Voorfamilie Joke Visser Roem Kunstgeschopgave E3
Kunstgeschiedenis Opgaven E 3
Wat is een bouwloods of Bauhütte en geef er een beschrijving van.
Bauhütte (bouwloods) is de groep ambachtslieden die leiding geeft aan de bouw van een kathedraal, raadhuis of ander groot werk. Een bouwmeester staat aan het hoofd van de groep. Verder omvat deze contremaîtres (uitvoerders), gezellen en leerlingen. De niet- of weinig geschoolde arbeiders of vrijwilligers, die bij de bouw in grote getale meehelpen, worden vanuit de bouwloods aangestuurd en gecontroleerd.
Geef de belangrijkste kenmerken van de gotische bouwkunst in de verschillende perioden.
De gotische bouwkunst is gebaseerd op de overtuiging dat kerkgebouwen niet donker en somber horen te zijn (zoals de Romaanse gebouwen), maar dat er zoveel mogelijk licht in moet worden toegelaten. Om dit te realiseren moeten veel vensters kunnen worden aangebracht. De ruimte moet ook indrukwekkend hoog worden, zodat de blik van de kerkgangers naarboven wordt getrokken. Als het ware richting de hemel en de bron van het licht. Het bijzondere kenmerk van de gotische bouwkunst is van begin af de invoering van de spitsboog in plaats van de rondboog. Door de spitsboog, gedragen door op pijlers rustende ribben, wordt de zijwaartse druk op de gebouwmuren verminderd. Zo is het mogelijk in die muren grote ramen te maken. Om de dragende pijlers te helpen worden tegen de buitenmuren steunberen gebouwd, bij meerschepige kerken ook tegen de tussenmuren binnen de kerk, uiteraard langs en niet tegen de gecreëerde raamvlakken. Luchtbogen worden toegepast om vanaf de steunberen het gewelf van het verhoogde middenschip te stutten. Spitsbogen, draagribben, steunberen en luchtbogen vormen de belangrijkste kenmerken van de gotische bouwkunst in al haar perioden. Met gaandeweg aanvullende kenmerken.
De behoefte aan verticaal effekt brengt met zich mee dat binnen het gebouw “storende” horizontaal ogende elementen werden verwijderd of verdoezeld: galerijen, uitstaande kapitelen, schalkringen enzovoort. Aan het uiterlijk van het gebouw worden zoveel mogelijk omhoog gerichte facetten toegevoegd. De Franse gotiek heeft voor de facade een vrij vaste indeling: drie spitsbogige portalen, de middelste het grootst en daarboven een groot, rond roosvenster, twee hoge torens aan weerszijden van de hoofdingang.
In de periode van de hooggotiek wordt het verticalisme-streven verder verfijnd (steeds hoger, steeds ranker), o.a. door de zuilen ronder en smaller te maken, het transept weg te laten en het triforium naar buiten door te breken zodat ook daar vensters worden aangebracht. Aan de buitenkant nemen de decoratieve ornamenten toe (wimbergen, pinakels, traceringen). Het aantal steunberen en luchtbogen wordt vaak groter dan technisch noodzakelijk.
In de periode van de late gotiek is er bouwkundig niet veel meer toe te voegen, behalve in verdere decoratie (flamboyante stijl).
Geef een omschrijving van de kenmerken van de Engelse gotiek.
De Engelse gotiek ontstaat vanaf rond 1175 wanneer onder leiding van de Franse bouwmeester Willem van Sens het koor van de kathedraal van Canterbury wordt herbouwd. Dit was kort ervoor door brand verwoest. In 1170 was in deze kathedraal aartsbisschop Thomas Becket vermoord, die na zes jaar ballingschap vanuit Frankrijk was teruggekeerd. Hij en zijn entourage hadden daar de nieuwe Franse stijl kunnen bewonderen. In Canterbury moest men rekening houden met de omringende Romaanse delen van de kathedraal. In de Engelse gotiek blijft dit een thema: men houdt meer vast aan horizontale elementen, bouwt minder verticaal en in de hoogte dan de Franse gotiek doet. Verder is kenmerkend dat de Engelse kerkgebouwen twee dwarsbeuken kennen in plaats van één en dat de Franse voorkeur voor drie grote portalen met veel beeldhouwwerk in de westgevel, niet wordt gedeeld. De Engelse gotiek kent drie srijlperioden: Early English. Van 1175 tot ongeveer 1300. Gotiek-elementen worden ingevoerd, maar men bouwt niet zo hoog, meer in de breedte en zwaarder. De colonetten die de gewelven steunen, staan nog los rond de pijlers. Verder van de Franse gotiek afwijkende elementen zoals hierboven genoemd. Decorated Style. Van rond 1300 tot ca 1380. Tijdens deze periode wordt de ruimte binnen het gebouw hoger en het verticale effekt sterker. Decoratieve ornamenten krijgen veel aandacht. Typisch kenmerk van de Engelse gotiek worden de ribbenstelsels die de gewelven dragen, in waaier- of stervormen. Perpendicular Style (verticalisme). Van ca 1380 tot ca 1530. Het verticale effekt krijgt in de dragende delen de allergrootste aandacht. Dit geldt niet voor de gewelven er boven, die juist heel vlak worden gehouden en dus meer plafonds dan gewelven worden. De spitsboog heeft geen dragende functie meer (soms krijgen ze de vorm van een accolade, de “Tudorboog”), de ribbenstelsels tegen het plafond krijgen nog meer een decoratieve, “fijnmazige” bedoeling.
