Generatie 19 — Detail
Voorouders in de 13de en 14de eeuw
Van de meeste voorouders die in de 13de en 14de eeuw leefden weten we alleen dat zij toen leefden en kunnen we een vermoeden hebben over waar en hoe. Dat zij toen leefden is duidelijk: zonder hen waren wij niet geboren. Verder is er de rekensom: 2 ouders, 4 grootouders, 8 overgrootouders, 16 betovergrootouders, 32 oudouders, 64 oudgrootouders, 128 oudovergrootouders, 256 betoudovergrootouders, 512 stamouders, 1024 stamgrootouders, 2048 stamovergrootouders (voorgeneratie 12) en zo verder terug. Bij voorgeneratie 18, edelouders, komt de teller op 131.072 voorouders in die generatie (voorvaders en voormoeders tezamen) die ongeveer in de 15de of begin 16de eeuw leefde. De uitslag van deze rekensom is theoretisch. In de loop van eeuwen komen huwelijken voor tussen mannen en vrouwen die meer of minder ver terug in de tijd van dezelfde familie zijn: zij hebben deels dezelfde voorouders. Ver terug in de tijd of minder ver terug. Soms zijn de grootouders dezelfde, maar vaker overgrootouders of nog eerdere voorouders, mogelijk heel ver terug in de tijd en voor de gehuwden niet of nauwelijks bekend. De rekensom of optelsom van voorouders komt dan uit op een lager totaal.
Elizabeth DE JONG (1910-1989, kw 3) die 21-6-1934 trouwt met Willem VAN DER HOEK (1906-1961, kw 2) is een late dochter uit het derde huwelijk van Klaas Piers DE JONG (1853-1930, kw 6). Uit zijn huwelijk met Fokje Jurjens SCHIPPER (1870-1936, kw 7). Bij haar geboorte was vader Klaas 57 jaar oud en moeder Fokje op enkele dagen na 40 jaar oud. Zij verhuisden toen naar Duitsland.
Generatie 19 (edel-grootouders, 262144-524287)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Hughe (Hugo II) VAN DEN WOUDE, geb ca 1295, gegoed in Rijswijk en in Sint Maartensrecht in Delfland, in 1346 vermeld als een van de raadsheren van keizerin Margareta.
- (enkele keer genoemd als dochter van Arent VAN DUVENVOORDE, maar dit lijkt de moeder van Hughe II te betreffen – verder onderzoek)
Ouders van: Aernt Hugenszn (kw 171520).
De geschiedenis van edelgrootvader Hughe VAN DEN WOUDE, vanaf zijn 50ste verjaardag, lijkt bepaald door het debakel van 26-9-1345 (“slag bij Warns”). Bij een aanval op Friesland sneuvelt de graaf van Holland met een groot deel van zijn gevolg. De graaf heeft geen opvolger, laat wel enorme schulden na. In de politiek van direct erop wordt Hughe vermeld als raadsheer van keizerin Margareta, oudste zus van de gesneuvelde graaf. Daarna in het gezelschap van haar zoon Willem VAN BEIEREN (13 jaar oud) die als voorlopige opvolger (“verbeider”) de graaftitel namens zijn moeder mag gebruiken. Hughe VAN DEN WOUDE is aanwezig te Geertruidenberg bij de dagvaart namens Willem VAN BEIEREN, begin 1347, en lijkt in zijn gezelschap (met militie) naar graafschap Zeeland te zijn getrokken (erg op Engeland gericht). De Zeeuwse havenstad Zierikzee werd beboet en Hughe VAN DEN WOUDE werd er mei 1347 door de graaf tot baljuw benoemd en achtergelaten. Binnen een maand werd hij in die functie door een tegenpartij overvallen en gevangen gehouden. Deze kwestie werd na een zestal weken bijgelegd (en de leider van de tegenpartij sneuvelde niet lang daarna). Hoelang Hughe nog als baljuw van Zierikzee hierna aanbleef, is niet bekend.
Keizerin Margareta is oudste zus van graaf Willem IV van Henegouwen, Holland en Zeeland die 26-9-1345 bij een inval in zuidwest-Friesland (“slag bij Warns”) samen met veel andere edelen om het leven komt. Omdat de graaf geen kinderen nalaat, wel veel schulden, en zijn jonge weduwe Johanna, dochter van de hertog van Brabant, mogelijk op advies van haar vader, direct vertrekt en laat weten van claims af te zien (behalve een pensioen uiteraard), ontstaat er een opvolgingskwestie. De gesneuvelde graaf heeft 4 zusters, zodat een zusterdeling van de nalatenschap moet worden overwogen. Koning Edward van Engeland laat al binnen enkele weken merken dat het graafschap Zeeland (belangrijke schakel in het handelsverkeer tussen Engeland en het continent) bij zo’n zusterdeling aan zijn echtgenote koningin Philippa zou kunnen/moeten toevallen, de tweede zus van graaf Willem. De oude graaf, Willem III, was een diplomaat en had zijn oudste dochters aan hoogmogende partijen uitgehuwelijkt. Margareta trouwt in 1324 met (dan al Duits keizer, diens tweede huwelijk) Ludwig der Bayer die leefde 1281-1347 (huis Wittelsbach), een aggressief persoon, door de paus van Rome in de ban gedaan. Bij de opvolgingskwestie na de dood van graaf Willem IV (“slag bij Warns”) reageert de keizer op de claims van de Engelse koning door te bepalen dat het om Duits leengoed gaat dat nu terug is gevallen aan de Duitse keizer en dat door hem opnieuw kan worden uitgegeven. En hij beleent 15-1-1346 zijn echtgenote Margareta met de graafschappen Henegouwen, Holland, Zeeland en de heerlijkheid Friesland, als opvolgster van haar broer Willem IV. Op dit “keizerlijk” besluit was door de tegenpartijen weinig weerwoord te geven, hoewel de rechtmatigheid niet algemeen wordt aanvaard. Margareta laat zich in maart 1346 te Henegouwen inhuldigen. Rond 13-4-1346 arriveert ze in Middelburg om haar aanspraak op Zeeland te regelen (Zierikzee lag dwars en er was dreiging van een Engelse invasie). Ze wordt bijgestaaan door minstens twee Zeeuwse raadsleden: Arnoud van Haamstede en Klaas Kervink van Reimerswaal. En liet direct Wolfert III van Borselen, heer