Van der Hoek
Documenten Roem

Voorfamilie Joke Visser Roem Kunstgeschiedenis Opgaven E 1

Kunstgeschiedenis Opgaven E 1

Op welke twee manieren kan men de kunstgeschiedenis bestuderen?

Misschien zijn er wel meer dan twee manieren mogelijk. Maar in hoofdzaak kan het gaan om aan de ene kant bestudering van stijlontwikkelingen door de tijd heen, de voortzetting of verandering in door kunstenaars gebruikte “vormentaal”. En aan de andere kant om bestudering van opeenvolgende (of uiteenlopende) culturele omgevingen die invloed hebben op de manier waarop kunstenaars tot hun vormentaal komen en waardoor zich bepaalde stijlontwikkelingen (kunnen) voordoen.

Noem enige kenmerken die helpen een kunstwerk te dateren.

Wanneer een onomstreden signatuur/datering ontbreekt en er geen andere (historische) bronnen zijn die duidelijkheid geven over in welke tijd of door wie het kunstwerk is gemaakt, zal naar dateerbare materiaalkenmerken moeten worden gekeken (ouderdom van linnen, hout, verfbestanddelen etc). In combinatie hiermee zijn stijlkenmerken vaak redelijk dateerbaar, hoewel zelden definitief. Erg behulpzaam zijn natuurlijk inhoud- of vormkenmerken van of binnen het kunstwerk. De perspectiefbehandeling in de beeldende kunst heeft zich gaandeweg ontwikkeld. Wanneer “heiligen” worden afgebeeld, zal het kunstwerk zijn ontstaan na heiligverklaring van de betreffende persoon. Afgebeelde of vernoemde gebouwen dateren het kunstwerk op na voltooiing van de bouw. Zo zijn er allerlei inhoudskenmerken te onderzoeken en mogelijk te dateren. Aan de fotografie van de 20ste eeuw valt te illustreren hoe dergelijke kenmerken bij ontbrekende datering tot een (redelijk) correcte periodeschatting kunnen leiden.

Wat verstaat u onder “kunst”? Geef enige voorbeelden van kunst waar u veel van houdt.

Geen nauwkeurige omschrijving van “kunst”. De in de lesstof vermelde omschrijving volgens het woordenboek Van Dale geeft misschien een richting aan: “het vermogen (van de kunstenaar) dat wat in geest of gemoed leeft of daarin gewekt is, tot uiting of voorstelling te brengen op een wijze die schoonheidsontroering kan veroorzaken.” Maar wat voor richting is dat. Kunst is ook een abstract begrip, los van het genoemde “vermogen van de kunstenaar”. Voorbeelden van kunst waar ik veel van houd: .. .. ..

Wat is het verschil tussen de cultuur van Kreta en die van Mycene?

Voorzover bekend of op basis van opgravingen vermoed. De Minoïsche cultuur op het eiland Kreta werd bepaald door betrekkelijke rijkdom (handelsnatie) en onbezorgdheid over mogelijke vijandige invallers. Geen vestingwerken gevonden. De Myceense cultuur door waarschijnlijk ook betrekkelijke rijkdom (handelsnatie) maar juist bezorgdheid over de eigen veiligheid. Een en al vesting (cyclopenmuren) was deze stad op een heuvel, voor mogelijke invallers geen moeilijk bereikbaar eiland.

Geef een beschrijving van een Griekse tempel en geef aan wat de Dorische, Ionische en Korinthische kenmerken zijn.

De doorsnee Griekse tempel stond op een platform met treden rondom. Om het gebouw heen één of meer zuilenrijen. Het gebouw zelf kende een voorportaal (met zuilenrij), een hal waarin het godenbeeld stond en een achterhuis (met zuilenrij), waar meestal de offergaven werden bewaard. Vanuit het achterhuis kon men niet direct in de centrale hal komen. Op de buitenste zuilenrij op het platform rustte de dakconstructie: een zadeldak van dakpannen of soms marmeren platen. Direct op de bovenkant van de zuilen werd over alle vier lengten een (stenen, onversierde) draagbalk gelegd, de architraaf. Op deze draagbalken plaatste men het fries, een met reliëfs versierde strook. Door het zadeldak onstonden aan voor- en achterkant van het gebouw boven het fries driehoeken (frontons of tympanen) die met beeldhouwwerk werden gevuld. Binnenin het gebouw werd de dakconstructie meestal aan het oog onttrokken door hoofd- en dwarsbalken waar stenen platen op werden gelegd. Deze platen waren aan de onderzijde bewerkt (uitgehouwen versieringen: caissons of cassettes). De beelden en reliëfs op tympaan, fries en plafondplaten waren in felle kleuren beschilderd. Zo’n tempel werd hiermee een heel kleurrijk geheel.