Geef een beschrijving van het Muiderslot.
Het Muiderslot is in 1280 voor graaf Floris V gebouwd aan de monding van de (Utrechtse) Vecht. Het is een voor die tijd modern kasteel in vierkante vorm met hoektorens die gedeeltelijk buiten de muren uitsteken, zodat het schootsveld voor de boogschutters optimaal is. Het slot is omgeven door een brede gracht en kent slechts één toegang, aan de zuidzijde. Het poortgebouw is verhoogd en steekt ook gedeeltelijk buiten de muur uit. Een ophaalbrug en een valhek schermen de toegang mede af. De woonvertrekken, stallen enzovoort zijn aan de binnenzijde van de muren gebouwd rond een ruime binnenplaats met waterput. Aan de zeekant werd het woonverblijf tot ver boven de muur en vrijwel tot torenhoogte verhoogd. De vertrekken zijn groot en vrij somber. Het slot werd rond 1600 in renaissancestijl heringericht om het wat comfortabeler te maken voor de bewoners, maar de basis vorm uit de begintijd bleef grotendeels bewaard.
Wat zijn de belangrijkste punten in het iconologisch schema van abt Suger?
De abt Suger baseerde zich bij de herinrichting van de Romaanse kerk van St.Denis ten noorden van Parijs op de “Theologia Mystica” met sterke nadruk op de symbolische betekenis van het licht. Hij veranderde de westzijde (ingang, toegang tot het Licht) en de oostzijde (waar de zon opkomt) aanzienlijk. Om het licht volop in de kerk te laten doordringen, moesten er zoveel mogelijk (gebrandschilderde) ramen in de muren worden aangebracht. Hij deed dit door een geheel nieuwe bouwwijze in te voeren die in latere tijden de naam “gotiek” kreeg. Zijn iconologisch schema is gebaseerd op de afbeeldingen van bijbelse taferelen die de weg naar het licht symboliseren. Hij gebruikte daarbij de “concordantie”: de overeenkomsten tussen verhalen uit het oude testament en verhalen uit het nieuwe testament. Bij de ingang al werden bezoekers geconfronteerd met een reeks van koningen van Juda, voorvaderen van Jezus Christus. In een van de ramen wordt Christus weergegeven die met zijn ene hand vrouwe Ecclesia kroont (de Kerk of het Nieuwe Testament) en met zijn andere hand de sluier afneemt van vrouwe Synagoge (het jodendom of het Oude Testament). Later pleegt men de ramen aan de noordzijde te voorzien van taferelen uit het oude testament, corresponderend met taferelen in de ramen aan de lichtere zuidzijde die aan het Nieuwe Testament zijn ontleend. In een ander raam, de “Boom van Jesse”, is de veronderstelde stamvader van Jezus afgebeeld, slapend op de grond, terwijl uit zijn zij een struikgewas groeit waarin de volgende voorvaderen worden afgebeeld, met aan de top Jezus omgeven door een aureool van duiven (Heilige Geest) in gouden medaillons. In latere tijden kwam op die plek aan de top een afbeelding van Maria met Kind. In het raam te St.Denis is abt Suger zelf afgebeeld, aan de voeten van Jesse, alsof hij het raam omhooghoudt. Ook in een raam met het tafereel van de engel die Maria vertelt dat uit haar een bijzonder kind zal worden geboren (de annunciatie) komt abt Suger, aan de voeten van Maria, voor. Als iconologisch element rond de weg naar het licht geldt ook een raam met tafereel betreffende het Laatste Oordeel dat door Suger werd verbonden aan de gelijkenis van de Wijze en de Dwaze Maagden. Tien meisjes wachten voor de poort van een bruiloftszaal om toegelaten te worden. Maar het wachten duurt lang en de olie in hun lampen raakt op. De Wijze hebben reserve-olie bij zich, de Dwaze niet. Als hun licht is gedoofd, moeten ze terug naar de markt om nieuwe olie te halen, terwijl de wijze meisjes tot de zaal worden toegelaten. Houdt het licht brandende!, aldus Suger’s schema. Veel schitterende edelstenen.
