Van der Hoek
Documenten

Vroegste Fam

RUDOLPHI c.a.

Allervroegste voorouder tot dusver bekend: Rutgheer (Hollandse lijn), geboren ca 1260

De allervroegste voorvader wiens naam ik tot dusver uit bekend gemaakte bronnen heb kunnen achterhalen, heet Rutgheer (Rutger). In de kwartierstaat van mij en mijn broers en zusters te plaatsen onder nummer 6280704. Voorgeneratie 23. Edeloudgrootvader volgens de door genealogen gebruikte termen. Rutgheeer (Rutger) zal circa 1260 zijn geboren. In het grensgebied tussen Holland en Zeeland. Een belangrijk gebied omdat hier de handelsrivieren Rijn/Lek en Maas uitmonden. De graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht streden er om de zeggenschap en de inkomsten uit tolheffing. In de tijd van Rutgheer was Floris V graaf van Holland (vermoord in 1296) die de zeggenschap over de Rijn- & Maasmond voor de grafelijkheid belangrijk wist te vergroten.

Wat Rutgheer voor de graaf betekende, weten we niet. Hij was aan de graaf vermoedelijk niet bekend. De naam van Rutgheer kennen we uit een bewaard gebleven document uit 1337. Volgens dit document beleent Jan VAN DE WATERINGE, als ambachtsheer van Vlaardingen, 9 1/2 morgen land aldaar aan Dirck Rutgheers (Dirck Rutgersz) Ò:te versterven half op zijn oudste zoon Rutgaert en half op zijn andere zoon Heyn Guet.Ó

Wat de inhoud van deze belening met verstervingsconstructie precies mocht betekenen, kan verder worden onderzocht. Jan VAN DE WATERINGE was in die tijd, als bestuurder/bezitter van het ambacht (bepoldering) en het huis te Wateringen en andere goederen in Maasland, een regionale grootheid. Tien jaar later koos deze Jan in een ingewikkelde politieke hegemoniestrijd van (later genoemd) Hoeken versus Kabeljauwen de partij die een nieuw bewind wenste (Kabeljauwen). Hij behoorde tot de (Kabeljauwse) samenzweerders van mei 1350. Op 30 juli 1351 was Jan van de Wateringe medebezegelaar van het pact dat graaf Willem V met Hollandse steden sloot tegen de Hoekse partij. Jan van de Wateringe overleed het jaar erop (sneuvekde?), in 1352.

  1. Dirck Rutgersz (Dirck Rutgheers), geb ca 1290. Edelgrootvader, voorgeneratie 22. Vermeld in 1337. Dirck wordt in 1337 door heer Jan van de Wateringe, ambachtsheer van Vlaardingen, beleend met 9 1/2Ê morgen land aldaar, te versterven half op zijn oudste zoon Rutgaert en half op zijn andere zoon Heyn Guet. Uit huwelijk (naam echtgenote niet vermeld):
  2. (1) Rutger Dircks (Rutgheer Diddericsz). ZIE kw 1570176.
  3. (2) Heyn Guet, geb ca 1320.

  4. Rutgheer Diddericsz. Geb ca 1320. Wordt door de heer van Putten op 19-6-1357 beleend met een gors ter bedijking bij Pernis. Gehuwd met (naam echtgenote niet vermeld). Edelvader, voorgeneratie 21.

De belening van 19-6-1357 betreft een gors (bij eb droogvallend stuk land) ter bedijking zodat er een polder, Rughe Zand, ontstaat. Rutger Didderiks neemt, in combinatie met Jacob Jan van Moerdrcht, Scildman Pieterszn en Hughe Buest Maenkensz, deze opdracht aan. Dankzij de geslaagde bedijking ontstaat nieuw land en krijgen de bedijkers voorkeur bij landverpachtingen.

Uit het huwelijk: - (1) Heyn Rutgersz (de Oude), ovl voor 11-9-1413, verm kinderloos. Pacht 1377-1380 samen met Lauwe Claes Dielenz het riet van de Noertpolre met Poortugaal en 1379-1382 een derde deel van de staalvisserij in de Maas voor Oudenvliet. In 1379 pacht hij het tiendblok Molenhoec te Poortugaal en 8 lijn land aldaar, genaamd de Cleyne Hole, dat in die Roden ligt (Rhoon). Hij gebruikt dit land minstens over de periode 1382-1395.Ook pacht hij de vroonvisserij voor Vlaardingen. Op 17-7-1383 is hij te Utrecht om voor de Heer van Putten diens jaarlijkse betaling, 10 pond groot, te doen aan het kapittel van de Dom (rechten op de tienden). In 1383 pacht hij het gors Jans Wale en een vierde deel van de tienden van Poortugaal. Met zijn broer Beye Rutgersz pacht hij land bij het kasteel Valckensteyn. Hij heeft zijn hofstad op de droge dijkzate van Poortugaal, de dijk tussen Zwaardijk en Poortugaal. In 1386 beheert hij voor de Heer van Putten een deel van de moernering (turfwinning?) in Puttermoer. Over de periode 1385-1398 betaalt hij samen met Gillis van Heenvliet 3 pond 8sc 9 d groot voor bijna 40 gemet land in Zwaardijk. Hij is rentmeester van Putte ten oosten van de Maas in 1395. Op 11-9-1413 bezitten zijn erfgenamen land in Zwaardijk. - (2) Beye Rutgersz. ZIE kw 785088. - (3) Hughe Rutgersz. - (4) Pieter Rutgersz (die Onvervaerde). - (5) Trude Rutgersdr. Gehuwd met Jan Heynen. - (6) Lijsbert Rutgersdr. Gehuwd met Jacob Bollensz. - (7) Heyn Rutgersz (de Jonge). Op 28-3-1393 ontvangt Jonghe Heyn Rutgersz van de Heer van Putte erfelijk 6 gaarden land op de Oord van Cathendrecht en 4 hokelinge land op die van Ôs-Gravenambacht. Vanaf 1399 betaalt hij 1 kapoen jaarlijks voor een hofstad te Spijkenisse. In 1406 pacht hij de helft van de tiende van het Westblok en de helft van de bieraccijns. In 1416-1418 de helft van de Westtiende en in 1419 de helft van de Oosttiende.

Generatie 18 (edelouders, 131072-262143)

  1. Pouwel Aerntsz 171521

Ouders van Pouwels Pouwelsz. ZIE kw 85760. (aanname)

Pouwels Aerntsz bezat samen met Floris van Alkemade land bij Berkel zoals valt op te maken uit het Repertorium op de lenen van Capelle an de IJssel 1360-1370 (C.Hoek, Ons Voorgeslacht 1963): Nr. 41. 2 1Ú2 morgen land gelegen in 9 1Ú2 morgen in de zate, die van Geertruyt Pouwels [zijn moeder naar we aannemen] was, belend ten oosten: het godshuis van Berckel, ten westen: Floris van Alcmade en Pouwels Arentsz. 9 morgen land met een jaarlijkse rente van 8 1Ú2 schelling hollands, gemeen met het Sint Katerijnen altaar in de kerk te Ouderschie en met Jan van der Leck. Belend ten noorden: de Bokeldijcse kade vanaf Bilreshoel, ten oosten: Willem van Montforde, ten zuidwesten: de erfgenamen van Dirck Wrester (1497: -van Mr. Dirck Wrester).

Ê 196272. Doen Beijensz (Doedijn Beyensz, Doen Beijensz de Oude), geb ca 1390, ovl voor 11-9-1452 te Poortugaal, leenman van de Hofstad Putten, in 1429-1434 en in 1445 vermeld als leenmangetuige voor de heer van Putten. Gehuwd met 196273. Margriet Heijndricks, ovl 1446. Dochter van Heijndrick en Suetkin.