van Veere, arresteren die tegen haar opponeerde. De namen van Heer Arnoud en Heer Wolfert komen hieronder in verband met Hughe VAN DER WOUDE in het verhaal terug. Een deel van de Zeeuwen zag de keizerin liever niet komen. Dat Margareta binnen een week na aankomst bij oorkonde van 18-4-1346 haar pas 4-jarige zoon Otto verzekert van het recht van opvolging in de heerlijkheid Voorne en het burggraafschap van Zeeland, bevestigt het wantrouwen bij deze tegenpartij. Margareta reist na twee weken in Zeeland door naar Holland: op 30-4-1346 is ze te Dordrecht en bevestigt ze daar de privileges van deze centrale handelsstad. Vervolgens trekt ze naar Den Haag van waaruit ze op 27-5-1346 alsnog ons lands ende onse steden in Zeelant een vrede opdraagt voor de duur van een jaar in verband met de oppositie die onse steden ende onse land van Zeelant verderven woude. Terwijl ze in Holland is (ze zal Zeeland niet meer bezoeken) achtervolgt haar de Zeeuwse kwestie dus nog en brengt haar tot deze, vrij loze, aansporing tot vrede voor een jaar. Te Den Haag probeert gravin Margareta verder de Hollandse steden voor zich te winnen. De privileges van havenstad Schiedam worden door haar op 28-5-1346 bevestigd, die van Amsterdam en Oudewater op 29 mei, van Leiden op 30 mei en van Naarden en Muiden op 31 mei. “Van andere steden in Holland zijn deze bevestigingsoorkonden niet overgeleverd. Aangenomen moet worden dat zij nooit door Margareta zijn afgegeven, want ook in ander opzicht openbaarde zich weldra een breuklijn tussen de steden en de vorstin.” Margareta liet in de drie maanden die ze verder te Den Haag verbleef andere maatregelen nemen om stadsbesturen voor zich te winnen. Maar: “De lijdzaamheid van de stadsbesturen tegenover haar bewind doet veronderstellen dat men bevreesd was voor de politieke en financieel-economische consequenties van de regering van de vrouw van de keizer.” Een sterke rol achter deze “lijdzaamheid” speelden hoogstwaarschijnlijk ook de enorme schulden die haar in Friesland gesneuvelde broer graaf Willem IV naliet, veroorzaakt door diens hofhouding en vele veldtochten. Men wilde eerst wel compensatie. Ook in mei 1346 bevestigt Margareta, samen met haar oom Jan van Henegouwen, die na de dood van Willem IV als legerleider en interim-manager in Holland verbleef, de landrechten van Zuid-Holland, Noord-Holland en Kennemerland. Geen buitenlandse oorlog meer ten koste van deze landen dan na voorafgaand overleg met en toestemming van onser ridderen ende knapen ende onse goede steden van Hollant. Zonder overleg en toestemming geen bijdrage aan een dergelijke oorlog. Verder moest Margareta beloven voortaan alleen welgeborenen als leden van de grafelijke raad of als zegelaar te benoemen: geen ter lande onbekende figuren.
Hugo VAN DEN WOUDE (VAN DER WOUDE) komt als raadslid van Margareta voor in juni 1346 (Den Haag) en september 1346 (Geertruidenberg) als mede-ondertekenaar van door haar uitgevaardigde oorkondes. Op 14-6-1346 te Den Haag samen met Jan DE MOILNAAR en op 27-6-1346 aldaar samen met Jan PERSIJN en Dirk (III) VAN BREDERODE. Op 1-9-1346 te Geertruidenberg samen met Jan DE MOILNAAR en Dirk (III) VAN BREDERODE en op 4-9-1346 samen met Jan DE MOILNAAR, Jan VAN NOIRTICH en Gerard VAN HEEMSKERK.
Hughe VAN DEN WOUDE wordt enkel in de zomermaanden van 1346 als lid van de grafelijke raad vermeld. Oorzaak is vermoedelijk het feit dat Lodewijk VAN BEIEREN, de Duitse keizer, zijn echtgenote Margareta in juli 1346 terugroept naar Duitsland. Lodewijk, inmiddels 60-plusser, had de keizerstitel al ruim een kwart eeuw (begonnen voor zijn huwelijk met Margareta) en was totaal niet bevriend met de paus van Rome. De keizerstitel (Rooms-Duitse keizer) had pauselijke instemming nodig en Lodewijk had die verspeeld. In 1332 was hij door de paus al “in de ban” gedaan. Wat Lodewijk niet verhinderde om als Duits keizer verder te gaan. In juni 1346 stuitte hij op de verkiezing van Karl IV, huis Luxemburg, zoon van koning Jan van Bohemen, als tegenkoning door de keurvorsten van Mainz, Keulen, Trier, Saksen en Bohemen. Paus Clemens VI steunde deze nieuwe kandidaat voor de keizerfunctie door de keizerlijke waardigheden aan Lodewijk gegund vervallen te verklaren. Keizer Ludwig der Bayer (1281-1347) roept Margareta die bezig is haar lenen in Henegouwen, Zeeland en Holland op orde te brengen naar Duitsland terug. Dat gaat niet zomaar. Keizer Lodewijk beslist dat hun zoon Wilem VAN BEIEREN, 13j oud, hertog van Beieren, onder begeleiding, naar Holland afreist om daar in de plaats van Margareta als gouverneur en toekomstig landsheer van Henegouwen, Holland, Zeeland en Friesland, te gaan functioneren. Margareta krijgt de tijd om haar vertrek uit de “erflanden” te regelen, maar wel zo spoedig mogelijk. Zij vertrekt vanuit Den Haag via Geetruidenberg naar Henegouwen. Bij oorkondes door haar begin september 1346 te Geertruidenberg uitgevaardigd is Hughe VAN DEN WOUDE als raadslid nog mede-ondertekenaar. Margareta vertrekt naar Henegouwen (raadslid Arnoud VAN HAAMSTEDE vergezelt haar), en voegt zich in november 1346 bij haar echtgenoot, keizer Ludwig der Bayer in Beieren, die 11-10-1347 overlijdt, ca 66j oud. Door zijn overlijden wordt Karel IV van Luxemburg de nieuwe keizer. Ex-keizerin Margareta bemoeit zich hierna weer met haar erfrechten in Henegouwen-Holland-Zeeland-Friesland, tegen de strategie rondom haar jonge zoon Willem (de Verbeider) in.