Geef een samenvatting van de ontwikkeling van de beeldhouwkunst van de vroeggotiek tot de hooggotiek.
In de vroeggotiek is in de kerkelijke beeldhouwkunst nog vrijwel uitsluitend sprake van reliëf- en zuilbeelden in en rond de portalen. De afgebeelde figuren zijn zoals in de Romaanse periode vrij stereotiep en conventioneel. Hoofdhaar volgens een cliché-patroon, kleding in een gestileerde plooival, gezichten met bolle ogen. Ze zijn wel wat slanker aan het worden, maar dat heeft, in ieder geval bij de zuilbeelden, vooral met beschikbare ruimte te maken. Gaandeweg echter begint de afbeelding realistischer te worden. De houding wordt minder strak, de gezichten zijn niet meer uitsluitend naar voren gericht. De figuren krijgen individualistischer trekjes. De kledingplooien gaan natuurlijker ogen. Tegen de tweede helft van de 13de eeuw gaan de zuilbeelden drastischer veranderen en “groepen” vormen van onderling op elkaar gerichte figuren. De houding verandert doordat ze steunend op het standbeen worden afgebeeld, met het speelbeen zijwaarts gebogen. De gewaden vallen laag, over de voeten, met diepe en vaak geknakte plooien. In de tweede helft van de 13de eeuw tenslotte komen er steeds meer vrijstaande beelden in de kerken. Vaak in hout (“Andachtsbilder” in Duitsland) of ivoor, vervolgens ook steeds meer in steen. In de hooggotiek neemt deze beeldenrijkdom toe. Een opvallend kenmerk is de “gotische S-lijn”, waarbij de afgebeelde figuur het speelbeen iets naar achter heeft geplaatst en het bovenlichaam licht zijwaarts buigt boven het standbeen. Boven de tegenovergestelde heup komt daardoor zitruimte voor het kind bij de Madonna met Kind.
Beschrijf en vergelijk de afgebeelde taferelen van Nicola en Giovanni Pisano.
De geboortescène op de preekstoel in de doopkapel te Pisa, door Nicola Pisano (1259), is mooi te vergelijken met de geboortescène op de preekstoel van de kathedraal te Pisa, gemaakt door zijn zoon Giovanni Pisano (rond 1305). De figuren op het door Nicola gemaakte reliëf lijken qua houding en hoofd veel op sarcofaagafbeeldingen uit de vroeg-christelijke tijd. De Maria, op een rustbank, is met het bovenlichaam in het midden geplaatst, het klassieke gezicht naar boven geheven. Ze kijkt weg van het kind Jezus dat links achter haar (rechterbovenhoek van het reliëf) in een wiegje ligt. Twee engelen staan bij het kind en aan het voeteneind staan twee herders. Twee bomen vullen hier verder het beeld. Rechtsachter Maria (linker bovendeel van het reliëf) staat dezelfde vrouwspersoon tegenover een engel die zich met een boodschap tot haar richt (annunciatie?). Deze twee figuren zijn bijna even groot als de rustende Maria. De andere figuren op het paneel zijn naar verhouding veel kleiner. Voor deze groep zitten, op de onderste helft van het paneel, van links naar rechts een Jozef met volle baard en twee dienstvrouwen die het pasgeboren kind wassen in een wasbekken op voet. Vervolgens vier schapen die vol aandacht kijken naar voor hen liggende soortgenoot. Zoon Giovanni plaatst dezelfde drie figuren onderaan op zijn paneel. De Jozef kijkt nu niet vaag naar boven, maar buigt zich vol interesse naar het kindje dat bijna natuurgetrouw op de rechterarm van de dienstvrouw ligt die zich naar het wasbekken buigt en met de linkerhand voelt of het water in het bekken op de juiste temperatuur raakt, terwijl tegenover haar de andere dienstvrouw met een kruik water in het bekken giet. Boven dit tafereel is Maria met kind afgebeeld in een soort halfronde nis (de stal). Maria, met fijn gesneden gezicht, zit ook op een rustbank en buigt zich vol aandacht naar Jezus in het kribje dat steunt op haar linkerheup en linkerknie en door Maria met haar linkerhand gekanteld lijkt te worden, zodat de toeschouwer een beter zicht op Jezus krijgt. Boven het kribje de nieuwsgierige koppen van een ezel en een os. Over de rand van de nis heen (linkerbovenhoek van het reliëf) buigen zich vier zingende/biddende engelen. De rechterhelft van het paneel wordt gevuld door een engel (op de nis) die twee herders toespreekt die naast de nis staan. Van bovenaf gezien verder een boom op de heuvel, drie de heuvel afdalende schapen en beneden een groepje van vier schapen rond een voor hen liggende soortgenoot, die anders dan bij Nicola de kop niet achterom heeft gedraaid naar zijn schapengezelschap, maar naarvoren uit het reliëf kijkt. De figuren van Giovanni zijn slanker dan die van Nicola, hun gewaden zijn sierlijker geplooid, de beter van elkaar onderscheiden taferelen zijn minder statisch. Het geheel is ook dieper uitgehouwen, zodat er meer spel is van licht en schaduw. Er is meer beweging en achtergrond in de voorstelling.