Er is geen melding dat of wanneer hij beleend werd met het leenland van zijn vader. Op 1-4-1429 wordt Doedijn Beijens na opdracht uit eigen beleend met 2 gemet land aan de Hofweg te Poortugaal, vervolgens treedt hij ook op als leenmangetuige voor de Heer van Putten. Dit wijst er op dat hij voor zijn vader in de plaats kwam. Op 21-9-1434 zegelt hij bepalingen inzake dijk- en waterschapsrechten en in 1436 wordt hij genoemd als medebedijker van het Oudeland van Strijen. In de nacht van 18 op 19 november 1421 had een grote storm met vloed (de Sint-Elizabethsvloed) voor grote overstromingen gezorgd. In de jaren daarna kwamen regelmatig ook hevige stormen voor en de toestand van de dijken voorzover die er nog lagen, was meestal slecht. Als gevolg van de burgeroorlog (Hoeken en Kabeljauwen) werd er lang te weinig gedaan, maar nadat op 12 april 1433 Jacoba van Beieren haar aanspraken opgeeft en Philips van Bourgondie Holland en Zeeland inlijft, wordt het politieke klimaat een tijdlang rustiger. De dijkverbetering krijgt direct meer aandacht en Doen Beijensz krijgt daarin rond Poortugaal een verantwoordelijke rol. Gaandeweg krijgt hij meer percelen tot zijn beschikking. Rond 1450 maakt hij testament en vestigt zijn memorie op 2 gemet land in de Versnellehoek (Nieuw-Rhoon), te versterven op zijn zoon Beye Doens. Hij overlijdt voor 11-9-1452 want op die datum wordt zoon Beije Doens (zie 32600) beleend met het leenland van zijn vader. Voor Margriet Heijndricks, overleden in 1446, was een memorie gevestigd op 4 lijn land achter de kerk van Poortugaal. Dit werd later deel van de Grote Memorielanden aldaar.

Uit het huwelijk: - (1) Beijen Doens. ZIE 98136. - (2) Aechte Doen Beyenzoonsdochter. Verm ongehuwd gebleven. Sticht memorie, verzekerd op 2 gemet land in Oedenvliet (= Hoogvliet), genaamd Vranckenland, te versterven op haar zuster Ariaen Doen Beyenzoonsdochter, gehuwd met Dirck Westgeest, burgemeester te Rotterdam, en vervolgens op de oudste en naaste nakomelingen van haar vader. Deze bepalingen moeten in jaren voor 1-7-1461 zijn neergeschreven omdat haar zus en de man van haar zus op die datum beide al overleden zijn. (Westgeest = Oegstgeest?) - (3) Ariaentge Doen Beyenszoondochter, ovl voor 1-7-1461, de datum waarop haar broer Beijen wordt aangesteld als voogd over de kinderen van haar en haar ook overleden man Dirck van Oegstgeest, in leven burgemeester van Rotterdam geweest. (Oegstgeest = Westgeest?) Het echtpaar laat o.a. 48 gemet land te Poortugaal na. Ariaentge had haar memorie bepaald op 2 gemet land aan de Moelenweg (Molenweg) te Poortugaal, te versterven op haar jongste kind. Door de weeskamer van Rotterdam worden op 24-4-1475 de laatste rentebrieven en juwelen aan haar kinderen overhandigd. - (4) Huych Doensz, kinderloos overleden. Memorie gevestigd op 2 gemet land, genaamd Huych Blixsland, te versterven op Beye Doensz en vervolgens op de oudste en naaste van Doen Beyensz.

In Friesland:

  1. Fedde MERNSTRA (HAERDA) ), geb ca 1400, woonde te Pietersbierum (zusterdorp van Sexbierum, grietenij Barradeel, aan de NW-Waddenkust boven Harlingen), trouwt met
  2. Catharina

Ouders van: Luts Feddes Mernstra (Haerda) (kw 104703) en wellicht ook van Lolle MERNSTERA die vanaf 1463 grietman was van Barradeel.

Edelvader Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. Het is nog even onduidelijk vanaf wanneer en of dit al Fedde betrof. De HAERDA (Haarda, Handa) state bevond zich bij Oosterbierum (Barradeel) en kan via huwelijk binnen de familie zijn gekomen. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij een zoon of kleinzoon van Fedde.

De oudere naam MERNSTRA kan te maken hebben met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. De inpolderingen zorgden voor nieuw landbouwgebied waarop diverse stinsen ontstonden. Naar de HAERDA-stins Ònam het geslacht MARNSTRA of MERNSTRA in later tijd de naam van HAARDA aanÓ.

Notities: - De naam MERNSTRA komt na 1500 nauwelijks meer voor, de naam HAARDA overweegt. Soms nog gekoppeld aan de eertijdse naam. - Piso HAARDA was een van de ondertekenaars van het Verbond der Edelen uit 1566 dat zich keerde tegen de inquisitie en de plakkaten van het ÒSpaanse bewindÓ en dat mede aanleiding was tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

Voor nog vroeger enkel info bekend uit de Hollandse voortakken

GENERATIE 19 (edelgrootouders, 262144-524289)

  1. Aernt Hughensz, geb ca 1320. Te Schieveen wordt de Aernt Hughenzoonssate vermeld. Vermoedelijk gehuwd met
  2. Geertruijt Pouwelsdr Geertruit trouwt (2) Hughe die Grote (informatie incompleet).

Uit het huwelijk (indien aanname juist): - (1) Hughe Aerntsz - (2) Pouwel Aerntsz. ZIE kw 171520.

Willem Hughensz (VAN DEN WOUDE), de oudere broer van Aernt, wordt op 27-4-1354 door graaf Willem V beleend met twaalf morgen land in de Riederwaard, Òhet Slutersland, in het ambacht RiedenÓ. De Riederwaard werd onder graaf Dirk III van Holland rond 1030 ontgonnen en gekoloniseerd, tot grote woede van de Utrechtse bisschop. De waard lag tussen de uitmondingen van IJssel (later Hollandsche IJssel genoemd), Waal en Maas die voor Utrecht als vaarwegen naar de zee van groot belang waren. Dirk III en zijn opvolgers wisten de veldslagen die volgden uiteindelijk te winnen en het gebied van de Hollandse graven in zuidelijke richting uit te breiden. Te IJsselmonde, vlakbij en in bisschoppelijke handen, werd in opdracht van de bisschop een versterking (kasteel) gebouwd om, naast gesloten vredesverdragen, de handelsvaart van en naar Utrecht te beschermen. Drie eeuwen later is de gespannen situatie nog niet voorbij. De spanning wordt dan zelfs groter doordat het Hollandse gravenhuis, nageslacht van Dirk III, in mannelijke lijn uitsterft. In 1296 wordt graaf Floris V, Òder keerlen godÓ, door tegen hem samenspannende Hollandse edelen gevangen genomen en in paniek vermoord (omdat ze bij hun vertrek met hem uit het Muiderslot waar ze de graaf aanvankelijk gevangen hielden stuitten op toegestroomde aanhangers van de graaf) en de situatie niet aan konden. Edelgrootvader Aernt Hughensz (ca 1320-1360) bleef in de Schieveenster polder. Zijn oudere broer Willem Hughensz VAN DER WOUDE (ca 1315-1372?) kreeg lenen in de Riederwaard, van de graaf van Holland en ook de heren van Bloys die aan de Hollandse gravenfamilie verbonden waren.

"Op 11 november 1357 tocht hij (Willem Hughensz Ð JW) zijn vrouw Mabelie Woutersdochter uten Houte aan 40 lb per jaar, verzekerd op zijn goed in de Riederwaard, genaamd ten Woude, dat hij in leen houdt van de heren van Bloys.Ó (Hoek 1970)

Overblijfselen van het Huis te Woude, een omgracht, rechthoekig kasteel bij Ridderkerk in de Riederwaardpolder, werden in 1968 aangetroffen in een dikke laag van klei en overslibsel die sinds de 15de eeuw moet zijn ontstaan. De bouw is daarna gedeeltelijk gereconstrueerd.

