Jona
JONA
Zijn woord kwam tot Jona, de zoon van Amittai: Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, en Predik tegen haar, want haar boosheid Is opgestegen voor mijn aangezicht.
1 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, Weg van Zijn aangezicht, en hij ging naar Jaffa En vond een schip dat naar Tarsis zou gaan. Hij betaalde de vrachtprijs en ging scheep Om naar Tarsis te gaan, Weg van zijn aangezicht. Maar Hij wierp een hevige wind op de zee En er ontstond een zware wind op de zee, zodat het schip Dreigde te worden stukgeslagen. De schepelingen werden bang.
De schepelingen riepen ieder de eigen god te hulp en wierpen De lading die in het schip was in zee om het schip daardoor Lichter te maken. Jona ging naar het ruim van het schip Om te liggen en te slapen En hij viel in een diepe slaap. De kapitein ging naar hem toe en zei: Hoe kan je zo vast slapen? Sta op en roep Ook jouw god aan, misschien geeft die gehoor Zodat we niet vergaan!
En de schepelingen zeiden tegen elkaar: Laat ons het lot werpen. Om te weten te komen Door wiens schuld dit onheil ons treft. Zij wierpen het lot en het lot viel op Jona. Dus vroegen ze hem: Vertel waarom! Waar ben je mee bezig? Waar kom je vandaan? Van welk land en van welk volk ben je?
En Jona antwoordde: Ik ben een Hebreeër en ik vrees De HERE, de God des hemels die de zee en het droge Gemaakt heeft. Wat heb je toch misdaan?, vroegen de schepelingen Die wisten dat Jona op de vlucht was, weg van het aangezicht des HEREN, Want dat had hij hun verteld. Wat moeten we met je doen Om een eind te maken aan de woedende zee? Want De zee werd hoe langer hoe onstuimiger. En Jona zei: Neem me op en werp me in de zee en de zee Zal ophouden tegen u te woeden, want ik weet Dat deze zware storm mijn schuld is.
De mannen namen hem niet direct serieus En bleven verwoed roeien om het schip weer aan land te brengen Maar dit bleek tevergeefs omdat de zee Hoe langer hoe onstuimiger tegen hen werd. Toen riepen ze de god van Jona aan en zeiden: Ach, HERE, Laat ons toch niet vergaan om het Leven van deze man en leg geen onschuldig bloed op ons, Want u doet zoals u behaagt. En ze tilden Jona op En gooiden hem in zee. De zee hield op met woeden. Dit maakte grote indruk op de mannen. Zij slachtten de HERE een offer en deden geloften.
2 De HERE stuurde een grote vis Om Jona in te slokken. Jona was in het binnenste van de vis Drie dagen en drie nachten.
Ik riep uit mijn nood tot de HERE en Hij antwoordde mij, Uit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik. U hoorde mijn stem. U gooide mij in de diepte, in het hart van de zee en Een waterstroom ontving me. Al uw brandingen en uw golven gingen over mij heen en ik, Ik zei: Verstoten ben ik uit uw ogen, Zal ik ooit uw heilige tempel weer zien? Water omringde mij, bedreigde mijn leven, de diepte nam mij op, Met zeewier was mijn hoofd bedekt. Ik zonk tot Aan waar de bergen in zee beginnen, de grendels van de aarde Voor altijd voorbij. Toen trok u mijn leven uit de groeve omhoog. Toen Mijn ziel in mij versmachtte, gedacht ik de HERE en mijn gebed Kwam tot u in uw heilige tempel. << Zij die nietige afgoden dienen, Geven Hem prijs die hun goedertieren is. Maar ik, met lofzegging wil ik U offeren, Wat ik beloofd heb, wil ik betalen; De redding is des HEREN. >>
En de HERE sprak tot de vis. En deze spuwde Jona uit op het droge.
3 Zijn woord kwam voor een tweede maal tot Jona: Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, En breng haar de prediking Die ik tot u spreken zal.