Na het vertrek van Margareta uit Holland september 1346 nemen de adviseurs rond zoon Willem (dan 13 jaar oud) de bestuurlijke leiding over. De eerste in zijn naam uitgevaardigde oorkonde is van 3-11-1346. Hughe VAN DEN WOUDE bleef misschien lid van de grafelijke raad maar als mede-ondertekenaar van grafelijke oorkondes wordt hij niet meer apart vermeld. Hij is wel aanwezig bij de algemene vergadering (dagvaart) van 27-1-1347 tot 13-2-1437 te Geertruidenberg o.l.v. Jan VAN HENEGOUWEN en Willem VAN BEIEREN. Daar doet de rekenmeester Ysebout VAN ASPEREN verslag van uitgaven en inkomsten. Het stadsbestuur van Zierikzee had geen gehoor gegeven aan de dagvaart. Op 7/8 februari leidt dit tot een veroordeling van de stad door de te Geertruidenberg aanwezige partijen en de oplegging van een forse boete (200 pond groten). Om orde op zaken in Zeeland te stellen trekken HENEGOUWEN en BEIEREN met gevolg, ondermeer Wolfert III van Borselen, heer van Veere, en Arnoud van Haamstede, heer van Moermond, maar kennelijk ook Hughe VAN DEN WOUDE, naar dit graafschap. Van 1-3-1347 tot 9-4-1347 is het gezelschap te Middelburg en worden allerlei maatregelen genomen om het gezag in Zeeland te herstellen. Hierna vertrekt men naar Haamstede op het eiland Schouwen, gelegen in de duinen ten noordwesten van Zierikzee. De stad geeft gehoor aan het bevel om een delegatie naar Haamstede te sturen zodat het op 16-4-1347 daar tot een overleg komt. Gevolg van het overleg is dat het grafelijk gezelschap zonder strijd te Zierikzee kan binnentrekken, waar het van 19-4-1347 tot 6-5-1347 verblijft. De privileges van de stad worden bevestigd, maar wel wordt bepaald dat jaarlijks de nieuw gekozen schepenen door de landsheer zullen worden benoemd en dat de op de dagvaart te Geertruidenberg gestelde boete door het stadsbestuur moet worden betaald (dit gebeurde ook tijdens de volgende maanden, 2400 gouden schilden). Daartegenover werd tegemoet gekomen aan een aantal fiscale bezwaren van de burgers van de stad en een regeling getroffen betreffende import vanuit Engeland. Na gedane zaken te Zierikzee vertrekt het grafelijk gezelschap naar Middelburg en vandaar naar Holland (Den Haag). In het graafschap Holland moesten de Kennemers en Westfriezen nog bedwongen worden die, zoals Zierikzee, meer op Engeland waren gericht dan op Duitsland.
Binnen een maand na vertrek van de graaf uit Zierikzee volgt er een schandaal. Op Schouwen komt Arnoud VAN HAAMSTEDE, heer van Moermond (Moermond: het gebied op Schouwen van Haamstede en Renesse, bij Renesse nog steeds het kasteel Moermond), vrij direct weer in conflict met het stadsbestuur van Zierikzee. De baljuw van Zierikzee is dan: Hugo VAN DEN WOUDE. Kennelijk enkele weken ervoor als zodanig door de graaf benoemd vanuit het grafelijk gezelschap en te Zierikzee als zijn rechtsvertegenwoordiger achtergelaten. Rond 2-6-1347 is baljuw Hugo met schepenen van Zierikzee naar Haamstede gegaan om een geschil met Arnoud bij te leggen. De delegatie wordt door Arnoud en zijn medestanders (waaronder ook burgers van Zierikzee) overvallen en gevangen gezet. De gijzeling duurt zes weken: 19-7-1347 vindt er een “verzoening” plaats tussen Arnoud van Haamstede, de stad Zierikzee en Hugo van den Woude. Arnoud VAN HAAMSTEDE moest al direct in juni (nog tijdens de gijzeling) zijn gedrag bekopen: zijn lidmaatschap van de grafelijke raad waaraan hij veel van zijn gezag ontleende werd onmiddellijk beeindigd. Wolfert III VAN BORSELEN werd zijn opvolger als belangrijkste raadslid in Zeeland. Arnoud sneuvelt voor 7-10-1347. In de partijstrijd hierna (Hoekse en Kabeljauwse twisten) gaan de twee families elkaar nog regelmatig te lijf.
Hughe VAN DEN WOUDE, edelgrootvader in onze kwartierstaat, was korte tijd baljuw van Zierikzee – indien het bij deze twee Hughes VAN DEN WOUDE om dezelfde persoon gaat - . Gegijzeld en weer vrij gekomen? Zijn naam komt in meldingen na 1347 niet meer voor.
Zoon Aernt Hugenszn (kw 171520) komt in verdere politieke verhalen (Hoekse en Kabeljauwse Twisten) niet bij name voor. Hij hield zich mogelijk buiten de twisten. Poldergeschiedenis tussen Delft en Rotterdam volgt in de voorfamilie.
-
Willem Danielsz 390593. In 1420 te Dordrecht vermeld omdat hij iemand, per ongeluk, doodsloeg. De rechtspraak hieromheen kennen we niet. Enkel deze melding. Hij schijnt al wel een belangrijk burger te Dordrecht te zijn geweest. Ouders van: Daniel Willems (kw 1952
-
Willem Jansz VAN BEVEREN, ovl te Dordrecht 24-6-1398, eigenaar van het schrootambacht (schoutambacht?) 390595. Ouders van: Soete Willemsdr VAN BEVEREN (kw 195297)
-
Willem VAN DER WEEDE, geb ca 1340, ovl voor 1391, bastaardzoon van de heer van Strijen, gehuwd met Beele Janne Colvedr, relatie met
- Katerine Dircksdr VAN BREDA, vermeld in 1371
Ouders van: Liefman Willemsz (kw 185298)
- Beye Beyensz, leenman van de heer van Putten, vermeld 1395/96 392545.
In 1395/96 wordt Beye Beyensz vermeld omdat hij een stuk land langs de dijk tussen Poortugaal en de IJssel in pacht krijgt van Zweder van Abcoude, heer van Putten. Zijn vader Beye Rutghersz (kw 785088) is in die periode ook nog pachter en zelfs eigenaar van land rond Poortugaal, Spijkenisse, Pernis en Hoogvliet. Vader Beye is voor 1408 overleden en mogelijk ging een deel van diens rechten op Beye over. Samen met zijn moeder Lijsbeth (kw 785089) sticht Beye een memorie te Poortugaal, in de Vernelle Hoek.
