Voorfamilie Joke Visser Roem Kunstgeschiedenis Opgaven E 2
Kunstgeschiedenis Opgaven E 2
Hoe kon het christendom zo snel worden verbreid, waar begon het en waarom werden de christenen vervolgd?
De eerste volgelingen (apostelen) van Jezus kregen volgens de overlevering de òpdracht om hun boodschap gezwind aan alle volken te verkondigen en hielden zich aan die opdracht, zodat ze naar heinde en vertrokken. Ze konden daarbij profiteren van al bestaande netwerken (het Joodse volk was al sterk in de verstrooiing en na de verwoesting door de Romeinen van Jeruzalem in 69 nam die verstrooiing nogeens toe) en van het feit dat op dat moment binnen het Romeinse rijk goede en veilige verkeerssystemen bestonden, wat het maken van verre reizen vergemakkelijkte. Men kon zich bedienen van één taal die “overal” werd begrepen en, behalve aan sommige rijksgrenzen, relatief ver weg, was er militaire rust. Daarnaast blijkt uit allerlei gegevens dat men toen binnen het Romeinse rijk wel behoefte had aan nieuw geestelijk of religieus elan. De oude godsdiensten hadden weinig betekenis meer. De keizerverering die in de plaats werd gesteld, werkte niet overtuigend. Er was een hang naar (exotische) mysterie-religies en de nieuwe Christusprediking sloot daar wel wat bij aan. Een betrekkelijk snelle verbreiding van het eerste christendom, beginnend bij de bestaande oud-joodse kernen in Palestina, Egypte, Syrië en Klein-Azië, was het gevolg.
De vervolging van de christenen tijdens de eerste eeuwen hing met deze ontwikkeling samen. Hun boodschap en het succes ervan botste met andere boodschappen en vooral met gevestigde belangen. De christenen wezen de keizerverering af, verkondigden dat mensen aan elkaar gelijk zijn (geen heer, geen slaaf), weigerden ambten te vervullen die geen ruimte lieten voor hun overtuiging en toonden zich voor de machthebbers vaak als dwars en ongezeggelijk. Zo kregen ze al snel de keizerlijke bewindvoerders tegen zich. Toen in 64 het keizerlijke Rome door een een grote brand werd verwoest, wees volgens de verhalen de zittende keizer, Nero, de christenen aan als de brandstichters. De felle vervolgingen, met tussenpauzes, duurden formeel tot 313 (Edict van Milaan).
Geef een beschrijving van een vroeg-christelijke kerk. Neem hiervoor een voorbeeld naar keuze.
De vroeg-christelijke kerkenbouw kon pas na 313 echt beginnen. Keizer Constantijn die zelf christen was geworden en via het Edict van Milaan de vervolgingen verbood, stimuleerde persoonlijk de bouw van bijzondere kerkgebouwen. Bouwkundig werd niet op de ouderwetse tempelbouw van eerdere godsdiensten aangesloten, maar werd de bouwwijze van de basilica gevolgd, waarmee men in het rijk veel ervaring had. De basilica –vorm werd al sinds lang toegepast voor regeringsgebouwen, gerechtshoven en handelshuizen. Voorbeeld: de Santa Maria Maggiore in Rome. Gesticht in 432. Een basilica met drie schepen, van elkaar gescheiden door marmeren zuilenrijen die een architraaf dragen. Het middenschip is verhoogd. De aandacht van de kerkganger wordt bij binnenkomst direct getrokken naar het centraal in de lengterichting geplaatste altaar. Het interieur van de kerk is versierd met in patronen gelegde marmeren vloeren. De wanden zijn bedekt met mozaïeken van gekleurd steen, glas en goud. O.a. een afbeelding van Melchizedek die brood en wijn aanbiedt aan de aartsvader Abraham. In latere eeuwen is het gebouw met een apsis uitgebreid, de huidige voor- en achtergevels zijn zelfs pas van de 18de eeuw.
Beschrijf de sarcofaag van Junius Bassus, zowel naar stijl als naar voorstelling.