Beschrijf de afgebeelde Maëstà.
De Florentijnse schilder Giotto di Bondone (rond 1300) werd vooral beroemd door zijn muurschilderingen. De afgebeelde Maëstà is een eerder werk, schildering op paneel, gouden achtergond, dat beslist niet levendig is te noemen. Het paneel is puntig van boven. Dit correspondeert met de puntige bovenkant van de zetel waarin Maria met Kind troont. De opbouw van het schilderij is over de breedte nagenoeg symmetrisch, met Maria en Kind als centraal beeld. De zetel, op verhoging, heeft links en rechts gelijke opengewerkte zijpanelen die aan hun bovenkant een “gotische” punt hebben. Zowel links als rechts van de troon staan zes figuren, zowel links als rechts de voorste drie met stralenkrans en één figuur die via het opengewerkte zijpaneel zichtbaar is. Aan weerszijden van de verhoging waaeop de troon staat, knielen zowel links als rechts twee andere figuren, steeds één met stralenkrans. Alle figuren (engelen) kijken naar Maria en Kind, zonder bijzondere expressie. Maria en Kind, beiden met stralenkrans, zijn op een conventionele manier geschilderd, veel groter van gestalte dan de 16 aanbidders. Maria heeft een zwarte mantel om die een groot deel van het beeld vormt. Geen bijzondere plooienaandacht. Maria draagt onder de mantel een witkleurig gewaad, dat zichtbaar is en plooit over haar borsten en middel.Het Kind bevindt zich in witlinnen jurkje op het linkerbovenbeen van de zittende Maria. Deze houdt haar rechterhand op zijn linkerknie. Jezus maakt met zijn rechterarm een groetend gebaar, ter hoogte van de linkerborst van Maria.. Zijn linkerhand ligt op zijn linkerbovenbeen. De gezichten van Maria en van het Kind zijn expressieloos.
Wat zijn de kenmerken van de internationale stijl?
De beeldende kunst van de late gotiek wordt vaak “internationale stijl” genoemd, omdat er tijdens die periode in de verschillende westeuropese landen veel overeenkomstige kenmerken zijn in deze kunst. Realisme en zin voor detail zijn daarvan de belangrijkste. De kunst wordt steeds meer gemaakt door leken (in plaats van vooral monniken), soms in dienst van een vorst, maar vaker werkend in opdracht voor rijke burgers enzovoort. Er wordt door de vorsten, zakenlieden en ook de kunstenaars veel gereisd, wat het internationale aspect van dee kunst bevordert.
Wie was Claes Sluter, welke zijn zijn belangrijkste werken en waarom is hij zo bijzonder?