Ouders van: Doe(dij)n Beyensz (kw 196272)
- Heyndrick
- Suetkin
Suetkin had samen met Floris Heyndrixz (waarschijnlijk haar zoon) een memorie in de kerk van Poortugaal. Ouders van: Margriet Heyndricksdr (kw 196273)
Generatie 20 (edelovergrootouders, 524288-1048575)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Hughe (I) VAN DER WOUDE, geb ca 1250, in 1281 vermeld
- Elsebien (Elsbeen) VAN DUVENVOORDE, geb ca 1268 te Wassenaar, ovl 1315
Ouders van: Hughe (II) VAN DER WOUDE (kw 343040)
Hughe (I) VAN DER WOUDE wordt in 1281 vermeld omdat hij 10 morgen land te Ockenburg in leen krijgt van de graaf van Holland (dan: Floris V). Ockenburg ligt in het Westland aan de kust bij Loosduinen en Monster. Het leengoed te Ockenburg is in de buurt van het leengoed Polanen dat Jan VAN DUVENVOORDE, oom van Elsebien VAN DUVENVOORDE, eerder van de graaf in leen kreeg. Via Jans kleinzooon Jan ontstond de VAN POLANEN-tak.
NB: In de verder nog spaarse gegevens over Hughe (I) VAN DER WOUDE wordt geen naam van echtgenote vermeld. In een enkele genealogie wordt gesteld dat Hughe (II) VAN DER WOUDE gehuwd was met een dochter van AREND VAN DUVENVOORDE. Haar voornaam niet vermeld. Gezien de jaartallen en de aanwezige Arenden in die tijd, lijkt het me mogelijk dat die bewering niet klopt. Mijn stelling: Hughe II was zoon van een dochter van Arend, en die dochter, Elsebien, was getrouwd met Hughe I.
- Jan Willemsz VAN BEVEREN, koopman in huiden en vetten, vermeld te Delft 1343/70, gehuwd met
- Soete
Ouders van: Willem Jansz VAN BEVEREN (kw 390592)
- Willem VAN DER WEEDE, geb ca 1310, leenman van de heer van Putten, vermeld in 1343 en 1353. 781193.
Vermoedelijk was deze Willem VAN DER WEEDE voor graaf Willem IV actief als deurwaarder/fourier/kwartiermaker en ging hij mee om de inkwartiering van de graaf en zijn gevolg te regelen bij diens veldtocht in 1343/44 naar Pruisen “om tegen de heidense Litauers te strijden”. Graaf Willem IV had in zijn korte bestaan als graaf van Holland (1337-1345) heel wat deurwaarders/fouriers/kwartiermakers nodig.
Ouders van: Willem VAN DER WEEDE (kw 390596), geb ca 1340
- Mr Dirck VAN BREDA 781195.
Ouders van: Katerine Mr Dircksdr VAN BREDA (kw 390597)
- Beye Rutghersz, ovl voor 1408, vermeld als landpachter te Poortugaal en Spijkenisse en landeigenaar te Hoogvliet
- Lijsbeth
Ouders van: Beye Beyensz (kw 392544)
Beye Rutghers komt regelmatig voor in de administratie van de heer van Putten en Strijen (sinds 1361 was dat Zweder VAN ABCOUDE). Hij pacht 8 lijn land te Poortugaal in 1378 (ook vermeld 1379 en 1381-1398), de bieraccijns te Poortugaal (1379), met twee partners (Heyn Bet en Arnt Dircxz) 6 gemet land aldaar (1379), met Jan Dericxz de buitenlanden het Oostbroeck en Backersoord bij Pernis (1383, 1384), 2 gemet en 7.5 roede land te Poortugaal (1385), 6 gemet minus 50 roede land te Spijkenisse, op 28-3-1393 krijgt hij van de heer van Putten een schar ten oosten van Pernis (de oord van ‘s Gravenambacht), op 8-7-1400 wordt Beye vermeld als eigenaar van land te Oedenvliet (= Hoogvliet). Zijn vrouw Lijsbeth stichtte samen met haar zoon Beye Beyensz een memorie te Poortugaal.
Generatie 21 (edel-betovergrootouders, 1048576-2097151)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
1372162 Arend I VAN DUVENVOORDE, geb te Leiden ca 1227, ovl in 1268, wordt 20-5-1258, na overlijden van zijn vader Philips II VAN WASSENAAR (kw 2744324), beleend met huis Duvenvoorde met toebehoren, gehuwd met 1372163 Mehaut VAN CRAYENHORST, geb te Wassenaar ca 1235.
DUVENVOORDE ook DUIVENVOORDE of DUYVENVOORDE geschreven. Arend I VAN DUVENVOORDE was ca 31j oud toen hij zich Heer van Duvenvoorde mocht noemen. Hij overlijdt tien jaar later en zijn oudste zoon Floris is dan pas 8. Mogelijk bleef het leenrecht gehandhaafd onder weduwe en moeder Mehaut tot Floris de volwassen leeftijd (dat kon 12j zijn) bereikte. Een volgende omschrijving van het leengoed Duvenvoorde in het Leenregister Wassenaar dateert van ruim een halve eeuw later en betreft heir Aernt van Duvenvoerde. Dit moet Arend II VAN DUVENVOORDE zijn geweest, de zoon van de in 1302 vermoorde Floris. Aan deze Aernt wordt toegeschreven “die woninghe te Duvenvoerde mit L morghen lants (L=50), alsoe als sij gheleghen is; item den corentiende te Voirscoten ende den lammertiende ende den smaltiende.”