ÒHet kasteel heeft zijn naam te danken aan het adellijk geslacht Van den Woude, dat al in 1281 wordt vermeld en uit Delfland afkomstig was. Dit geslacht hield de grond rondom het kasteel in leen van de graaf van Holland en ook gedeeltelijk van de heren van Bloys. De bouw van het kasteel begon in 1372 in opdracht van Willem van den Woude. Al in 1373 werd de bouw gestaakt omdat de omgeving van het kasteel tijdens de Valentijnsvloed onder water was komen te staan. Hoewel het reeds tot stand gekomen muurwerk de vloed had weerstaan, werd het kasteel waarschijnlijk verlaten.Ó (Bron)

Is met de bouw van het Huis te Woude (kasteel Ten Woude) in 1372 begonnen, zoals in literatuur gemeld? In opdracht van Willem van der Woude? Genoemde Willem kreeg de lenen in de Riederwaard in 1354 en had daar bijna 20 jaar wellicht goede verdiensten aan. Maar in de koude en natte winter van 1371/1372 omstreeks St.Pietersdag., 22-2-1372, komt er zoveel water via de Rijn en andere rivieren naar beneden dat ook de dijk rond de Riederwaard (Ryerweerdt) het begeeft. De polder wordt overstroomd en mensen verdrinken. Mogelijk ook Willem VAN DER WOUDE.

In de koude en natte winter 1371/72 breekt de dijk rond de Riederwaard (Ryerweerdt), omstreeks St.Pietersdag, 22-2-1372. Mogelijk is Willem bij deze ramp omgekomen want zijn zoon Hughe krijgt het jaar erop de lenen. ÒZijn zoon Hughe van den Woude Willemsz. wordt 25 januari 1373 door de heer van Bloys beleend met het leen van zijn vader en op 25 april van dat zelfde jaar met de twaalf morgen land door de graaf.Ó (Hoek 1970). De nood is hoog want rond 2-2-1373 gaat de Riederwaard opnieuw onder water. Huug moet veel aan dijkherstel doen. De volgende winter, 1373/74, begint met veel regen en daarna zware sneeuwval in de brongebieden van de Rijn. Een watersnood op grote schaal en met veel slachtoffers volgt langs alle benedenlopen. Uiteraard treft deze ook de nauwelijks herstelde Riederwaard. Strenge vorst in januari en februari 1374 houdt het water zes weken in bedwang, maar daarna komt de dooi en volgt een erg nat en miserabel jaar, ÒbekroondÓ door een stormvloed op 9-10-1374 die in Zeeland en Zuid-Holland veel gebied verloren doet gaan. De wintermaanden hierna zijn nat en pas laat rond maart is er een korte periode van strenge vorst. Daarna het oude verhaal van te hoge waterstanden langs de benedenloop van de rivieren. De zomer (van 1375) is eindelijk warm en uitzonderlijk zonnig en droog, al vanaf begin mei (Buisman 2, pg 254). De Riederwaard, maar deze niet alleen, heeft circa een jaar vrijwel geheel onder water gestaan. Hughe zal de bijzonder droge zomerperiode als een godsgeschenk hebben ervaren. Er kon weer geoogst en geweid worden en gewerkt aan verder dijkherstel. Een zomer van bidden, werken en hopen. Alle inspanningen en voortgang gaan weer te niet, als op 8-10-1375 vanuit zee een stormvloed op de Hollandse en Zeeuwse kusten een nog grotere ravage aanricht als die van een jaar eerder. Een kort bericht: Ò De Riederwaard, waar men nog met herstel bezig is, gaat bij deze vloed met de nederzettingen Ridderkerk, Pendrecht, Donkersloot en Rhoon verlorenÓ (Buisman, deel 2, pg 265). Pas rond 25 jaar later (rond 1404) wordt de Riederwaard opnieuw afdoende omdijkt en bepolderd, in gedeelten.

Willem van den Woude werd opgevolgd door zijn zoon Hughe van den Woude Willemsz. Omdat deze in 1398 kinderloos overleed, kwam het kasteel aan een neefje van Hughe: Willem van Mijnden. Herstel

In 1404 werd de Riederwaard - waar het kasteel stond - voor een deel opnieuw bedijkt. Hierdoor kon in 1418 de schade aan het kasteel worden hersteld. Daarnaast werden de muren verder opgetrokken.

Het kasteel had een grondplan van 15 bij 20 meter. De oostelijke helft bestond uit een woontoren met ŽŽn verdieping (zie reconstructie hiernaast). De westelijke helft bestond slechts uit de begane grond.

De begane grond, waarvan de muren voorzien waren van lichtsleuven en schietgaten, vervulde de functie van kelder. Op de eerste verdieping van de toren was waarschijnlijk een zaal gevestigd. Het lag in de bedoeling om meer verdiepingen te bouwen, maar zo ver kwam het niet...

De ondergang

Door het geweld van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (midden 14de eeuw-eind 15de eeuw) heeft het kasteel niet lang kunnen staan: in 1418 - het jaar dat het kasteel hersteld werd - kwamen de Hoeken de muren van het kasteel omvertrekken om te voorkomen dat de Kabeljauwen het als steunpunt konden gebruiken.

Spoedig daarna, tijdens de Sint-Elisabethsvloed in 1421, verdween de ru•ne onder een dikke laag klei. Het zou pas ruim vijf eeuwen later terug worden gevonden.

Edelgrootvader Aernt Hughensz werd niet beleend met percelen in de Riederwaard en schijnt in de Schieveenster polder benoorden Rotterdam te zijn gebleven. Dat gebied raakte in de rampjaren 1372/75 ook overstroomd, maar niet zo definitief als de Riederwaard bezuiden de Maas. Het is nog onduidelijk of Aernt, geboren ca 1320 (?), die overstromingen meemaakte. De bijpassende edelgrootmoeder Geertruit Pouwelsdr met Aernt gehuwd en moeder van edelvader Pouwel Aerntsz, trouwde als weduwe van Aernt met Hugh die Grote. Onbekend is of dit voor of na 1370 was.

Onze voorvader Pouwel Aerntsz leeft in de Schieveenster polder (Berkel-Rodenrijs). Zijn neef Hughe Willemsz VAN DER WOUDE kreeg na het het volledige verloren gaan van de Riederwaard in 1375 nieuwe lenen in de buurt van de Schieveenster polder, namelijk in de Vrijenban ten oosten van Delft. Neef Hughe staat goed aangeschreven bij de graaf van Blois en de graaf van Holland. Heeft hij daar de nieuwe lenen in de Vrijenban aan te danken? Ò Op 26 november 1388 geeft hij aan een van zijn leenmannen zes morgen land in de Vrijenban ten oosten van Delft ten vrij eigen.Ó (Hoek, 1970) Het is een melding die nog getoetst moet worden. Hughe Willemsz van der Woude is omstreeks 1398 overleden, kinderloos. In het leen van Blois wordt hij opgevolgd door Willem van Minden. Deze blijkt niet de enige erfgenaam te zijn want op 6 april 1399 laat Willem van Brakel zich met de helft van het goed belenen. Er schijnt een regeling onderling te zijn getroffen Op 30 december 1399 draagt Willem van Minden het gehele complex, zijnde de hofstad van den Woude met vier weren land tussen Ridderkerk en Slikkerveer, aan de leenheer op om de helft ervan weer in leen te ontvangen, waarmee de zaak officieel van de baan is. Het complex bestaat dus uit de hofstad en vier weren land, groot 52 morgen, wat blijkt op 2 april 1443, wanneer jonkvrouwe Beatrijs van Minden, weduwe van Willem van Zuylen van Nijevelt haar helft verkoopt. Wij krijgen sterk de indruk dat Willem van Minden en Willem van Brakel de zoons zijn van twee zusters van Hughe van den Woude, die beiden hun voornaam Willem aan diens vader ontleendenÓ. (Hoek 1970).

Aan de Ringdijk tussen Slikkerveer en Ridderkerk zijn rond 1980 de restanten van het (kasteel) Huis ter Woude opgegraven en blootgelegd. Je kunt die bekijken (ook via internet). Onder van Minden werd begonnnen de hofstad (kasteel) weer opnieuw op te richten. In de oorlog tussen Hoeken en Kabeljauwen werd de nieuwbouw weer verwoest en door de grote overstroming van 1421 (Sint-Elizabeth vloed) vervolgens geheel onbruikbaar gemaakt. De restanten van het ÒkasteelÓ ter Woude worden meer dan 500 jaar later weer blootgelegd.

