Voorfamilie Joke Visser Roem Kunstgeschopgaven E4
Kunstgeschiedenis Opgaven E 4
Probeert u eens de belangrijkste kenmerken van de bouwkunst van Brunelleschi te noemen.
Notariszoon Brunelleschi (1377-1446) werd goudsmid en klokkenmaker. Zo verdiende hij de kost. De belangrijkste kenmerken van zijn bouwkunst hangen vooral samen met zijn technisch vernuft dat hij als klokkenmaker bewees te hebben (later ontwierp hij in het groot de fameuze hijstoestellen die de koepelbouw te Florence mogelijk maakten en door de jonge Leonardo da Vinci werden nagetekend) en dat hij aanscherpte tijdens een periode te Rome, waar hij klassieke koepelbouw bestudeerde en namat (Gouden Huis van Nero, Pantheon van Hadrianus). Landmeettechniek hielp hem toen en later en leerde hem ook de principes van lijnperspectief te doorgronden. Door experimenten met lijnperspectief had hij faam verworven toen hij in 1418 terugkeerde naar Florence en daar mee deed aan de oproep (wedstrijd) betreffende praktische oplossingen voor de beoogde koepelbouw (plan Neri van 1367). Hij won die wedstrijd niet direct maar gaandeweg. Belangrijkste kenmerken: Bij de koepelbouw geen gebruik van formelen, de houten bekistingen waarop tot dusver bakstenen koepels werden gemetseld en dus de eerste tijd lagen (tot voldoende gedroogd en stevig van zichzelf); Hoger in de koepel, daar waar de zwaartekracht sterker gaat inwerken op de ringvormig gemetselde stenen, invoeging van banen van speciaal gevormde bakstenen in een visgraatverband die als “boekensteunen” de tussenliggende muurdelen omklemmen.
Wat zijn de belangrijkste eisen, die Alberti aan een bouwwerk stelt; waardoor wordt harmonie bepaald?.
Leon Battista Alberti (1404-1472) leerde van de oudere Brunelleschi. Ook Alberti ging naar Rome om de antieke bouwwerken te bestuderen. Zijn boek over de kunst van het bouwen had veel invloed op anderen. Alberti stelt dat een bouwwerk moet voldoen aan de eisen van bruikbaarheid, stevigheid en schoonheid (utilitas, firmitas en venustas). Onder schoonheid verstaat hij vooral harmonie. Harmonie is via berekeningen te bepalen o.a. door toepassing van de gulden snede (geometrie).
Vertel iets over de bouw van de Sint-Pieter.
In ongeveer het jaar 333 liet de Romeinse keizer Constantijn te Rome een kerk (basilica) bouwen boven het graf van de apostel Petrus, ter vervanging van wat daar ooit eerder stond. Aanvankelijk waarschijnlijk een drieschepig gebouw met verhoogd middenschip en een dwarsbeuk (transept) met nis voor het altaar aan de oostzijde. Later vijfschepig. Gedurende de bijna 1200 jaar sindsdien is er van alles aan verbouwd en gerenoveerd. Tegen het eind van de 15de eeuw besluit men tot een drastische vernieuwing en vergroting. Wanneer in 1503 paus Julius II aantreedt geeft deze de architect Donato Brumante opdracht voor een nieuwe kerk op dezelfde plaats. Brumante gaat in zijn ontwerp uit van het Griekse kruis. Hij ontwerpt een vierkant gebouw met als uiteinden van het kruis vier, naar buiten uitstekende, absiden aan elke kant. Middenop het gebouw een grote koepel en op de diagonalen richting de hoeken vier kleinere koepels eromheen. Op elke hoek tenslotte een torentje. De bouw is (lang) niet voltooid wanneer in 1513 paus Julius overlijdt en in 1514 ook Brumante. Volgende bouwleiders gaan op het plan van Brumante door, maar opperen hier en daar andere accenten. De architect Antonio da SanGallo komt met het plan om het vierkant met de uitstekende absiden van Brumante minder strak te maken door aan weerszijden van de absiden de hoeken met nissen op te vullen en om het gebouw aan de westkant te verruimen door aan die zijde van het vierkant van Brumante een 3-schepige ruimte toe te voegen. In 1546 wordt de dan 60-jarige Michelangelo tot bouwmeester benoemd. Hij houdt zich aan het Brumante-plan, maar neemt ook onderdelen van SanGallo over, zoals de minder strakke vorm aan de buitenkant. Michelangelo ontwerpt tenslotte de definitieve constructie voor de grote koepel en neemt daarbij de domkoepel van Florence, door Brunelleschi ontworpen, als voorbeeld. Maar o.a. met een omgang van gekoppelde zuilen rond de tamboer. Michelangelo overlijdt in 1564 voordat de koepel is voltooid. Rond 50 jaar later wordt onder leiding van de barok-architect Carlo Maderna een lang schip aan het vierkant van Brumante en de eerste uitbouw van Michelangelo toegevoegd, met de zuilenvoorgevel zoals deze nu nog bestaat. Het enorme Pietersplein met de zijgebouwen en omarmende colonnades werden daarna tegevoegd onder leiding van de bouwmeester Gianlorenzo Bernini (ca 1660).