Kinderen uit het huwelijk: Agnes (Agniese) VAN DUVENVOORDE, geb Wassenaar 1259, ovl 1335, gehuwd met Gerard Kerstantsz VAN RAEPHORST, baljuw van Kennemerland. Een zoon uit dit huwelijk mei 1302 te Veere doodgeslagen. Floris VAN DUVENVOORDE, geb Wassenaar ca 1260, ovl te Veere mei 1302, doodgeslagen. Gehuwd met een dochter van Jacob VAN DER WOUDEN en Sophia VAN WARMOND. Voornaam van deze dame niet vermeld. Zij zou ca 1270 te Warmond zijn geboren. Was Jacob van der Wouden misschien ook vader van Hughe VAN DER WOUDE? Uit huwelijk van Floris: de zoon Arend II VAN DUVENVOORDE (ovl 1343), gehuwd met Jolente VAN NOIRTICH. En via hen de kleinzoon Arend III VAN DUVENVOORDE (ovl 1386), gehuwd met Sofia BUGGE (ovl 1362). Wouter VAN DUVENVOORDE, geb Wassenaar ca 1263, ovl te Veere mei 1302, doodgeslagen. Gehuwd met een dochter VAN HAAMSTEDE. Jan VAN DUVENVOORDE, geb Wassenaar ca 1266, ovl 1324. Elsbeen VAN DUVENVOORDE, geb Wassenaar ca 1268, ovl ca 1315. Gehuwd met Hughe VAN DER WOUDE (kw 686080)
De zonen Floris en Wouter van Arend I VAN DUVENVOORDE worden beiden in 1302 te Veere doodgeslagen. Ook hun neef VAN RAEPHORST overkomt dit, Dirk VAN SANTHORST uit een andere WASSENAER-tak en nog een aantal meer. Het was een kwestie van “bloedwraak”. Graaf Floris V was in 1296 bij Muiden door Hollandse edelen vermoord. Zijn mogelijke opvolger, graaf Jan I, is minderjarig en ziekelijk en bevindt zich te Engeland. “Na de moord (op graaf Floris) op 27 juni 1296 ontkwamen de moordenaars naar het buitenland, met uitzondering van Gerard van Velsen, die de dood vond. Tijdens de verwarring die er na de onverwachte dood van Floris V heerste, namen de raadsleden Jan VAN ARKEL, Wolfert VAN BORSELEN, Philips VAN WASSENAAR en Hendrik VAN DE LEK de leiding over ‘s lands bestuurszaken op zich en organiseerden de verdediging. Na de aankomst in februari 1297 van de jeugdige graaf Jan I in Zeeland was er aanvankelijk een concurrentie tussen de op Schouwen machtige Jan VAN RENESSE en Wolfert VAN BORSELEN, die zijn Zeeuwse rivaal in september 1297 buiten spel wist te zetten door hem uit de grafelijke raad te zetten en te doen verbannen. Van dat tijdstip af tot aan zijn dood in augustus 1299 genoot Wolfert VAN BORSELEN een ongekende macht over de jonge landsheer en wist hij door verwerving van de Teilingse goederen en de lenen van Herman VAN WOERDEN tevens in Holland zijn positie te versterken, ten koste van die van Philips VAN WASSENAAR. Tegen de machtspositie van Wolfert VAN BORSELEN rees verzet, toen hij met geweld Dordrecht aan zijn wil trachtte te onderwerpen.” Op 1 augustus 1299 is de machtige Wolfert te Delft om dingen naar zijn hand te zetten, maar hij onderschat het verzet. Hij wordt aangepakt en vanaf een bovenverdieping uit het raam gegooid en sterft (voor de voeten van zijn meegereisde security-guards die meteen ook de benen moeten nemen). De voogdij over de jonge graaf Jan I kan nu, door uitschakeling van de lastigste edellieden, door de Henegouwse graven ook in de praktijk worden toegepast. Jan VAN AVESNES, graaf van Henegouwen, zoon van een zuster van Floris V, neemt de honneurs waar (geeft o.a. Dordrecht stapelrecht), en wordt nadat graaf Jan I op 10-11-1299, 15j jong, overlijdt, als eerste “Henegouwer” tevens graaf van Holland en Zeeland. Lang niet iedereen is het daarmee eens en ook de Duitse koning (die in naam de titel zou moeten toekennen) houdt zich afzijdig. In augustus 1300 roept hij (Albrecht I van Habsburg) te Nijmegen graaf Jan II van Holland-Henegouwen zelfs ter verantwoording voor zijn optreden in Holland. Waarmee hij eigenlijk diens titel wel erkent. De situatie rond 1300 is in de Lage Landen door onderlinge vetes (ook met Utrechtse bisschoppen, de partij van de Lichtenbergers enz.) politiek slecht te besturen. Binnen dat kader zijn de doodslagen te Veere te plaatsen. De nieuwe graaf JAN II van Henegouwen, Holland en Zeeland heeft een “politielegertje” naar Zeeland gestuurd. Dit wordt te Veere ontvangen door de familie VAN BORSELEN met aanhang die de moord te Delft op familiehoofd Wolfert van twee jaar eerder niet is vergeten. Officieren, Wassenaers, Duvenvoordes enz, worden doodgeslagen.
In onze voorfamilie kan (de aannames moeten kloppen) dit moordverhaal worden geplaatst. Voormoeder Elsebien VAN DUVENVOORDE (kw 686061), relatie verondersteld, was te Veere niet aanwezig.
PM: Graaf Jan II van Henegouwen, Holland en Zeeland is maar kort aan het bewind. Hij overlijdt in 1304 en wordt 11-9-1304 opgevolgd door zijn zoon, graaf Willem III. Deze blijkt een heel goede diplomaat en bestuurder. Hij laat onderzoek doen naar de partijtwisten in Holland en Zeeland en regelt een bestand (mei 1309). De moord op Wolfert VAN BORSELEN te Delft 1-8-1299 (uit het raam gooien) was een toevallige en niet voorberaamde gebeurtenis, aldus het rapport. De doodslagen te Veere waren wel kwalijk te nemen: “van alre misdaet ende broke, die daer na ghesciede te Vere int jaer ons Heren MCCC ende tue (d.i. 1302), in die weken voor Sinte Cruus daghe ingaenden Meye (d.i. 25 april – 2 mei 1302)”, moet wel rekenschap worden gegeven. Het werd afgedaan als een familietwist. De Borselens krijgen een boete opgelegd van 3000 pond zwarte tournooisen en de erfgenamen van Philips VAN DUVENVOORDE c.s. een boete van 1000 pond.
- Willem VAN BEVEREN 1562369.
Ouders van: Jan Willemsz VAN BEVEREN (kw 781184), koopman in huiden en vetten
- Willem VAN DER WEEDE (uten WAIRDE), geb ca 1280, ovl 1321, bastaardzoon van heer Willem VAN STRIJEN, oom van Beatrijs, vrouwe van Putten, leenman van de heer van Putten, vermeld 1304/21
- Lysbette, vermeld 1321 als eigenaresse van land en erf in de heerscappie van Striene (Strijen) met het recht daar de derde penning te heffen.
Ouders van: Willem VAN DER WEEDE (kw 781192)
- Rutgheer Diddericsz. Geb ca 1320. Wordt door de heer van Putten op 19-6-1357 beleend met een gors ter bedijking bij Pernis. Gehuwd met 1570177.