Het onderscheid tussen Dorische, Ionische en Korinthische kenmerken betreft vooral de vorm van de zuilen, zoals die zijn aangetroffen. Speciaal de bovenkant of bekroning (kapiteel) van deze zuilen, direct onder de erop rustende draagbalk (architraaf). Bij de Dorische stijl is het kapiteel onversierd: een kussenachtig steenblok met daarop een vlakke vierkanten plaat. Bij de Ionische stijl bestaat het kapiteel uit een kussenachtig steenblok dat zich met twee krullen over de bovenkant van de zuil “plooit” en daarop een dunne dekplaat. Bij de Korintische stijl is het kapiteel kelkvormig en rondom bewerkt (als voorzien van bladeren en ranken van de acanthus). De Dorische orde komt het vroegst voor. De Korintische orde volgt op de Ionische en is meer versierend. De behandeling van het kapiteel is het meest onderscheidend. Maar de zuilen zelf krijgen gaandeweg ook een verfijnder uiterlijk, terwijl de bewerking van het fries zich mee ontwikkelt van vooral geometrische vormen naar beeldende (vertellende) reliëfs.

Vergelijk de afbeeldingen van Kleobis, de Diadoumenos en de Apoxyomenos.

De afbeelding van Kleobis (beeldhouwwerk door Polymedes, ca 600 aC) geeft een wellicht stoere jongeman weer, naakt, langs beide oren los haar tot over de sleutelbeenderen, bovenop het hoofd het haar strak getrokken, stevige benen, de linkervoet iets voor de rechtervoet geplaatst, bovenlichaam niet bijzonder geproportioneerd en gedetailleerd. Gezicht vrij leeftijdloos, “vlak”. Zijn afbeelding is vrijwel gelijk aan die van zijn broer Biton (ook door Polymedes). De afbeelding van de Diadoumenos (beeldhouwwerk door Polykleitos, ca 440 aC) geeft ook een stoere jongeman weer, naakt, zijn kleed ligt naast hem over een boomstronk. Volgens het verhaal is hij afgebeeld terwijl hij een overwinnaarsband om zijn hoofd bindt. Maar doordat aan het beeld polsen en handen ontbreken (trouwens ook bij Kleobis), moet dit verhaal geraden worden. Opvallend is wel dat het gezicht van de Diadoumenos fijner is uitgesneden (en korte haardracht), dat de nadruk ligt op de spierbundels in de torso en dat hij steunt op zijn rechterbeen, terwijl het linkerbeen naar achteren is geplaatst. Dit correspondeert met een uitgebeelde lichte draai van de schouders. Het blijft een frontaanblik van een mannelijk lichaam (veridealiseerd), maar met enige, gewilde beweging erin. De afbeelding van de Apoxyomenos (beeldhouwwerk door Lysippos, ca 315 aC) lijkt me vergelijkbaar met dat van de Diadoumenos. Weer zo’n stoere jongeman, iets vadsiger misschien, hoger op de benen, sterke nadruk weer op de spierbundels in de torso. Gezicht ook fijn uitgesneden (korte haardracht), wel boomstronk, geen afgelegd kleed. Opvallend: het geslachtsdeel is afgedekt door een plantenblad. Dit was bij de eerder genoemde afbeeldingen niet het geval. Moest dit “van de omgeving” anno 315 aC? De Apoxyomenos is een atleet die na de wedstrijd de olie van zijn armen schraapt. Het beeld is driedimensionaler door de naar voren uitgestrekte armen. Verder niet bijzonder bijzonder, lijkt me.

Geef een nauwkeurige beschrijving van een Etruskisch grafmonument en geef hierbij uw eigen commentaar.