  1. Beijen Beijensz, geb ca 1375, ovl voor 8-6-1408, leenman van de Heer van Putten (Zweder van Abcoude), pacht een boerderij op de droge dijk tussen Poortugaal en de Eyffel (= IJssel), Gehuwd met
  2. Lijsbeth

Beyen Beyensz pacht in ieder geval tijdens de periode 1395-1398 een hofstad (boerderij) op de droge dijk, waarvoor hij drie kapoenen betaalt (of was dit voor de weg naar de hofstad?). Vermoedelijk heeft hij dat over de periode van zijn (relatief korte) leven gedaan. In een akte van 8-6-1408 is sprake van land in gebruik door de kinderen van Beyen Beyensz. Het gaat om land te of onder Pernis, benoorden Poortugaal. Dirck Beyensz wordt in genoemde akte genoemd, jongere broer van Beyen en oom van diens kinderen, vanwege aanpalend perceel, door hem bij deze akte verkocht. Dirck heeft ook 12 gemet land te Poortugaal, gemeen met dezelfde kinderen, geerfd van zijn ouders en zijn broer Willem Beyensz. Dit land lag ten westen van de weg bij de Cleyne Hole, dat als ÒerftijnslandÓ al in vorige generaties bij de familie kwam.. De Cleyne Hole bleef als naam verbonden aan het sluisje, dat nog in het begin van de 20ste eeuw lag in de dijkzate tussen Poortugaal en de Eyffel waar de Puttenpoelse weg tegen deze eindigt

Uit het huwelijk: - (1) Doen Beyens. ZIE 196272. - (2) Beije Beyens. Op 28-3-1429 vermeld als eigenaar van een perceel land te Poortugaal waarin 2 gemet ligt leenroerig aan de Heer van Putten. Samen met moeder Lijsbeth sticht hij een memorie in de kerk van Poortugaal, verzekerd op 2 gemet land in VerNellenhouck. ÒDit blokje land ligt tussen de Puttenpoelse weg en de Jachtdijk ten noorden van de Varleweg en ten zuiden van de watering de Lange Fluit, die dit land scheidt van het blokje, waarin het land de Cleyne Hole ligt.Ó

GENERATIE 20 (edelovergrootouders, 524290-1048581)

  1. Hughe VAN DEN WOUDE (de Jonge), geb ca 1285, ovl ca 1347. Gegoed in Rijswijk en Sint Maartensrecht in Delfland. In 1346 behoorde hij tot de raadsleden van keizerin Margareta. Vermoedelijk gehuwd met
  2. (nn) Arentsdr VAN DUVENVOORDE

C. Hoek (1970). Oudheidkundig bodemonderzoek te Rotterdam en omgeving. Rotterdams Jaarboekje, p. 105: "Deze Hughe van den Woude geeft op 7 juni 1326 13 morgen land te Ruiven, die hij zelf in leen houdt van de Abdij van Egmond, in leen aan Isebrant Naghel, aan wie hij dit leen op 19 november van het zelfde jaar ten vrij eigen geeft. Hij bezegelt de akte met een wapen bestaande uit drie vijfbladige rozen 2-1 geplaatst. Op 9 november 1330 is hij borg voor heer Jacob van Moirdrecht en op 5 november 1337 legt hij een verklaring af over visrechten in de Dubbel, waarbij hij getuigt over een opmerking door Daniel van der Merwede in 1299 of 1300 tegen hem gemaakt, waarbij hij met hetzelfde wapen zegelt Dit laatste maakt het wel zeer plausibel dat hij de zoon van de oudere Hughe is, in deze tijd onderscheidt men eerder vader en zoon door de toevoeging van Oude en Jonge, dan grootvader en kleinzoon."

Dr.H.M.Brokken (1982). Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten, pg 572: Ò WOUDE, Hugo van den Ð knaap; zoon van Hugo van den Woude. (..) In 1346 behoorde hij tot de raadsleden van keizerin Margareta en op 4 februari 1347 was hij aanwezig bij de auditie van de rekening van de klerk Ysebout van Asperen. Vermoedelijk is hij dezelfde als de baljuw van Zierikzee, die in juni 1347 tezamen met schepenen van Zierikzee door Arnoud van Haamstede, heer van Moermond, te Haamstede werden aangevallen.Ó

Uit het huwelijk: - (1) Willem Hughensz. Zie bij 343040. - (2) Aernt Hughensz. ZIE k w 343040.

Hughe VAN DEN WOUDE wordt als raadslid van keizerin Margaretha gemeld in 1346 en 1347 en als baljuw van Zierikzee in 1347. Hij is dan ca 60j oud. In het jaar ervoor, op 28 september 1345 (ÒSlag bij WarnsÓ), sneuvelde graaf Willem IV samen met tientallen Hollandse ridders en knapen, bij een slecht voorbereide aanval rond de Friese hvenstad Stavoren. De graaf was 27 en had geen zonen of broers in leven. De jonge gravin-weduwe Johanna van Brabant gaf haar mogelijke aanspraken op (Willem IV liet immense schulden na) en trok zich terug in het Brabantse. Als eventuele erfgenamen golden nu de vier zussen van Willem: Margaretha, gehuwd met Lodewijk IV van Beieren, keizer van het Duitse rijk; Philippa, gehuwd met koning Edward III van Engeland; Johanna, gehuwd met graaf Willem van Gulik; Isabella, nog ongehuwd. Terwijl de koning van Engeland uit naam van zijn vrouw claims ging legggen op de Zeeuwse havenstad Zierikzee en heel Zeeland, besloot de keizer van Duitsland ten gunste van zijn vrouw dat de Henegouwse, Hollandse en Zeeuwse gebieden zwaardlenen van de Duitse keizer waren en dus onder zijn beschikking terugvielen. Echtgenote Margaretha werd vervolgens met de gebieden beleend, hun zoon Willem van Beieren tot stadhouder benoemd. In die (omstreden) constructie komt voorvader Hughe VAN DEN WOUDE als een van de raadsleden van keizerin Margaretha en als baljuw van Zierikzee voor. De baljuw had de hoogste politieke en rechterlijke functie binnen een bepaald gebied en werd meestal aangesteld op afstand van de regio waar hij zijn goederen en gezag had (dit om te grote machtsvorming te voorkomen). Dat Hugo baljuw van Zierikzee werd is om die reden niet vreemd. Hij is maar kort baljuw van Zierikzee gebleven.

In september 1346 vertrekt keizerin Margaretha naar Duitsland en laat haar jonge zoon Willem van Beieren, onder de hoede van oom Jan van Henegouwen, als stadhouder (en ÒverbeiderÓ) in het gebied achter. Begin februari 1347 wordt een beleidsvergadering te Geertruidenberg gehouden met de edelen en steden van Holland en Zeeland (Zierikzee is niet aanwezig). Een van de besluiten is dat Zierikzee moet boeten Òvoor de jegens de landsheerlijkheid begane breukenÓ. Direct na de bijeenkomst te Geertruidenberg varen Willem van Beieren en Jan van Henegouwen met gevolg (o.a. de Zeeuwse raadsleden Wolfert III van Borselen, heer van Veere, en Arnoud van Haamstede, heer van Moermond) naar Zeeland. Willem vestigt zijn gezag te Middelburg en trekt van daaruit naar het eiland Schouwen (met havenstad Zierikzee) via Haamstede. Op 16 april 1347 komt hij te Haamstede met een delegatie van het stadsbestuur van Zierikzee overeen Òin de stad te zullen komen om de rust te herstellen en vrede te sluitenÓ. Op 19 april 1347 arriveert hij in Zierikzee en hij blijft daar tot 6 mei 1347. De privileges van de stad worden bevestigd, maar vastgelegd wordt ook dat de jaarlijks nieuw gekozenen schepenen door de landsheer zullen worden benoemd. De in Geertruidenberg opgelegde boete van 2400 gulden (gouden schilden) wordt door de stad tijdens 1347 betaald. Een onder het bewind van graaf Willem IV gegroeide onevenredige belasting wordt teruggedraaid. Een voor Zierikzee gunstiger regeling betreffende de import van Engels laken wordt geaccordeerd.