De belening van 19-6-1357 bij Pernis betreft een gors (bij eb droogvallend stuk land) ter bedijking. Rutger Didderiks neemt, in combinatie met Jacob Jan van Moerdrecht, Scildman Pieterszn en Hughe Buest Maenkensz, deze opdracht aan. Dankzij de geslaagde bedijking ontstaat nieuw land, de polder Rughe Zand.
Uit het huwelijk: (1) Heyn Rutgersz (de Oude), ovl voor 11-9-1413, vermoedelijk kinderloos. Pacht 1377-1380 samen met Lauwe Claes Dielenz het riet van de Noertpolre met Poortugaal en 1379-1382 een derde deel van de staalvisserij in de Maas voor Oudenvliet. In 1379 pacht hij het tiendblok Molenhoec te Poortugaal en 8 lijn land aldaar, genaamd de Cleyne Hole, dat in die Roden ligt (Rhoon). Hij gebruikt dit land minstens over de periode 1382-1395.Ook pacht hij de vroonvisserij voor Vlaardingen. Op 17-7-1383 is hij te Utrecht om voor de Heer van Putten diens jaarlijkse betaling, 10 pond groot, te doen aan het kapittel van de Dom (rechten op de tienden). In 1383 pacht hij het gors Jans Wale en een vierde deel van de tienden van Poortugaal. Met zijn broer Beye Rutgersz pacht hij land bij het kasteel Valckensteyn. Hij heeft zijn hofstad op de droge dijkzate van Poortugaal, de dijk tussen Zwaardijk en Poortugaal. In 1386 beheert hij voor de Heer van Putten een deel van de moernering (zoutwinning) in Puttermoer. Over de periode 1385-1398 betaalt hij samen met Gillis van Heenvliet 3 pond 8sc 9 d groot voor bijna 40 gemet land in Zwaardijk. Hij is rentmeester van Putte ten oosten van de Maas in 1395. Op 11-9-1413 bezitten zijn erfgenamen land in Zwaardijk. (2) Beye Rutgersz (kw 785088) (3) Hughe Rutgersz (4) Pieter Rutgersz (die Onvervaerde). (5) Trude Rutgersdr. Gehuwd met Jan Heynen. (6) Lijsbert Rutgersdr. Gehuwd met Jacob Bollensz. (7) Heyn Rutgersz (de Jonge). Op 28-3-1393 ontvangt Jonghe Heyn Rutgersz van de Heer van Putte erfelijk 6 gaarden land op de Oord van Cathendrecht en 4 hokelinge land op die van ‘s-Gravenambacht. Vanaf 1399 betaalt hij 1 kapoen jaarlijks voor een hofstad te Spijkenisse. In 1406 pacht hij de helft van de tiende van het Westblok en de helft van de bieraccijns. In 1416-1418 de helft van de Westtiende en in 1419 de helft van de Oosttiende.
Generatie 22 (edel-oudouders, 2097152- 4194303)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Philips VAN WASSENAAR, heer VAN DUVENVOORDE, ovl 1258, in 1226 na dood van hun vader door oudere broer Dirk “beleend” met het huis Duvenvoorde met bijbehorend land en enkele tienden in Voorschoten 2744325.
Ouders van: Arend (I) VAN DUVENVOORDE (kw 1372162), ovl 1268. Jan VAN DUVENVOORDE, ovl vóór of in 1295.
Na overlijden van vader Philips wordt 20-5-1258 aan oudste zoon Arend het recht van opvolging te Duvenvoorde etc toegekend. Jongste zoon Jan krijgt van de grafelijkheid een leengoed in het Westland, “vermoedelijk de kern van dat ghoet van Polaen metter woninghe, gelegen nabij Monster in Delfland, waarmee graaf Floris V op 6-11-1295 Philips VAN DUVENVOORDE beleende”.
Jan VAN DUVENVOORDE was overleden en de graaf laat het leengoed overgaan op Philips, de oudste zoon van Jan. Graaf Floris V wordt 27-6-1296 zoals bekend bij Muiderberg door andere heren vermoord. Het leengoed Polanen was van bescheiden omvang en Jan VAN DUVENVOORDE speelde navenant geen belangrijke rol in het politieke gebeuren. Zijn zoon Philips VAN DUVENVOORDE die het bescheiden leengoed Polanen erfde, had onder Graaf Floris V al wel een politieke functie gekregen: in 1591 baljuw van Kennemerland. Zijn relatie via grootvader Philips met de WASSENAAR-familie was mogelijk van invloed: achterneef Philips (III) VAN WASSENAAR was sinds 1287 kamerling van de graaf en werd in 1291 ook diens zegelbewaarder. Na de moord op graaf Floris die een minderjarige (en ziekelijke) zoon Jan als opvolger naliet, aan het Engelse hof grootgebracht, trad de Zeeuwse edeling Wolfert VAN BORSELEN op als zelfbenoemd regent (met graaf Jan in een soort van gijzeling). Terwijl achterneef Philips, kamerling en zegelbewaarder van graaf Floris, het veld moest ruimen, kreeg Philips VAN DUVENRODE onder “het Van Borselen-bewind” nog diplomatieke taken. In april 1298 was hij namens graaf Jan (of VAN BORSELEN) onderhandelaar bij het sluiten van een accoord met de koning van Frankrijk. De jonge graaf overlijdt 10-11-1299, 15j jong. Daarmee is het Hollandse gravenhuis in mannelijke lijn uitgestorven en eist het Henegouwse huis (via vrouwelijke lijn) de grafelijke rechten op. Onvoorzien krijgt Philips VAN DUVENVOORDE nog meer taken toegewezen dan hij mogelijk ambieerde. Door overlijden van Philips VAN WASSENAAR, eertijds kamerling en zegelbewaarder van graaf Floris, en diens vader Dirk VAN WASSENAAR, beide in 1300, zijn er aan WASSENAAR-kant geen opvolgers in geschikte leeftijden. Zijn neven Floris en Wouter VAN DUVENVOORDE en Dirk VAN SANTHORST (Wassenaar-tak) worden in mei 1302 bij een aanslag te Veere (Zeeland, VAN BORSELEN-gebied) doodgeslagen. Philips VAN DUVENVOORDE is enkele jaren de belangrijkste representant van de WASSENAAR-familie. In juli 1302 krijgt hij een rijk tractement voor zijn dienst aan de grafelijkheid. Hij wordt ridder geslagen en in augustus 1305 bij de vredesonderhandelingen met Vlaanderen, samen met de Heer van Putten, belast met de loskoop en uitwisseling van gevangenen. Hij overlijdt in 1309. Minstens nalatend twee zonen: Willem VAN DUVENVOORDE, ongeecht Jan VAN POLANEN
Deze twee zonen hebben verder in de eerste helft van de 14de eeuw belangrijke (politieke) rollen gespeeld.