De sarcofaag van Junius Bassus is 118 cm hoog en 244 cm lang (over het front). Qua stijl een zuilensarcofaag. De voorkant is door twee boven elkaar geplaatste rijen van zuiltjes (Korintische orde) in tien gelijke vakken verdeeld. Overlangs is tussen de twee rijen een draagbalk gelaten: de afgebeelde personen van de bovenste rij hebben een eigen vloer. Vanaf het kapiteel van de onderste zuiltjes “dragen” versierde driehoeken de tussenvloer. Op de kapitelen van de bovenste rij ontbreken deze versierde driehoeken. Over de zuiltjes daar is een architraaf nagebootst, daarop een fries met latijnse tekst, op het fries rust het deksel. De zijkanten van de sarcofaag zijn ook in hoog reliëf en in twee rijen boven elkaar van beelden voorzien (zonder zuiltjes ertussen). De weergegeven figuren zijn eenvoudig en tamelijk stereotiep weergegeven. Het ging om weergave van bekende scènes, niet om nauwkeurigheid van (realistische) vormen. Bij het frontreliëf geven de vijf vakken van links naar rechts de volgende voorstellingen: Job in zijn ellende, toegesproken door twee vrienden; Adam en Eva bij de beruchte boom in het paradijs (met slang) nadat ze van de vrucht hebben gegeten; Jezus, gezeten op een ezel, met een begeleider en Nicodemus (?) in de boom; Daniël staande in de leeuwenkuil, aan weerszijden een leeuw en een manspersoon; Paulus die door twee soldaten wordt weggevoerd. De vijf vakken op de bovenste rij van links naar rechts: Abraham bezig Izaäk te offeren (maar links van hem een schaap te vervanging en rechts een persoon die hem op de schouder tikt); Petrus die door twee soldaten wordt weggevoerd; Jezus op troon met Petrus en Paulus aan weerszijden van hem – de troon is geplaatst op een voorstelling van het hemelgewelf, gedragen door de buste van een bebaarde “hemelgod” (majestas-beeld); en over twee vakken verdeeld: Jezus, gevangen, met begeleiders, voor de op een kruk zittende Romeinse stadhouder Pontius Pilatus.
Wie was keizer Justinianus? Waarom was hij zo belangrijk?
Justinianus (geboren in 483) was keizer in de periode 527-565. Justinianus was de laatste (oostelijke) keizer die zich aktief en met succes nog enigszins als keizer van “het hele rijk” wist in te zetten, door zich uitgebreid met Rome en Italië te bemoeien. De rest van het westromeinse rijk had zich toen al lang, onder lokale heersers, los gemaakt van het rijk. Justinianus had zijn hoofdvestiging in Constantinopel. In Italië maakte hij Ravenna tot hoofdstad in plaats van Rome. . Hij liet o.a. de bestaande wetgeving binnen zijn rijk verzamelen in een soort van algemeen burgerlijk wetboek en dit had invloed op wat latere machthebbers in het westelijke deel aan wetboeken lieten vastleggen. Justinianus was een grote bevorderaar van de kunsten. Zijn regeerperiode wordt de eerste gouden eeuw van de Byzantijnse kunst genoemd. Heel beroemd is de onder Justinianus gebouwde Hagia Sophia-kerk in Constantinopel. In Ravenna verrees o.a. de indrukwekkende San Vitale-kerk. Vooral door zijn bevordering van de kunsten werd Justinianus voor latere generaties een belangrijk persoon.
Waarom wordt Karel de Grote naar uw mening zo belangrijk geacht?
Onder Karel de Grote werd in West-Europa één groot rijk onder Frankisch bewind en van christelijke signatuur gesticht, dat na zijn dood snel weer uiteenviel (Frankrijk, Lotharingen of middenrijk, en Duitsland). Tijdens zijn leven en na genadeloze veldslagen tegen o.a. de Saksische Duiters kwam er even het idee van een groot en samenhangend, westeuropees christenrijk. Tot groot ongenoegen van de (oost)romeinse keizer wordt Karel op 25 december 800 door de bisschop van Rome, paus Leo III, tot keizer gekroond. De politieke ongenoegens terzijde: Karel bevocht niet alleen een groot rijk onder één hoofd, hij stelde zich ook op als overtuigd christenvorst en liet zich door eminente (christelijke) adviseurs bijstaan, die de stichting van kloosters, kerken en scholen bevorderden. Onder Karels bewind kwamen voor het eerst centrale richtlijnen en overwogen subsidies tot stand die voor de culturele ontwikkeling in de Franse en Duitse landstreken vernieuwend en belangrijk zijn geweest.
Waarom zijn de kloosters zo belangrijk geweest?
De kloosters waren belangrijk omdat ze gevuld werden met mannen en vrouwen die zich volledig inzetten voor geestelijke ontwikkeling in samenwerkingsverband (studie, scholing, bezinning) en daarnaast ook algemene zaken van praktische aard organiseerden (landontginning, agrarische technieken, ambachten). Binnen de kloosters werden boeken geschreven en herschreven, manuscripten gekopiëerd (monnikenwerk) voor verdere verspreiding, illustratietechnieken ontwikkeld enzovoort.