Vermoedelijk is Hughe VAN DEN WOUDE als raadslid met Willem van Beieren meegereisd naar Zeeland en Zierikzee en is hij daar door de stadhouder tot baljuw benoemd om toe te zien op het herstellen van de rust en op het nakomen van de afspraken. Willem is nog nauwelijks vertrokken of de pas benoemde baljuw krijgt met Arnoud VAN HAAMSTEDE, heer van Moermond (bij Renesse), te maken. Deze Arnoud was in het gevolg van de stadhouder naar Zeeland teruggekeerd, maar schijnt het niet eens te zijn geweest met diens beleid en benoemingen. Hij kiest de partij van Zierikzeese handelaren. Baljuw Hughe VAN DEN WOUDE en nieuwbenoemde schepenen van Zierikzee trekken in delegatie naar Haamstede om tot een overeenkomst te komen. Op 2 juni 1347 wordt die delegatie daar overvallen en gevangen genomen. Die gevangenhouding duurde ruim 5 weken, tot 19 juli Gedurende die weken werd de opstandige Arnoud uit de grafelijke raad verwijderd en verloor hij de steun van zijn Zierikzeese medestanders. Er is geen duidelijk verslag van de actie die tegen Haamstede werd ondernomen, maar zeker is wel dat Arnoud in juli 1347 de dood vond. De door hem gevangen genomen baljuw Hughe VAN DEN WOUDE is misschien op zijn bevel vermoord of sneuvelde tijdens de bevrijdingsactie. Zeker is dat Hughe daarna niet meer als in leven wordt genoemd.

De Zeeuwse familie VAN BORSELEN stond aan de kant van de graaf en bleef lange tijd bepalend in deze regio, versus de VAN HAAMSTEDE-familie. Dat ÒonzeÓ VAN DEN WOUDE-voorfamilie bij de Zeeuwse zaken betrokken raakte, lag alleen aan het korte baljuwschap dat edelovergrootvader Hughe binnen de politieke verwikkelingen van 1347 over Zierikzee kreeg toegewezen (met gevangenschap en dood als gevolg). Hij was toen circa 60 jaar oud. Zijn persoonlijke belangen en die van zijn nakomelingen lagen niet in Zeeland en bleven aanwezig in de boerenpolders rondom Rotterdam. Zijn zonen Willem en Arend (kw 343040) komen we daar verder tegen.

  1. Beye Rutgersz (Rutghersz), geb ca 1350, ovl voor 1408 te Oedenvliet (= Hoogvliet). Vermeld als pachter van landen bij Poortugaal en Pernis (1378-1393), de Heer van Putten als pachtbaas, en als landeigenaar te Oedenvliet op 8-7-1400. Gehuwd met
  2. Naam niet bewaard in akten (deze voormoeder ook overleden voor 1408).

In 1378 en 1379 pacht Beye Rutghersz 8 lijn land te Poortugaal 5sc 6d. Tijdens de navolgende 20 jaar of langer blijft hij dit doen (voor 4sc per jaar). In 1379 pacht hij de bieraccijns te Poortugaal (13sc 9d) en samen met Heyn Bet en Arnt Dircxz nog 6 gemet land (11sc 3d). In jaren erna pacht hij ook percelen in buitenlanden (Oostbroeck, Backersoord) bij Pernis, meer in Poortugaal en in 1394 ca 6 gemet land te Spijkenisse. Edelovergrootvader Beye wordt niet echt oud, maar is tijdens zijn leven als boer (pachter, eigenaar) en bieraccijnspachter bezuiden de Maas bij Rotterdam rond 1400 al wel een kleine kapitalist of middenstander. Bij zijn overlijden hebben de zes nagelaten kinderen daar enig profijt van.

Uit het huwelijk: - (1) Rutgert Beijensz. Als oudste zoon neemt Rutgert de voornaamste verantwoordelijkheden van zijn vader over. In die hoedanigheid staat hij in 1409 al borg te Spijkenisse voor Jacob Ollaerts die een deel van de tienden (belastinginning) aldaar pacht, voor Jan Soete Pietersz voor een deel van de tienden van Brabant en voor Heyn Wittenz voor een vierde deel betreffende de pacht van het veer tussen Spijkenisse en Oedenvliet (= Hoogvliet). De borgstellingen hebben het karakter van leningen en leveren hem rente. Rutgert bezit land te Vernellehoek in Poortugaal, pacht 1418-1420 het buitenland voor Klein-Hekelinge, in 1425 de Tiende van Brabant en in 1426 en 1427 tiendblokken te Spijkenisse. - (2) Beije Bijensz. ZIE kw 392544. - (3) Hughe Beijensz. - (4) Willem Bijensz. Gehuwd met Lijsbeth. Genoemd bij 392544. - (5) Itswy Beijnensdr. Een dochter. Gehuwd met Wouter Gerrits. - (6) Dirk Beijensz. Genoemd bij 392544.

GENERATIE 21 (edelbetovergrootouders, 1048582-2097165)

  1. Hughe van den Woude (de Oude), geb ca 1250 1372161.

Ouders van Hughe van den Woude de Jonge. ZIE kw 686080.

Hughe van den Woude de Oude bewoont het huis te Woude bij Slikkerveer. De opgraving van restanten van dit huis is door C. Hoek o.a. beschreven in het Rotterdams Jaarboekje 1970, vergezeld van een plattegrond van het huis eind 14e eeuw, en van een foto van nieuw metselwerk van de herbouw juist voor de overstroming van de Riederwaard in 1373 (de waard is dan definitief verloren).

"Het geslacht Van den Woude is afkomstig uit Delfland; de oudste vertegenwoordiger hier is Hughe van den Woude, die in 1281 van de graaf 10 morgen land op Ockenberghe in Rijswijk in leen houdt , op 17 september 1287 poorter te Delft is geworden, op 13 mei 1294 van Jan van den Dorpe 51 morgen land in Sint Maartensrecht ten zuiden van Delft in erfpacht neemt. Hij is begraven in de Oude kerk aldaar, blijkens een in 1367 gemaakt afschrift van een omstreeks 1310 aangelegd grafboek van deze kerk, in de middenbeuk op de negende rij graven vanaf het hoogaltaar, onder een blauwe zerk. De kerkmeesters duiden hem aan als Oude Hughen van de Woude, waaruit blijkt dat er in deze tijd een ander lid van de familie leeft, die dezelfde naam draagt." Uit Hoek 1970.

"De naam Woude, die het complex in 1357 al draagt, lijkt ontleend te zijn aan die van het geslacht, dat zijn bakermat in Delfland heeft. Nu blijkt dat reeds in 1326 anderen land van deze Van den Woude's in leen houden, wat impliceert dat dit geslacht reeds dan over een hofstad met huis moet beschikken, waaraan deze achterlenen leenroerig zijn en gezien de geslachtsnaam doet dit denken aan een oudere hofstad van den Woude in Delfland gelegen. Een dergelijke hofstad wordt 7 augustus 1430 genoemd. Jonkvrouwe Meyne van Heemskerck, gehuwd met Gijsbert van Vianen krijgt dan het recht om de hofstad ter Woude, met de er op staande timmering en het bijbehorende land te Naaldwijk, die haar vader heer Gerrit van Heemskerck aan de heer van IJsselsteyn leenroerig had gemaakt, voortaan te verzoeken aan de heer van Egmond. Hierna komen geen verdere gegevens voor in de registers van Egmond en in 1602 laat de leengriffier van Naaldwijk een onderzoek instellen. Het leen blijkt eigendom te zijn van de weduwe van Jan de Bij, gehuwd met Wolphairt in den Hage, en staat dan bekend als de hofstad ter Woirdt. Dit is het huis de Hoge Woerd, het omliggende land en de hofstad de Lage Woerd zijn in de 14e eeuw door het geslacht Van Heemskerck ge‘rfd van het geslacht Van der Woerd. Mogelijk is dit huis te Woude in Naaldwijk een oude smaldeling van het goed de Woerd en is deze weer hiermede verenigd na de dood van Hughe van den Woude, kort voor 1400." Uit Hoek 1970.

  1. Rutgheer Diddericsz. Geb ca 1320. Wordt door de heer van Putten op 19-6-1357 beleend met een gors ter bedijking bij Pernis. Gehuwd met 1570177.