- Willem III VAN STRIJEN, domicellus (jonker) 22-12-1275, ridder 28-3-1283, genoemd als Heer van Strijen 1275-1293, ovl vóór 25-11-1294, was getrouwd met Oda VAN BORSSELE, een zuster van Floris VAN BORSSELE
- Nn
Ouders van: Willem VAN DER WEEDE (uten WAIRDE) (kw 1562384)
Willem (VAN DER WEEDE) is bastaardzoon van Willem VAN STRIJEN en dus niet geboren uit het huwelijk van Willem met Oda. Ook Oda ovl vóór 25-11-1294. De (wettige) dochter Aleid VAN STRIJEN van Willem VAN STRIJEN en Oda VAN BORSSELE trouwt met Nicolaas III, heer VAN PUTTEN, en de heerlijkheid van Putten en Strijen ontstaat. Deze strekt zich uit vanaf de heerlijkheid Voorne in het westen tot de heerlijkheid Breda in het oosten en omvat de Grote Waard bezuiden Dordrecht (de latere Biesbos). De bastaardzoon Willem wordt beleend met hof en erf aldaar en krijgt zo de naam Uten Wairde of VAN DER WEEDE.
- Dirck Rutgersz (Dirck Rutgheers), geb ca 1290. 3140353.
Dirck wordt in 1337 door heer Jan van de Wateringe, ambachtsheer van Vlaardingen, beleend met 9 1/2 morgen land aldaar, “te versterven” half op zijn oudste zoon Rutgaert en half op zijn andere zoon Heyn Guet.
Jan VAN DE WATERINGE was in die tijd, als bestuurder/bezitter van het ambacht (bepoldering) en het huis te Wateringen en andere goederen in Maasland, een regionale grootheid. Tien jaar later koos deze Jan in een ingewikkelde politieke hegemoniestrijd van (later genoemd) Hoeken versus Kabeljauwen de partij die een nieuw bewind wenste (Kabeljauwen). Hij behoorde tot de (Kabeljauwse) samenzweerders van mei 1350. Op 30 juli 1351 was Jan van de Wateringe medebezegelaar van het pact dat graaf Willem V met Hollandse steden sloot tegen de Hoekse partij. Jan van de Wateringe overlijdt het jaar erop (sneuvelde?), in 1352.
Uit huwelijk: - (1) Rutger Dircks (Rutgheer Diddericsz). (kw 1570176). - (2) Heyn Guet, geb ca 1320.
Generatie 23 (edel-oudgrootouders, 4194304-8588607)
b) ROEM-kwartier (Zuid-Holland)
- Philips (I) VAN WASSENAAR, ovl 1225 5488649.
Ouders van: Dirk (I) VAN WASSENAAR, gehuwd met Berta N.N. Aan oudste zoon Dirk vallen na het overlijden van vader Philips de leenrechten over Wassenaar etc toe. Volgens het Leenregister Wassenaar draagt Dirk hierop, 1226, de rechten op het huis Duvenvoorde met bijbehorend land en enkele tienden in Voorschoten over aan zijn jongere broer Philips. Hij houdt zelf de rechten te Wassenaar en andere belangen. Van Dirk stammen generaties van Heren VAN WASSENAAR af. Philips VAN WASSENAAR, heer VAN DUVENVOORDE (kw 2744324), ovl 1258, stamvader van de tak DUVENVOORDE van het geslacht WASSENAAR.
- Willem II VAN STRIJEN, ridder, heer van Strijen, vermeld 1252/1274, ovl vóór 27-3-1285 6249537. Ouders van: Willem III VAN STRIJEN (kw 3124768)
6249538. 6249539. Ouders van de jongedame bij welke voorvader Willem III VAN STRIJEN de zoon Willem VAN DER WEEDE (uten Wairde) verwekte. Haar naam was indertijd mogelijk wel bekend. De bastaard Willem bleef niet onbemiddeld, maar kon geen aanspraak maken op opvolging in de heerlijkheid van Strijen. Zijn vader was gehuwd met Oda VAN BORSSELE en de dochter Aleid VAN STRIJEN uit dit huwelijk, getrouwd met Nicolaes VAN PUTTEN, erfde de heerlijkheid. Daarmee ontstond de heerlijkheid van Putten en Strijen en een boel verdere verwikkelingen, totdat een aangetrouwde achterneef, Zweder VAN ABCOUDE, uiteindelijk in 1361 tot heerschap van Putten en Strijen wordt aangewezen en in staat blijkt zich in die functie tientallen jaren te kunnen handhaven. Een belangrijke periode voor bedijking en ontginning van gronden op de grens tussen Holland en Zeeland. Oda VAN BORSSELE is geen voormoeder in ons familieverhaal, niet de moeder van “bastaard” Willem VAN DER WEEDE. De BORSSELE-lijn via Oda wil ik pro memorie hier toch noemen.
PM. Peter VAN BORSSELE, ridder, heer van Borselen, Goes en Kloetingen, vermeld 1263/1278, gehuwd voor ca 1259 met PM. (Hadewig) VAN CRUYNINGEN, ovl voor mei 1263
Ouders van: Oda VAN BORSSELE
Generatie 24 (edel-oudovergrootouders)
- Willem I VAN STRIJEN, heer van Strijen 1224-1244 12499073.
Ouders van: Willem II VAN STRIJEN (kw 6249536)
PM. Nicolaes VAN BORSSELE, ridder, heer van Borselen 1243-1258, ovl vóór 1263 PM.
Ouders van: Peter VAN BORSSELE
PM. Godfried VAN CRUYNINGEN, jonker (domicellus), ridder in 1238, heer van Kruiningen, vermeld 1233-1265, ovl na 1265, tr ca 1240 met PM. Oda VAN PUMBEKE VAN GAGELDONCK, gegoed in Rijsbergen, ovl na 1265.