Claes Sluter (ca 1340 – 1406) was een beeldhouwer, afkomstig uit Haarlem en vermoedelijk opgeleid bij de bouw van de Domkerk te Utrecht. Hij werkt daarna te Brussel. In 1385 volgt hij Jean de Marville op als beeldhouwer in dienst van de hertog van Bourgondië, Filips de Stoute. Zo kwam hij o.a. te Dyon terecht, waar de hertog een kartuizerklooster stichtte (in Champmol nabij Dyon). Van het werk van Sluter is niet veel bewaard gebleven (het klooster werd in 1792 grotendeels verwoest). Wel o.a. het beeldhouwwerk dat hij maakte voor het portaal van de abdijkerk en het beeld “op de waterput” in de kloosterhof. Verder ook het grafmonument voor Filips de Stoute dat door Sluter werd ontworpen (voor een groot deel door diens neef uitgevoerd). Sluter’s aandacht voor de persoonlijke expressie van de gebeeldhouwde figuren maakt zijn werk zo bijzonder. Voor het portaal van de abdijkerk maakte hij een realistisch beeld van de hertog, achter deze diens beschermheilige Johannes de Doper, en aan de overkant de hertogin, achter haar de beschermheilige Catharina, gebogen naar Maria met Kind op de centrale zuil. Een groot verschil met de traditionele zuilbeelden. Het beeld “op de waterput” (de Mozesbron) heet zo, maar was in feite bedoeld als drager voor een kruisbeeld (Christus als levensbron) dat in de loop der tijd is verdwenen. Alleen hoofd en torso van de Christus zijn daarvan bewaard (Christuskop inspireerde vele andere kunstenaars). Het Mozesbron-beeld, het voetstuk, is wel behouden. Rondom de beelden van zes profeten met hun attributen, gescheiden door dunnes zuiltjes met een engel erop. De beelden van de profeten zijn heel realistisch en expressief (één van de profeten zelfs met bril?).. Beschrijf één van de afgebeelde werken van Jan van Eyck en de Kruisafname van Rogier van der Weyden. Wat is het belangrijkste verschil in stijl?
De “Aanbidding van het Lam” door Jan van Eyck in zijn altaarstuk Het Lam Gods beeldt een landschap uit, met gras begroeid, binnen een heuvelachtig landschap. Hij gebruikt daarvoor al perspectief met beboste heuvels op afstand waarachter stadjes schuilgaan. Behoorlijk veel torentjes steken af tegen de verre lucht. Tussen de heuvels door (midden van de schildering) geeft het grazige dal uitzicht op een bergenlijn heel ver weg. Op die middellijn van bovenaf: een verheerlijkte zon met stralenkrans (slechts het onderste deel van die zon is zichtbaar), de uitkijk op de verre horizon met bergenlijn, het Lam Gods op een altaarkist, en het metalen kruis staand in een waterput (Fons Vitae). Rond het Lam Gods op altaarkist, op een heuveltje geplaatst, knielen engelen in aanbidding. Links achter hen staat een massale groep kerkelijke prelaten half in de bossages, alsof ze uit de stad op de achtergrond naar hier zijn getrokken. Rechts achter de aanbidders evenzo een massale groep burgers en buitenlui, alsof deze uit de velden en de stad rechtsachter afkomstig zijn. Op de voorgrond links en rechts van de Fons Vitae ook een groep van vele personen. De linkergroep bestaat uit bebaarde, oudtestamentische figuren. Op de eerste rij van deze groep zitten figuren geknield die ieder een dik boek opengeslagen houden voor de borst. De rechtergroep bestaat uit geestelijken in rode gewaden. Op de eerste rij hiervan figuren, in witte pijen, die in aanbidding geknield zijn. Zowel links als rechts heeft de rest van de groep meer onderlinge aandacht dan aandacht voor de aanbidding. De “Kruisafname” door Rogier van der Weyden is een triptiek. Op het middendeel is de dode Jezus al losgemaakt van het kruis. Een bebaarde man ondersteunt zijn bovenlichaam, een droef kijkende vrouw tilt zijn benen. Achter het kruis op de achtegrond kijkt een figuur toe staande op een ladder tegen de achterzijde van het kruis. Hij houdt zich met een hand vast aan schild en dwarsbalk van het kruis. Rechts, achter de droef kijkende vrouw, is het hoofd zichtbaar van een droef kijkende man met kalend hoofd, en buigt zich een jonge vrouw snikkend naar deze man toe. Links op het middenpaneel ligt een naar de grond gezakte Maria (zwarte jurk met witte borduurrand langs de hals). Haar lichaam vrijwel parallel aan dat van de van het kruis afgenomen Jezus. Haar bovenlichaam wordt omhoog gehouden door een naar haar gebogen man en een naast hem en achter Maria staande vrouw. Achter de helpende man is gedeeltelijk nog een andere treurende vrouw zichtbaar. Op het linkerpaneel van de triptiek een staande en drie knielende mannelijke geestelijken. Op het rechterpaneel evenzo een staande en drie knielende vrouwelijke geestelijken.
Wat is het belangrijkste verschil in stijl? Jan van Eyck voegt veel landschap toe aan het tafereel en beeldt de figuren met minder persoonlijke bewogenheid af. Rogier van der Weyden heeft aandacht voor het directe verhaal en de emoties. Bij de “Kruisafname” schildert hij geen aandachttrekkend landschap als achtergrond.