De belening van 19-6-1357 betreft een gors (bij eb droogvallend stuk land) ter bedijking zodat er een polder, Rughe Zand, ontstaat. Rutger Didderiks neemt, in combinatie met Jacob Jan van Moerdrcht, Scildman Pieterszn en Hughe Buest Maenkensz, deze opdracht aan. Dankzij de geslaagde bedijking ontstaat nieuw land en krijgen de bedijkers voorkeur bij landverpachtingen.

Uit het huwelijk: - (1) Heyn Rutgersz (de Oude), ovl voor 11-9-1413, verm kinderloos. Pacht 1377-1380 samen met Lauwe Claes Dielenz het riet van de Noertpolre met Poortugaal en 1379-1382 een derde deel van de staalvisserij in de Maas voor Oudenvliet. In 1379 pacht hij het tiendblok Molenhoec te Poortugaal en 8 lijn land aldaar, genaamd de Cleyne Hole, dat in die Roden ligt (Rhoon). Hij gebruikt dit land minstens over de periode 1382-1395.Ook pacht hij de vroonvisserij voor Vlaardingen. Op 17-7-1383 is hij te Utrecht om voor de Heer van Putten diens jaarlijkse betaling, 10 pond groot, te doen aan het kapittel van de Dom (rechten op de tienden). In 1383 pacht hij het gors Jans Wale en een vierde deel van de tienden van Poortugaal. Met zijn broer Beye Rutgersz pacht hij land bij het kasteel Valckensteyn. Hij heeft zijn hofstad op de droge dijkzate van Poortugaal, de dijk tussen Zwaardijk en Poortugaal. In 1386 beheert hij voor de Heer van Putten een deel van de moernering (turfwinning?) in Puttermoer. Over de periode 1385-1398 betaalt hij samen met Gillis van Heenvliet 3 pond 8sc 9 d groot voor bijna 40 gemet land in Zwaardijk. Hij is rentmeester van Putte ten oosten van de Maas in 1395. Op 11-9-1413 bezitten zijn erfgenamen land in Zwaardijk. - (2) Beye Rutgersz. ZIE kw 785088. - (3) Hughe Rutgersz. - (4) Pieter Rutgersz (die Onvervaerde). - (5) Trude Rutgersdr. Gehuwd met Jan Heynen. - (6) Lijsbert Rutgersdr. Gehuwd met Jacob Bollensz. - (7) Heyn Rutgersz (de Jonge). Op 28-3-1393 ontvangt Jonghe Heyn Rutgersz van de Heer van Putte erfelijk 6 gaarden land op de Oord van Cathendrecht en 4 hokelinge land op die van Ôs-Gravenambacht. Vanaf 1399 betaalt hij 1 kapoen jaarlijks voor een hofstad te Spijkenisse. In 1406 pacht hij de helft van de tiende van het Westblok en de helft van de bieraccijns. In 1416-1418 de helft van de Westtiende en in 1419 de helft van de Oosttiende.

GENERATIE 22 (edeloudouders, 2097166-4194333)

  1. Dirck Rutgersz (Dirck Rutgheer), geb ca 1290. Vermeld in 1337.
  2. .

Dirck wordt in 1337 door heer Jan van de Wateringe, ambachtsheer van Vlaardingen, beleend met 9 1/2Ê morgen land aldaar, te versterven half op zijn oudste zoon Rutgaert en half op zijn andere zoon Heyn Guet.

Uit het huwelijk: - (1) Rutger Dircks (Rutgheer Diddericsz). ZIE kw 1570176. - (2) Heyn Guet, geb ca 1320.


Afgesloten: 2006

AANTALLEN VOOROUDERS

Ieder mens heeft 2 (natuurlijke) ouders, 4 grootouders, 8 overgrootouders, 16 betovergrootouders enzovoort. Rekenkundig. Soms komt het voor dat het nieuwe ouderpaar bestaat uit een (verre) achterneef en een (verre) achternicht. Een aantal generaties terug in de kwartierstaat verschijnen dan voor een deel dezelfde voorouders (140=66 bijvoorbeeld of 222=194). In plaats van 16 betovergrootouders (rekenkundig, theoretisch) hebben ze er 14 . Hoe verder je terug gaat in de tijd, des te vaker zal het voorkomen dat dezelfde voorouders op verschillende plaatsen in de kwartierstaat tweemaal of vaker verschijnen. Volgens het theoretische model heeft men in de 18de voorgeneratie (edelouders) 131.072 personen als edelvader dan wel edelmoeder. Maar over het algemeen zijn het er niet zoveel verschillende geweest. Wie 1 paar betovergrootouders deelt, heeft vanaf die betovergrootouders terug een kwartierstaat met ŽŽn-achtste deel overlapping (resultaat: 115.656 edelouders). Vaker zijn er meer overlappingen onderweg naar vroeger en is het aantal verschillende voorouders behoorlijk kleiner dan in het theoretische, rekenkundige, model gesuggereerd. Dit model geeft enkel aan hoeveel cellen moeten worden ingevuld, ook al is het met xxxx = xxxxx, om een volledige kwartierstaat te krijgen.

Theoretisch aantal cellen in kwartierstaatPer generatieSom (aantal cumulatief)Generatie 1 (kind)11Generatie 2 (ouders)23Generatie 3 (grootouders)47Generatie 4 (overgrootouders)815Generatie 5 (betovergrootouders)16316 oudouders32637 oudgrootouders641278 oudovergrootouders1282559 oudbetovergrootouders25651110 stamouders5121.02311 stamgrootouders1.0242.04712 stamovergrootouders2.0484.09513 stambetovergrootouders4.0968.19114 stamoudouders 8.19216.38315 stamoudgrootouders16.38432.76716 stamoudovergrootouders32.76865.53517 stamoudbetovergrootouders65.536131.07118 edelouders131.072262.14319 edelgrootouders262.144524.28720 edelovergrootouders524.2881.048.575 Met onze stamouders zitten we in de eerste helft van de 17de eeuw (geboren ca 1620), met onze edelouders in het begin van de 15de eeuw (geboren ca 1410). Dan moet je weer 600 jaar teruggaan om zo ongeveer in de tijd van de kinderen van Karel de Grote terecht te komen en ruim 700 jaar om die van koning Redbold te bereiken. Volgens het theoretische model telt onze kwartierstaat in de tijd van koning Redbold (Generatie 37) bijna 69 miljoen cellen die met de naam van een voorouder moeten worden gevuld. Waren dat 69 miljoen verschillende? Nee. Zeker niet.

  1. Fedde MERNSTRA (HAERDA) ), geb ca 1400, woonde te Pietersbierum (zusterdorp van Sexbierum, grietenij Barradeel, aan de NW-Waddenkust boven Harlingen), trouwt met
  2. Catharina

Ouders van: Luts Feddes Mernstra (Haerda) (kw 104703) en wellicht ook van Lolle MERNSTERA die vanaf 1463 grietman was van Barradeel.

Edelvader Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. Het is nog even onduidelijk vanaf wanneer en of dit al Fedde betrof. De HAERDA (Haarda, Handa) state bevond zich bij Oosterbierum (Barradeel) en kan via huwelijk binnen de familie zijn gekomen. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij een zoon of kleinzoon van Fedde.

De oudere naam MERNSTRA kan te maken hebben met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. De inpolderingen zorgden voor nieuw landbouwgebied waarop diverse stinsen ontstonden. Naar de HAERDA-stins Ònam het geslacht MARNSTRA of MERNSTRA in later tijd de naam van HAARDA aanÓ.

Notities: - De naam MERNSTRA komt na 1500 nauwelijks meer voor, de naam HAARDA overweegt. Soms nog gekoppeld aan de eertijdse naam. - Piso HAARDA was een van de ondertekenaars van het Verbond der Edelen uit 1566 dat zich keerde tegen de inquisitie en de plakkaten van het ÒSpaanse bewindÓ en dat mede aanleiding was tot de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).