Vergelijk de Gattamelata van Donatello en de Colleoni van Verrocchio.
Bij de “Gattamelata” en de “Colleoni” gaat het om bronzen ruiterstandbeelden. De Gattamelata is van ca 1450 en wordt het eerste bronzen ruiterstandbeeld sinds de oudheid genoemd. Donatello was bijna 65 toen hij het ontwierp als grafmonument voor een Venetiaans edelman. De Colleoni werd in 1481 ontworpen door Verrocchio (ook al voor een Venetiaans edelman), die toen ruim 45 was. Het beeld werd pas na de dood van Verrocchio (in 1488) gegoten. De Colleoni is als ontwerp dertig jaar jonger dan de Gattamelata en dit tijdens een belangrijke periode van toenemende kunst en kunde. Het paard bij Donatello is nog relatief plomp (vetste paard van stal) en de ruiter, met klassiek-Romeinse trekken, lijkt daardoor wat klein en voorzichtig in het zadel te zitten. Het paard heeft zijn linkervoorbeen niet volledig geheven. Het onderbeen leunt vanaf de knie loodrecht met gekantelde hoef op een bal. Volgens zeggen was Donatello bang dat het anders af zou breken. Het paard bij Verrocchio oogt sterk en niet plomp (stoerste paard van stal), het linkervoorbeen sterk geheven en volledig los van de grond. Spierbundels zijn duidelijk aangegeven. De ruiter leunt niet op zijn zitvlak, maar staat zo ongeveer in de stijgbeugels. Hij is ook enigszins gekeerd, met linkerschouder iets naar voren, in lijn met het geheven linkervoorbeen van het paard. Deze ruiter beheerst het paard. Terwijl de Gattamelata rust op de sokkel, lijkt de Colleoni op weg om van de sokkel af te lopen.
Wat zijn de kenmerken van het maniërisme in de beeldhouwkunst?
Kenmerken van het maniërisme in de beeldhouwkunst zijn vooral terug te vinden in de manier waarop menselijke lichamen worden weergegeven. De makers willen de beelden of beeldengroepen grote beweging en (emotionele) lading meegeven en zijn daarbij niet bang voor “overdreven” middelen. Zoals langgerekte lichamen, sterk verdraaide houdingen (kunstmatige poses) of andere vormen van “onnatuurlijke” proporties.
Welke zijn de belangrijkste onderwerpen in de renaissance schilderkunst?
In willekeurige volgorde genoemd: het individuële portret; landschapschilderingen; zeden- of genreschildering (moraliserend of kenmerkend); variaties op antieke thema’s (mythen, bijbelverhalen etc. opnieuw verbeeld); allegorie-thema’s; afschildering van historische gebeurtenissen (veldslagen, belangrijke bijeenkomsten).
Welke zijn de stijlkenmerken van het quattrocento, cinquecento en maniërisme?
In de periode van de vroege renaissance (quattrocento) begint men de “klassieken” weer te bestuderen die om allerlei redenen grotendeels uit het zicht waren verdwenen. Men bestudeert hun bouw- en beeldhouwkunst en litteratuur. Stijlkenmerken in gevolg of als nasleep hiervan zijn: een natuurlijker gebruik van kleuren en van lijnen, de ontdekking van perspectief-tekening en van een juistere weergave van anatomie (proporties van mens en dier). In de periode van de hoge renaissance (cinquecento) zijn de conclusies grotendeels getrokken en zijn er bepalende generaties van stijlbeheersers en stijlontwikkelaars ontstaan. Men heeft de perspectieftekening onder de knie, weet met perspectief te spelen, zoals ook met natuurlijke kleuren en lijnen, kent de geheimen van figuurweergave (mensen, dieren etc.). Tekenen wordt schilderen: bredere opzet, figuren ronder en volwassener, ruimtebeheersing (voor- en achtergronden). Overigens houdt deze nieuwe kunde vaak in dat men zich op de bedoelde voorstelling concentreert en de achtergrond sober houdt. In de periode van de late renaissance (maniërisme in het bijzonder) wordt het beheersen van de stijl het voornaamste kenmerk en wordt dit inhoudelijk vooral ingevuld door grote nadruk op expressiviteit in beweging en weergave van de kracht van emoties. De kunstenaar zocht een eigen, individuele “maniera” om aan het werk mee te geven.
