PM: Palstra-stamboom (palstra.com).
- Here (mogelijk: Hera Mynnaz te Goïngarijp (Doniawerstal, FR) aan het Sneekermeer), geb ca 1450 212793.
Ouders van: Jelte Hereszn Foppe Hereszn Jorryt Hereszn (kw 106396) PM: Palstra-stamboom.
JAN & HILLIE: DONIA-connectie
Edelouders van zwager JAN DE LEEUW (1941-2002) zijn o.a. Syrck DONIA (Harinxma) geweest en diens vrouw Auck Benedictus DONIA. Voor de kinderen van zus Hillie zijn deze Syrck en Auck dus twee van hun rond 260.000 edelgrootouders. Over die twee zijn historische meldingen bewaard, bijvoorbeeld omdat de vader van Syrck heerschap te Heeg was en in de strijd tegen hertog Albrecht van Beieren, zie hierboven, optrad als potestaat van Westergo (legeraanvoerder).
Tijdens de slag bij Schoterzijl (29 augustus 1396) sneuvelt de toenmalige legeraanvoerder van de Friezen, Juw JUWINGA. Omdat Albrecht vanwege de winters, het drassige terrein en geldgebrek het grootste deel van zijn leger weer naar Holland verscheept en slechts enkele bezettingen achterlaat, kunnen de Friezen zich herorganiseren. Maar ze zijn ook verdeeld door (regelmatig) bloedige vetes, de zogenaamde strijd tussen Schieringers en Vetkopers, en allerlei eigenbelang. Een nieuwe “potestaat” is moeilijk te vinden.
Uiteindelijk besluit men er eentje voor Oostergo te benoemen, de “Vetkoper” Sjoerd WIARDA van Goutum, en eentje voor Westergo, de “Schieringer” Haring HARINXMA van Heeg. Ook bekend als Haringh DONIA (thoe HEEG). Vader van Syrck DONIA (Harinxma) en edelgrootvader van Theunis-Jan en Ellen DE LEEUW.
Er gebeurt nog een heleboel en door de kleinzonen van Haringh woedt er in Midden-Friesland nog even een bloedige “Donia-oorlog” (Schieringers tegen Vetkopers). Maar dat verhaal is elders beschreven. Haringhs kleindochter Ael Syrcks van DONIA trouwt met een waarschijnlijk wat minder vechtlustige Merck die als zwager (vererving via Ael) aan de Donia-bezittingen wordt geliëerd. Via vrouwelijke lijnen komen we vervolgens bij de Stellingwerfse grietman Eyse Jan Willems van Terwisga die trouwt met een achterkleindochter van Merck en Ael. Dan zit je begin 16de eeuw. Zeven generaties later trouwt Grietje Wiebes VAN TERWISGA met Tjepke Hendriks BUWALDA (boer te Het Meer), betovergrootouders van Akke BUWALDA, de moeder van Jan DE LEEUW. De Friese vrijheidsstrijder Grutte Pier wordt ook DONIA genoemd, naar de naam van zijn boerderij “Donia-state”. Er is geen bewijs dat hij persoonlijk stamde uit de Donia-lijn zoals hierboven bedoeld. PAGE 90 3 Werkdocument 1 Omendebij en vóor 1700 – april 2003
PAGE 9 3 Werkdocument 2008
Werkdocument 2008