  1. Ofcke DOTTINGHA (Offke Dotinga), grietman van Leeuwarderadeel vanaf 1470, trouwt (1) met Doedt OEDTSMA, trouwt (2) met
  2. Luts Feddes MERNSTRA (HAERDA)

Ouders vanÊ: Doedt Offkes DOTINGA (kw 52851)

Offke Dotinga wordt ook genoemd in verband met het Marssumer Nieuwland, nieuwbedijkt gebied aan de westkant van de (vroegere) Middelzee, tegenover het Leeuwarder Nieuwland aan de oostkant daarvan. Zijn eerste vrouw Doedt Oedtsma kan dochter zijn geweest uit het hoofdelingengeslacht OEDTSMA te Boksum, dat iets ten zuiden van Marssum ligt.

Anno 1444: ÒEen nieuwe oorlog ontstond er weder tusschen de Schieringers en Vetkoopers in Westergo. Sikko en Douwe Sjaardema, Doeke en Abbe DOTINGA, Rommert Gabbinga, Keimpo Unia, Lieuwe OEDSMA, Worp Juckema, Rienk Kamstra, Sikko Martens, Ruurd Roorda en Gerrolt Herama trokken met eene menigte van hunne vrienden en hunnen aanhang voor de sterke stins van Sjoerd Grovestins te Engelum. Zij bemagtigden dit slot, een der sterksten in gansch Friesland, stormenderhand, namen Grovestins en zijnen zoon gevangen, die zij op Sjaardema huis te Franeker in bewaring stelden.Ó

Naast dochter Doedt (kw 52851) wellicht meer kinderen uit dit huwelijk, zoals Hisse Ofka DOTINGA dochter, die vermeld wordt in een bewaard gebleven testament van 16-9-1476 opgemaakt voor Sicka Allartzoon, ofwel Sicco Alardi OEDSINGA, van wie zij de partner was (vrijster). Sicka overlijdt 18-9-1476 te Dronrijp (?), kinderloos. In het twee dagen voor zijn overlijden opgemaakte testament bevestigt hij het testament van zijn moeder Engele OEDSINGA die drie maanden eerder overleed (7-6-1476). Hij laat de OEDSINGA-stins na aan zijn tante (moei) Eedwer ZYAERDA (SJAARDA). Broer Epo was al eerder jong en kinderloos overleden. De OEDSINGA-stins wordt drie jaar later (1479) als huwelijksgift meegegven aan Katryn HOTTINGA, kleindochter van genoemde tante Eedwer. DOTINGA-dochter Hisse hield aan haar relatie met Sicco OEDSINGA Ð wellicht waren zij nog niet gehuwd - geen kinderen en geen stins over. De dochter Doedt Offkes DOTINGA (kw 52851) was wellicht jongere zus van Hisse. Doedt trouwt met Sjoerdt (AESGAMA) uit de Poelen.

Notities: - Bij Dronrijp was er een sate Groot-Dotinga. Volgens berichten ging hieraan vooraf een DOTINGA-sate die rond 1520 werd verwoest, de stenen werden gebruikt voor de verdedigingswerken te Leeuwarden. Dotinga was dan partij in de twisten tussen Schieringers en Vetkopers, wellicht aan de kant van de Schieringers. - Na 1600 levert een DOTINGA-familie burgemeesters teLeeuwarden. Mogelijk verband nog te vinden. - In de kerk van Marssum noemen enkele grafzerken de DOTINGA-naam. Zoals: ÒAno 1580 de 7 janiuarius sterf de ersaeme Annle Dotinga tot MarssumÓ, ÒAo 1591 de 6 maius sterf d erbaere Imck Anles dr Dotinga syn wife h.b.Ó en ÒAo 1592 in ianuarij sterf den ersaemen iongeling Hans Anles DotingaÓ.

  1. Folpert Tiettezn, geb in Schingen bij Dronrijp, in 1511 genoemd als meier te Oosterend. 52849.

Ouders van: Tiette Folperts BAERDT (kw 26424) * 2. Eelck Folperts Baerdt, ovl. 1607/08, tr. voor 24-5-1584 Laes Lieuwes, ovl. voor 20-10-1603.

  1. Sjoerd AESGAMA, ook genoemd Sjoerd in de Poelen, geb ca 1463, woonde Òin de PoelenÓ bij Dronrijp, ovl (gesneuveld) 16-7-1500
  2. Doedt Offkes DOTINGA, ovl na 1511

Ouders van: Duedt Sjoerdsdr (Syuerdtsdr.) (kw 26425)

Over de AESGAMA-afstamming is weinig bekend. De naam lijkt te wijzen op een traditie van Friese ÒrechtsprekersÓ (a-saga), maar dit is speculatief. In een nasleep van de ÒDonia-oorlogÓ die rond 1460 woedde in het midden van Friesland, veroverde de houwdegen Agge Donia midden 1465 de Aesgama-stins te Sybrandaburen (Rauwerderhem, midden-Friesland), Òdie hij eenigen tijd bleef bezitten, roovende en plunderende van daar rondom op zijne vijandenÓ. De AesgamaÕs, voorzover zij de aanval overleefden, moesten vluchten? Sjoerd Aesgama (Sjoerd in de Poelen) werd in Sybrandaburen geboren vlak voordat Agge Donia de Aesgama-sate in bezit nam en er de Aesgama-familie half uitmoordde en voor de rest verjoeg?

Stamoudovergrootvader Sjoerd AESGAMA (in de Poelen) sneuvelt volgens de berichten op 16-7-1500. Hij was een van de vele Friezen die op of rond die dag het leven lieten. Friesland was in de jaren ervoor (15de eeuw) ontregeld geraakt door familietwisten en vrijbuiterij, die niet door een aanvaard centraal gezag kon worden bijgestuurd. De ÒDonia-oorlogÓ is een voorbeeld. Schieringers X Vetkopers? Sjoerd wordt slechts ca 37j oud. Hij sneuvelt op 16 juli 1500, de dag waarop Hertog Albrecht van Saksen met harde hand een eind maakt aan het beleg van Franeker waar zijn zoon Hendrik ingesloten was door een (aanvankelijk) groot leger Friezen. Sjoerd behoorde tot die belegeraars.

  1. Tiette Folperts BAERDT, geb ca 1481, boer op Baarderburen onder Arumovl ca 1545, trouwt ca 1515 met
  2. Duedt Sjoerdsdr. (AESGAMA), geb ca 1490, ovl na 1551

Uit dit huwelijk: 1. Folpert Tiettes BAERDT, kerkvoogd (1560) te Arum, ÒgaemanÓ (1561), kerkvoogd (1569), volmacht van Wonseradeel (1572), overleden te Arum tussen 1582 en 1586. Getrouwd met (naam onbekend). Vader van Tiette Folperts BAERDT, deze was dorpsrechter te Arum (1581), secetarius van Menaldumadeel (1598), getrouwd met Rinske Claeses MEYLSMA. De zoon uit dit huwelijk, Folpert Tiettes BAERDT, geboren ca 1587 was volmacht van de Vijfdeelen Zeedijken (1614) en werd ook secretaris van Menaldumadeel (1641, 1649), trouwde (1) met Antie Hettus, van Marssum, ovl 1617, en (2) in 1621 met Sytske Laeses BAERDT, geb 1595, dochter van Laes Lieuwes en Eelck Folperts (Foppes) BAERDT. 2. Sjoerd (Syuerdt}Tiettes BAERDT (kw 13212) 3. Frans Tiettes BAERDT, ovl in 1558, trouwt met Tijam Sijbedr., ovl na april 1558 en voor 1565. Uit het huwelijk: Gerlof Fransen Baerdt, Rixt Fransdr. Baerdt en Doed Fransdr. Baerdt. Frans Tiettes wordt (1547, 1555) vermeld te Salwerd, buurschap direct ten oosten van Franeker, in 1552 ÒbloedmomberÓ over de wezen van Epe Abbes (ws zijn neef) en Ambrosia Romckedr te Welsrijp. 4. Offke Tiettes (ook zoon? Staat niet vast. Wordt 1576 te Arum vermeld.)