Beschrijf een van de schilderingen in de “Stanza della Segnatura” van Rafaël.
De “School van Athene” (muurschildering binnen een halfronde boog) geeft beeld van de vestibule van een basilica, in perspectief getekend, gevuld met bijna vijftig discussiërende of peinzende personen. De bovenhelft van het fresco, binnen de boog, geeft het gebouw weer met gewelven en met over de middenas van het schilderij doorkijken naar een achtergrond van blauwe lucht met witte wolkjes, alsof de bouw nog niet is voltooid. De benedenhelft geeft de vestibule weer, met over de hele breedt een benedenvloer, een marmeren opgang van vier treden en een bovenvloer. Op de bovenvloer staat van links naar rechts een brede rij van pratende personen, met als centrale personen (tegen achtergrond van blauwe lucht met wolkjes) de figuren van filosoof Plato, in rode mantel, en wetenschapper Aristoteles (in blauwe mantel). Zij schijnen met elkaar in discussie. Plato draagt in zijn linkerhand het boek “Timaeus”, Aristoteles het boek “Ethica”. De schildering is symmetrisch van opbouw. De rij mannen een Plato’s zijde moet filosofen voorstellen (o.a. Socrates die discussiepunten staat te tellen, Augustinus, Thomas van Aquino en ook een Pallas Athene), de rij aan de zijde van Aristoteles wetenschappers. Links op de voorgrond/benedenvloer bevindt zich een groepje dichters en filosofen in discussie, o.a. een zittende en schrijvende Pythagoras en een staande dichter Anacreon. Naast laatstgenoemde zit aan een “schrijftafel” de peinzende Heraclitus als het ware over de rand van het fresco naar beneden te staren (“panta rhei”). Rechts op de voorgrond bevindt zich een groepje wetenschappers in discussie, o.a. Euclides van “de gulden snede” (met passer) en Ptolemaeus met wereldbol. In een centrale positie p de treden van de marmeren opgang, voor de voeten van Aristoteles zit in leunende houding de oude denker Diogenes. Rafaël beeldde tijdgenoten af. Zo zou de Plato-figuur de trekken van DaVinci hebben, de Heraclitus-figuur die van Michelangelo en de Diogenes-figuur die van Brumante.
Wat zijn de verschillen tussen een Frans kasteel en een Italiaans palazzo?
Het Franse kasteel is meestal een vierkant bouwwerk. Vestingachtig met ronde hoektorens, vanwaaruit de schutters in de torens langs de muren overzicht en bereik hebben. De verblijven, stallen en voorraadruimtes zijn aan de binnenzijde van de muren om het kasteelplein heen gebouwd. De (spil)trappen tussen de verdiepingen zijn, aan het binnenplein, meestal uitpandig aangebracht. In principe dus ook goed afsluitbaar en verdedigbaar. Ter wille van het oog zijn de trappenhuizen vaak fraai versierd. Verdedigbaarheid is belangrijk, maar meestal is het vrede. De Franse kastelen hebben daarbij over het algemeen hoge daken met grote dakramen (“die van renaissancedecoraties worden voorzien”). Meestal zijn ze gebouwd buiten de steden of op een natuurlijke verhoging, wat de benaderbaarheid vermindert. Het Italiaanse palazzo is meestal in of vlakbij stadskernen gebouwd. Over het algemeen heeft het een gesloten onderbouw. Geen vestingmuren of slotgrachten, maar wel benedenruimtes die van buitenaf dicht en ontoegankelijk zijn. De bovenverdiepingen hebben ramen en niet ver uitstekende frontons (binnenbalkons). Bovenaan de buitenmuren is er een wel ver uitstekende (houten) kroonlijst. De daken zijn vlak, zeker niet hoog. Het palazzo heeft eerder binnentuinen voor ontspanning dan binnenpleinen voor stallen en werk.
Geef een beschrijving van het afgebeelde schilderij van Pieter Breughel, herkent u spelletjes? Waarop zou de “Parabel van de Blinde” slaan?