Welke nieuwe elementen hebben de Karolingische en de Ottoonse architecten aan de kerkenbouw toegevoegd?
Van de Karolingische en Ottoonse architecten werd verwacht dat ze de tradities van de eerdere kerkenbouw voortzetten (basilica-vorm). Uiteraard ontstonden er met de tijd en met nieuwe mogelijkheden en omstandigheden volgende ideeën en elementen. Meest opmerkelijk is wel dat ze bij de bouw van grote kerken “westwerken” toevoegden. Naast de traditionele oostkoorruimte (op het oosten gericht) ook westkoorruimtes die vaak in een buitenbouw als van een vesting werden ondergebracht. Via de “westwerken” kreeg het kerkgebouw aan die kant (ingangskant) het uiterlijk en ook de inrichting van een bolwerk of kasteel, met hoge torens en zware deuren. Intern werd het pilaarsysteem dat de zwaarder wordende bovenbouw moest dragen via “steundersafwisseling” aangepast. Om en om vierkante stenen pijlers en klassieke ronde zuilen.
Beschrijf twee miniaturen.
In Brievenboek van Gregorius (Registrum Gregorii, ca 980, vermoedelijk in Reichenau gemaakt door de “Gregorius-meester”, manuscript werd in 983 door aartsbisschop Egbert aan de kathedraal van Trier geschonken) wordt de heilige Gregorius afgebeeld zittend op een stoel in zijn cel. Zijn linkerhand ligt op een boek dat opengeslagen ligt op een fraai lezenaarskastje. In zijn rechterhand houdt hij een ander (dichtgeslagen) boek op schoot, met een fraaie goudkleurige band. Gregorius draagt een blauwe mantel, rond zijn hoofd een gouden nimbus. Op zijn rechterschouder zit een witte duif. Volgens de legende werd Gregorius bij zijn schrijven geïnspireerd door de Heilige Geest in de gedaante van een witte duif. Rechts van Gregorius is een monnik bezig met het bewerken van een opgespannen huid (penseel en een plankje in zijn handen, wellicht de laatste fase van perkament-gereedmaking: verwijderen van vettigheid met behulp van fijne kalk). De achtegrond geeft, zonder perspectief, een gebouw met zadeldak en zuilen weer. Boven de monnik hangt onder een boog een groen gordijn aan een roe, dat in het midden is opgeknoopt. Boven Gregorius eveneens een boog waarin een goudkleurige, ronde kaarsenhouder hangt, recht boven het hoofd van de heilige. Maakt indruk een kroon te zijn. Op de achtergrond in de zuilengang een ander opgespannen vel (toekomstig) perkament.
In de Grimbald Gospels (begin 11de eeuw, Winchester-school) beeldt een miniatuur de evangelist Mattheus af, zittend op een soort klapstoel met blauw kussen, aan een lezenaarskastje. Mattheus in bruine pij met rood onderkleed, blote voeten, zit met zijn handen boven een opengeslagen boek op de lezenaar. De linkerhand houdt de band open, de rechterhand met schrijfstift op de pagina. De evangelist kijkt op naar een engel die (van kleiner formaat dan de schrijver) op een kast staat tegenover hem. Deze engel, gevleugelde man, is traditioneel het bij Mattheus horende symbool. De engel staat voorovergebouwen, wat correspondeerd met de scheve stand van een vastgeknoopt gordijn boven het hoofd van de evangelist. Rond de tekening, zonder achtergrond, is een brede, rijk versierde en veelkleurige sierrand getekend..
Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de Romaanse bouwkunst?
In de Romaanse bouwkunst is stevigheid (bescherming, verdedigbaarheid, dikke muren) een belangrijk kenmerk. Dit geldt in de stedenplanning, de kasteelbouw en ook in de kerkenbouw. Bij gebouwen die veel publiek trekken, moet daarvoor ruimte worden geschapen. Bij de kerken leidt dit tot toevoeging van kooromgangen en straalkapellen. Overkluizing met tongewelven van het centrale schip en andere aanpassingen die de dragende muren belasten, leidt tot over het algemeen “zware bouw”. Binnen dit geheel ontstaan allerlei opdelingen in vakken, met eventueel nieuwe gordelbogen en kruisgewelven. Er zijn allerlei lokale verschillen, maar voor de Romaanse bouwkunst zijn dikke muren en allerlei zware gewelven wel de belangrijkste kenmerken.