De Etruskische grafmonumenten zijn uitgehouwen in de tufstenen heuvels rond bijvoorbeeld het stadje Cerveteri, vroeger de rijke havenplaats Caere. Ze vormen op zich grafheuvels (tumuli). Een onderaardse gang loopt naar de kamers waarin de overledenen, sarcofagen en andere voorwerpen werden ondergebracht. De grafmonumenten zijn nabootsingen van woonhuizen. De overledenen moeten zich er goed thuis voelen, zodat ze er blijven en niet als geesten de levenden komen lastig vallen. De “grafhuizen” zijn vaak rijk ingericht met allerlei woonbenodigdheden, vazen, wapens en sieraden. In de steen uitgehouwen leunstoelen met voetenbankjes komen voor. Een bijzonder “grafhuis” is de tombe-met-de-reliëfs die is gemaakt als een kazernezaal met rijen slaapplaatsen erin. De overledene was vermoedelijk een hooggeplaatste militair. De muren en zuilen zijn niet voozien van fresco’s maar van reliëfs die allerlei dagelijkse benodigdheden uitbeelden. Potten en pannen, kruiken, lepels enzovoort. De overledene die zijn ogen opsloeg, moest het zekere gevoel hebben goed verzorgd te worden en van alles voorzien te zijn.

Wat zijn de verschillen tussen de Griekse en de Romeinse tempels en waar komt dit vandaan?

De voornaamste verschillen hebben betrekking op het toepassen van bogen en tongewelven en het bouwen van koepeldaken. De Romeinen waren door het gebruik van metselwerk en beton tot dergelijke constructies in staat, terwijl de Grieken met deze bouwtechniek nog niet bekend waren.

In welk verband is er in het laatste hoofdstuk sprake van realisme? Haal voorbeelden ter ondersteuning van uw antwoord uit de onderwerpen beeldhouwkunst en schilderkunst.

Van realisme is sprake in verband met de groeiende neiging om tot gelijkende portretten of afbeeldingen te komen van natuurlijke personen. Die neiging kwam op gang tijdens de Hellenistische periode van de Griekse kunst. Het monument met de stervende Galliërs te Pergamum is hiervan een vroeg voorbeeld (ca 230 aC). De Romeinen namen de realistische stijl over en gingen erop door. De stijl sloot ook aan op hun eigen traditie: de Etruskische grafschilderingen lijken vaak heel natuurgetrouw, zonder pogingen tot idealisering. De vele standbeelden en bustes van Romeinse staatsmannen en keizers die nodig waren om in het grote rijk hun aanwezigheid te laten gelden, waren meestal goedgelijkend. Ook de verhalende reliëfs op troomfbogen en erezuilen of altaren waren overwegend gebaseerd op concrete feiten en personen, die wel gelijkend moesten overkomen. Van de Romeinse schilderkunst is weinig bewaard gebleden. Fresco’s in het opgegraven Pompeji laten zien dat ook in de schilderkunst het realisme rond 80 pC duidelijk was doorgedrongen.

Hoeveel stijlen zijn er in de Pompejaanse/Romeinse schilderkunst? Geef de belangrijkste kenmerken.

Men onderscheidt vier verschillende decoratiesystemen in de wandschilderingen die te Pompeji werden teruggevonden. De “eerste stijl” betreft (geometrische) imitatieversieringen: rechthoeken beschilderd in marmerpatroon. In de “tweede stijl” werden de wanden beschilderd met bouwkundige motieven, zoals zuilen, bogen en balustrades. Een stap verder was hier landschapsachtergronden aan toe te voegen. De “derde stijl” ontwikkelde zich tijdens de regering van de (sobere) keizer Augustus. Namaak-marmeren panelen worden afgewisseld door panelen met voorstellingen, meestal ontleend aan Griekse voorbeelden. De “vierde stijl” kwam ruim een halve eeuw later tot ontwikkeling, tijdens de regering van keizer Nero. De geschilderde voorstellingen worden uitbundiger en realistischer. Kort daarna wordt Pompeji onder vulkaanas en lava bedolven. Daarmee bleven de voorbeelden van de vier verschillende decoratiesystemen goed bewaard tot op dat jaar (79 pC) nauwkeurig. Van volgende stijlontwikkelingen is niet een gelijke documentatie.