Ouders van: Hadewig VAN CRUYNINGEN
Godfried VAN CRUYNINGEN kocht in 1250 de heerlijkheid Woensdrecht van Hendrik I VAN BREDA. Samen met zijn schoonzoon Peter VAN BORSSELE en anderen uit de Borssele-clan leidde hij de Zeeuwse opstand tegen gravin-regentes Aleid. In mei 1263 doet hij namens zijn vrouw afstand van de tienden en het patronaatsrecht van de kerk van Tilburg ten gunste van de abdij van Tongerlo. Mogelijk ging het hier om een vrijwillige schenking, ten gunste van de kerk in Brabant en om in politieke (of persoonlijke) belangen vrijer te kunnen optreden.
PM: Op 28-1-1256 sneuvelt graaf Willem II van Holland, pas 22j oud, op de nominatie staand om Rooms-koning van het Duitse rijk te worden, te Hoogwoud (Noord-Holland/West-Friesland) tijdens een niet zo weloverwogen “veldtocht” tegen de vrije Friezen. Het winterde, het veld bestaat uit sneeuw en ijs en het politieleger in opmars loopt daarin vast. De jonge graaf zakt met paard weg in het ijs en wordt omgehakt. Hij laat een zoontje na, 2j oud, Floris V. Diens oom Floris, broer van Willem II, springt in als regent (“Floris de Voogd”) en is vooral in staat om de twisten met Vlaanderen over Zeeland redelijk op te lossen. Maar deze graaf-regent komt 26-3-1258 te Antwerpen om bij een riddertoernooi (een soort sport) en Floris V is dan pas 4. De periode van gravin-regentes Aleid begint nu. Aleid is tante van Floris V, zus van Willem II. Zij neemt het jonge graafje Floris V onder haar hoede en gaat als regentes “regeren”. Politieke problemen ontstaan om allerlei redenen. Aleid van Holland is september 1247 getrouwd met Jan I, graaf van Avesnes, die erfelijk graaf van Henegouwen werd, maar die titel ook voor Vlaanderen claimde. Graaf Jan I van Avesnes overlijdt in 1257, Aleid is weduwe “van Henegouwen” in 1258 bij de dood van broer Floris de Voogd. Kan zich bemoeien met het regentschap in Holland en Zeeland (uit haar huwelijk 7 Henegouwse kinderen die er ook belang bij kunnen hebben en dat belang na 1299 ook kregen), maar haar regentschap wordt tegengewerkt in Holland. Ze wijkt uit naar Zeeland en daar vindt ze VAN CRUININGEN c.s. in de weg. In 1263 moet ze haar ambiities opgeven. In de februarimaand van dat jaar wordt bij Reimerswaal (Zeeland) haar leger verslagen door een leger van Otto II, graaf van Gelre, die door de tegenpartij was ingehuurd. Graaf Otto neemt de voogdij over Floris V over (samen met de prins-elect van Luik, niet toevallig Hendrik III van Gelre), waarop de heren van Voorne, Teilingen, Haarlem en Amstel in 1266 (Floris V wordt dan 12) spoorslags er opaan sturen de jonge graaf meerderjarig te verklaren (geen regentschap meer).
Generatie 25 (edel-oudbetovergrootouders) en wat nog eerder
We hebben van voor Generatie 18 maar enkele smalle spoortjes betreffende voorfamilie terug kunnen vinden. Mogelijk is dit vrijwel alles van wat ooit nog terug te vinden is. Die enkele spoortjes zijn voor familieverhaal nauwelijks meer van belang. Dat ze “historische verhalen” kunnen oprakelen is misschien aardig en leerzaam, maar het is geen “familie” meer.
Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, pg 31. “Het ontstaan van de Hoekse en Kablejauwse twisten” door dr H.M.Brokken (1982), pg 17. Graaf Willem IV was 30 toen hij door het overlijden van zijn vader de grafelijke functie erfde. Terwijl vader Willem III (Henegouwse huis) een goed diplomaat was, ontwikkelde Willem III zich tot een “ridder met het zwaard” die al in 1336 op een eerste expeditie naar Pruisen trok (tegen de heidenen aldaar), in 1339/40 met zijn leger meedeed aan de oorlog tegen Frankrijk (begin Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk), na 1342 optrok als pelgrim/kruisridder naar “het Heilige Land” (eerst naar zuid-Spanje, Granada, door islamieten bezet, daarna via Venetie naar Jeruzalem) en bij terugkeer via Venetie voor de tweede maal op expeditie naar Pruisen ging. In maart 1344 kwam hij weer in Holland terug. Bestuurlijke zaken liet hij door de grafelijke raad regelen. Onder zijn bewind werd vooral gul met gunnen van tol- en stadsrechten gedaan, dat leverde hem weer geld voor het financieren van nieuwe expedities. Zoals een derde tocht naar Pruisen in de winter 1344/45. Terug van die expeditie voert hij in juni 1345 een oorlogje tegen de stad Utrecht (de hem vijandige bisschop aldaar), dat hij wint. In de roes van deze overwinning besluit hij door te trekken en de Friezen beoosten de in de voorgaaande eeuw ontstane Zuiderzee (IJsselmeer) onder het gezag van de graaf van Holland te brengen. Gezag over Westerlauwers Friesland was door de Duitse keizer eerder zowel aan de Utrechtse bisschoppen als aan de graven van Holland gegund, terwijl de Friezen van beiden weinig tot niets wilden weten en een eigen bestuur aanhielden. De door Willem IV bedoelde politionele actie werd een ramp voor hem en een groot deel van de met hem mee opgetrokken “Hollandse edelen”. Zijn legertje verdwaalde op de tocht over de Zuiderzee en het onder zijn leiding staande deel werd op de kust van Friesland door een Fries leger omsingeld (Slag bij Warns, 26-9-1345) en verrast. Willem IV en een zo groot aantal van “Hollandse edelen” sneuvelden bij deze gelegenheid, dat men de afloop in Holland nauwelijks durfde te melden (het lijk van Willem IV bleef achter in Friesland). Hierna werd de Hollandse politiek zwaar verstoord door interne twisten (Hoeken versus Kabeljauwen) en ging het graafschap van Holland over in Beierse handen, wat niemand vooraf had kunnen bedenken. Maar dit is weer een ander verhaal. Edeloudovergrootvader Willem VAN DER WEEDE was vermoedelijk als kwartiermaker in dienst van de jonge graaf Willem IV en deze had door zijn gedrag ruime behoefte aan kwartiermakers. Aldus gesteld. Dr.H.M.Brokken, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Walburg Pers, 1982), pgs 209-210. Dr.H.M.Brokken, “Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten” 1982, pg 220.