De Kinderspelen: De in de lesstof afgebeelde plaat geeft alleen de linkerhelft weer van het schilderij. De volledige afbeelding geeft een kijk in vogelperspectief op een brede weg door een stadje, die van linksonder naar rechtsboven loopt. Linksonder is de hoek van een gebouw zichtbaar, waarachter een grasveldje omgeven door een rood spijlenhek. Achter dit hek loopt een ander pad dat van links naar rechts de brede dorpsweg kruist. Aan de overkant van dit pad is links een riviertje met park en staat rechts daarvan tot aan het kruispunt een middeleeuws stadsgebouw. De donkere zijgevel van dit gebouw volgt de diagonale lijn langs de brede weg richting de rechterbovenhoek van het paneel, waar nog andere huizen en gebouwen zichtbaar zijn perspectivisch getekend. Rechtsonder is een grasveld met muurtje, zandhoop etc. gedeeltelijk te zien. Het meest opvallende is natuurlijk dat het binnen dit decor wemelt van spelende kinderen op vrijwel alle plekken van het paneel, een kleurige bendevan kleine figuurtjes. Meer dan 250. Ze zijn met elkaar in groepjes, met z’n tweeën of alleen met spelletjes of gymnastische oefeningen bezig. De attributen die ze gebruiken, zijn eenvoudig: een ton, hoepel, varkensblaas, botten, stukken hout, hek, boom. Of er zijn geen attributen: men staat op z’n hoofd, speelt haasjeover, jonast een vriendje, klimt op elkaars rug voor een ruiterspel, speelt blindemannetje. Herkent u spelletjes? Enkele zijn gemakkelijk te herkennen. Hoepelen, jonassen, haasjeover, samen rollen op een grote ton (wie er het eerst afglijdt is af), ruitergevecht, verstoppertje, bikkelen, blindemannetje, kopjeduikelen. Parabel van de Blinden (meervoud). Zes blinden op een rij die elkaar of elkaars geleidestok vasthouden, van links naar rechts op de schildering. De voorste is al gevallen en ligt ruggelings over een muurtje heen boven het water. Hij heeft zijn geleidestok nog vast, maar de man na hem is de greep op die stok al kwijt, grijpt naar de knie van eerste man. De Parabel suggereert dat je als blinde je niet door andere blinden moet laten leiden. Een waarschuwing aan de beschouwers om niet “ziende blind” door het leven te gaan..
Beschrijf de afgebeelde houtsnede van Dürer.
De Apocalyps-houtsnede (1498) geeft weer hoe “de mensen” worden overlopen door vier aanstormende ruiters te paard. Onderin het beeld verschrikte gevallen of vallende mensen, binnen het beeld een stuk of zes, maar voldoende expressief om de boodschap over te brengen. Bovenin het beeld sterk-belijnde wolkenformaties waarbinnen een zwevende engel die toekijkt op het gebeuren. De engel heeft een rijkgeplooide japon aan en hangt aan breed uitgespreide en krachtig getekende vleugels. Het middenstuk van de gravure wordt gevormd door drie van de jagers te paard. De vierde jager is naar verhouding iets kleiner afgebeeld, links beneden. Een bebaard figuur, vrijwel een geraamte, met een wapperend kleed om zijn rechterschouder. Hij berijdt een ezel die al net zo mager is als zijn baas. Hij is de “dood” en houdt in zijn handen een hooivork vast, met de vorkkant achter hem. Een beweging om met zwaai opnieuw toe te steken. De drie ruiters die in de gravure naast maar boven hem worden afgebeeld berijden forse paarden in draf. Middenin het beeld een forse ruiter die met zijn linkerhand het paard ment en in zijn rechter achter zich iets vasthoudt dat op een kruisboog lijkt (hij kan vanuit deze positie niet direct iets doen met dat ding). Links van hem galopperen zijn twee verdere maten op de rechterkant van de gravure af. De meest nabije houdt met zijn rechterarm een zwaard omhoog, klaar om te hakken. De verdere berijdt zijn paard loshandig. Hij heeft beide armen en handen nodig voor het spannen van pijl en boog. Met die activiteit is hij bezig. De twee ruiters rechts van het midden hebben beide baard en snor en op hun hoofd een puntmuts met kwast. De gravure is bedoeld als illustratie bij het verhaal over het einde der tijden, met de apocalyptische ruiters. Volgens de Openbaringen van Johannes (bijbel).