4 Toen maakte Jona zich op En ging naar Ninevé. Ninevé was een Geweldig grote stad, van drie dagreizen.
Jona ging de stad binnen, één dagreis. Hij predikte En zei: Nog veertig dagen en Ninevé Wordt onderstboven gekeerd! En de mannen van Ninevé Geloofden hem (geloofden God) en riepen een vasten uit. Van groot tot klein bekleedden ze zich Met rouwgewaden. Toen het bericht de koning van Ninevé bereikte, Stond deze op van zijn troon, legde zijn opperkleed af, trok rouwgewaad aan En wierp as over zijn hoofd. Zette zich neer in de as. Op bevel van hem en zijn groten werd bepaald: << Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets nuttigen, niet grazen en geen water drinken. Zij moeten gehuld zijn in rouwgewaden, mens en dier, en met kracht tot God roepen en zich bekeren, een ieder van zijn boze weg en van het onrecht dat aan hun handen kleeft. Misschien maakt dit dat God zijn brandende toorn laat varen zodat we niet te gronde gaan. >>
Toen God zag wat zij deden en hoe zij zich Bekeerden van hun boze weg, berouwde het Hem over het kwaad Dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen. En Hij deed het niet. Maar dit beviel Jona niet En Jona werd er kwaad om.
5 Och, HERE, heb ik dat niet gezegd toen ik Nog in mijn land was? Ik vluchtte naar Tarsis want ik wist Hoe genadig en barmhartig u bent, lankmoedig, groot van Goedertierenheid en berouw hebbend Over het kwaad. Nu dan, HERE, neem toch mijn leven Van mij, want het is me beter te sterven dan te leven. << Maar de HERE zei: Zijt gij terecht vertoornd? >>
Jona nu was buiten de stad gegaan. Hij had zich ten oosten van de stad neergezet en daar Voor zich een hut gebouwd om in de schaduw te zitten Totdat hij zou zien wat er met Ninevé gebeurde. God zorgde voor een wonderboom die Boven Jona opschoot om tot schaduw te zijn boven zijn hoofd En hem van zijn misnoegdheid af te brengen. Jona was heel blij met deze wonderboom.
6 Maar de volgende dag, bij het aanbreken van de ochtend, Beschikte God een worm die de Wonderboom stak Zodat deze verdorde. Zodra de zon opging stuurde Hij Een gloeiende oostenwind en de zon Stak op het hoofd van Jona, zodat deze Amechtig neerzonk en wenste dat hij sterven mocht: << Het is Mij beter te sterven dan te leven. >> Maar God vroeg Jona: << Zijt gij terecht Vertoornd over de wonderboom? >>
Jona: Terecht ben ik vertoornd. Ten dode toe.
7 << Je wilde de wonderboom sparen Die zomaar groeide, buiten je om, In één nacht ontstaan en in éen nacht vergaan, Zonder dat je iets deed. Ben je boos? Ben je boos omdat ik Ninevé spaar, de grote stad, met meer Dan honderdtwintigduizend inwoners Die het onderscheid niet kennen tussen Hun rechterhand en hun linkerhand, Benevens veel vee?>>
Je wilde de wonderboom sparen Waarvoor je geen moeite hebt gegeven. Zou ik dan Ninevé niet sparen?
Het Jona-bijbelboek (2 pagina’s kleindruk, tekst hierboven weergegeven) is vermoedelijk kort na 500 AC geschreven. Volgens de aanhef gaat het om een legende betreffende “Jona, de zoon van Amittai.” In het tweede boek over de koningen van Juda en Israël (2 Koningen 14: 25) wordt de profeet Jona, de zoon van Amittai, uit Gath-Hefer, genoemd. Deze leefde in de tijd van Jerobeam II, koning van Israël rond 750 AC. Deze Jerobeam II, koning over het noordelijke (afgescheiden) deel van Israël