Hoe lopen de drie belangrijkste ontwikkelingslijnen van de Romaanse kunst en hoe werden de ideeën verspreid?
Genoemd worden een ontwikkelingslijn vanuit Spanje, een ontwikkelingslijn vanuit Italië en een ontwikkelingslijn vanuit Cluny (Bourgogne). Spanje stond onder invloed van de Islamitische (“Moorse”) cultuur. De stad Toledo was een belangrijk centrum met scholen die een belangrijke rol speelden in het toegankelijk houden van klassieke literatuur. Die scholen werden druk bezocht door studenten uit ook de meer noordelijke Europese landen. Aspecten van de Moorse kunsten kregen hierdoor verspreiding naar de noordelijke streken. Het toenemend gebruik van baksteen en van gewelfbouw was waarschijnlijk o.a. een gevolg. Het noordelijke deel van Italië (Lombardije) was onderdeel van het Frankische rijksgebied. Van daaruit verspreiden zich aspecten van Romeinse en Byzantijnse kunsten in noordelijke richting via bouwkundigen en andere specialisten die in hoog aanzien stonden. Decoratieve elementen zoals boogfriezen en kapellenkransen komen van daaruit tot ontwikkeling. De derde ontwikkelingslijn vindt zijn oorsprong in het in 910 gestichte klooster Cluny (Bourgogne). Rond het jaar 1000 onder abt Odo komt vanuit Cluny een algemene klooster-hervorming op gang, in grote mate los van de wereldlijke macht maar onder zeggenschap van de paus te Rome. Men beschikt over veel kapitaal dat voor wetenschappelijke ontwikkeling wordt gebruikt, maar vooral ook voor “Opus Dei”, godswerken zoals kerken- en kloosterbouw. Cluny zorgt voor de verspreiding van specifieke standaarden die later tamelijk algemeen worden.
Beschrijf het tympaan van de St.Pierre te Moissac en van de Sainte Madeleine te Vézelay.
Het tympaan van de St.Pierre te Moissac geeft een gekroonde Jezus weer, zittend op een troon, omgeven door de vier evangelisten (in hun symbolische voorstelling: adelaar (Johannes), os met vleugels (Lucas), leeuw met vleugels (Marcus) en man met vleugels (Mattheus) en twee (aarts)engelen en door de 24 oudsten die naar hem opkijken. Het tafereel is gebaseerd op een openbaring van Johannes (Nieuwe Testament). Op een onderste rij in het tympaan zitten 14 van de oudsten. Op een tweede rij in totaal zes, steeds drie ter weerszijden van de overheersende middenafbeelding van Jezus en de engelen, dat zich over het hele tympaan, uitgezonderd de onderste rij, uitstrekt. Op een bovenste rij zitten de resterende 4 oudsten, steeds twee ter weerszijden van de middenafbeelding. Die bovenste rij is hoger dan de andere twee rijen en vult de bovenkant van de halve cirkel van het tympaan. De nadruk ligt hier volledig op de “Jezus in glorie”.
Het tympaan van de St.Madeleine te Vézelay wordt ook overheerst door het beeld van een zittende Jezus. De voorstelling betreft hier de uitzending van de apostelen over “de hele aarde” om aan alle volken het evangelie te verkondigen. De zittende Jezsus strekt zijn armen uit boven de hoofden van de apostelen. De reliëfmaker bracht in het steen lijnen (“stralen”) aan van Jezus’ handen naar de apostelhoofden om zo het idee van de zegening over te brengen. Om het tympaan heen loopt een boog met 29 afbeeldingen die de tekens van de dierenriem en met seizoenen/maanden samenhangende aktiviteiten voorstellen: het universele, nooit-eindigende van de opdracht. Daarbinnen is een tweede boog, in acht vakken verdeeld en aan de top onderbroken door de afbeelding van het hoofd van Jezus, met stralenkrans, uit de centrale voorstelling. Deze tweede boog geeft de verschillende volken weer die op aarde wonen en door de apostelen moeten worden bezocht. Die tweede boog rust samen met de centrale voorstelling op een doorlopend reliëf waarop nog meer volken of menstypes worden uitgebeeld. Daarbij ook hondenkopmensen, figuren met varkenssnuiten of volken met oren zo groot dat ze het hele lichaam kunnen bedekken. Dit volgens de voorstellingen die men rond 1100 nog van sommige vreemde volken had.