In 1550 verkoopt Duedt Syuerdtsdr, weduwe van Tiette Baerdt, een losrente uit een deel van AESGAMAZATHE in de Poelen onder Dronrijp. Syurdt AESGAMA (neef?) is voor 1556 huurder van deze zathe en sinds 1556 eigenaar. Haar zoon Syuerdt Tiettes (kw 13212) trad op als curator over deze Syurdt AESGAMA

Het is nog niet definitief duidelijk hoe de familienaam Baerdt tot stand kwam. Het heeft niets met baard (haar rond de onderkin te maken). Sprake is van een eigenerfd geslacht te Oosterend (vgl Folpert (kw 52848)) en het kan zijn dat Tiette de afkomstnaam meenam toen hij zich te Arum vestigde (Baarderburen). Oosterend en Arum liggen niet ver bij elkaar vandaan en waren beide kerndorpen in de oude polders van het vruchtbare Westergo. Zijn zonen Sjoerd (kw 13212) en Frans droegen de naam Baerdt toen ze zich tussen Franeker en Leeuwarden gingen vestigen, Sjoerd te Marssum en Frans te Salwerd.

  1. Sjoerd (Syuerdt) Tiettes BAERDT, geb ca 1520, diverse functies, woonde te Marssum, ovl na 1572 (Syuerdt), trouwt voor 1553 met
  2. Eelck, geb ca 1520

Uit dit huwelijk:

  1. Sake Sjoerds Baerdt, ovl voor 23-6-1602
  2. Hobbe Sjoerds Baerdt. Griffier van het Hof van Friesland 1585-1591, ovl 9-6-1591.
  3. Sybrand Sjoerds BAERDT (kw 6606)
  4. Rienck Suerdts Baerdt, trouwt Rientje DOUMA VAN OENEMA, zij krijgen een zoon Uccke Riencks BAERDT. Syuerdt Tiettes Baerdt, vader Folpert Tiettes Baerdt, moeder Duedt Sijuerdtsdr,, trouwt Marssum, Frslnd, Nthr 23.813 Eelck

Kinderen 1. Sake Baerdt 2. Wijbe Sjoerds Baerdt, trouwt Trijn 3. Rienck Sjoerds Baerdt, trouwt Arum, Frslnd, Nthr Rientje Douwesdr, Douma, ouders Douwe Ulckes Douma en Jel Hesselsdr, van Jongama 4. Hobbe Sjoerds Baerdt, trouwt Franeker, Frslnd, Nthr Hintke Hinnedr,, overleden Franeker, Frslnd, Nthr , trouwt Franeker, Frslnd, Nthr Lijsbeth Delphi, overleden Franeker, Frslnd, Nthr , trouwt Franeker, Frslnd, Nthr Ida Swijns, vader Jelte Andrieszoon Swijns 5. Tiette Sjoerds Baerdt, trouwt Wierum, Frslnd, Nthr Marij Andriesdr, Minnema, overleden Wierum, Frslnd, Nthr 6. Sybrandt Sjoerds Baerdt 7. Doede Sjoerds Baerdt, overleden Arum, Frslnd, Nthr , trouwt Arum, Frslnd, Nthr Pijtrick 8. Offke Sjoerds Baerdt, trouwt Westdongeradeel, Frslnd, Nthr Trijn van Offenhuysen, ouders Hans Douwes van Offenhuysen en Auck Fernija 9. Sipke Sjoerds Baerdt, trouwt Leeuwarden, Frslnd, Nthr Tet Jetzedr,

  1. Gerardus Tammonis, geb ca 1550 6605.

Uit dit huwelijk: Tammerus Gerardi (kw 3302)

Over deze stam-betovergrootvader (DE JONG-lijn) moeten nog meer gegevens worden gevonden. Eigenaar van POUTSMA-state te Wierum (Westdongeradeel)? Uitgeweken naar Embden tijdens de godsdiensttwisten? In Reiderland werd ca 1575 zijn zoon Tamme Gerrits geboren oftewel Tammerus Gerardi (kw 3302), die later Hervormd dominee werd in het Friese stadje IJlst. Een voorvader van de POUTSMA-familie.

  1. Sybrandt Sjoerds BAERDT, geb ca 1550, notaris te Arum (vermeld 1582), advocaat voor het Hof van Friesland (1591), ovl ca 1592, trouwt 21-11-1583 met
  2. Tiedcke FROMA, geb ca 1550, ovl 25-4-1616

Uit dit huwelijk: Eelckien Sybrands BAERDT (kw 3303)

Na overlijden van Sybrandt trouwt Tiedcke 21-11-1593 met Jan HOOCH (Hoeck). Sybrandt Sjoerds Baerdt, vader Syuerdt Tiettes Baerdt, moeder Eelck, trouwt , Frslnd, Nthr 11.907 Tiedcke Froma

Kinderen 1. Eelckien Sybrandts Baerdt 2. Ydtie Sijbrands Baerdt, trouwt Leeuwarden, Frslnd, Nthr 11 juni 1606 Jan Siurts Bruyn, trouwt Harlingen, Frslnd, Nthr Lammert Warners 3. Oedtie Sijbrands Baerdt, trouwt Cornelis Meliszoon

  1. Pytter Pytters (Petrus Antonius Petri), geb ca 1578, trouwt ca 1620 (tweede huw?) met
  2. Eva Jansdr, ovl na 1668

Uit dit huwelijk: - Johannes Petri BECHIUS (kw 1650), die dominee wordt te Oosthem (FR). Trouwt met Titia Tammerus BAERDT (kw 1651), domineesdochter uit IJlst.

  • Antonius Petri (1620-1672). Als theologisch student op 25-4-1637 ingeschreven te Franeker. Hij is dominee te Jutrijp-Hommerts (1642-1649) en daarna te Britsum. Trouwt met Jancke, domineesdochter uit IJlst, jongere zus van bovengenoemde Titia. Zie bij kw 3302/3303 (POUTSMA BAERDT). Van Antonius Petri en Jancke stamt via zoon Petrus Antonides, eveneens dominee, een ANTONIDES-lijn.

Tekst op de oude luidklok van kerk te Britsum: Jurien Balthasar heeft my gegooten in Leeuwarden 1664. Gosewijn van Coehoorn, old kapitein van eene compagnije soldaten te voet en vrou Aeltje Hinckema van Hinckemaboergh sijn huysvrou; Antonius Petri, pastor in Britzum; Harmen Jansen, dorpsrechter en meedekerkvoogd tot Britzum; Foppe Doeckes, Pieter Sytses, Sytse Sytses Wiglama, Folkert Pieters, Aete Eelkes; jr Siuck van Burmania d'olde op Jornsma en vrou Cunera van Douma sijne vrou; jr Gemme Laes van Burmania Jornsma, holtphester en pluymgraef der provincie van Friesland en kerkvoogd tot Britzum, en vrou Rientien van Eysinga sijn e. owerledene en vrou Foeck van Eysinga sijn ede. tegenwoordige vrouw; jr Siuck van Burmania de jonge op Martena State tot Cornium in leven grietman en dyckgraef over Wymbritzeradeel de steden Sneek en Ylst daaronder begrepen en de vrou Catharina Enthens sijn ed vrouÊ

In het jaar onses heeren iesu christi 1695 den 28 sten maart sterv de eerbare Francina de Witte in leven huisvrouw van Beniamin Bekius bedienaar des goddelyken woords te deser plaats oud 36 iaren 1 maand 8 dagen ende legt alhier nevens 3 van haren kindrten begraven non male mortus qua bene vixitÊ(kerk Britsum)Ê

Anno 1733 den 14 november is in den heere ontslapen den eerwaarden en gotsalgenen seer geleerden heer dnus Beniamyn Baekius in leven bedienaar des goddelyken woord in de gemeente Yesu Christi na dat hy syn praedik ampt als leeraar omtrent 47 jaaren ter deser plaatse hadde waargenomen out in sin 77 ste iaar en legt beneffens syn twe dochteren Maria Francyna en Francina Magdalena Baekius alhier begraven en verwachtende uit genade een zalige opstandinge in christi yesuÊ(kerk Britsum)

1721Ê 1183Ê Anno 1721 den 13 ianuary is in den heere gerust den eerbare Bottie Sybes in leevne de eerste huisfrouwe van Beniamen Bekius contrarolleur van de convoijen en lycenten tot Dockum out in haar 35 ste iaar en leit alhier begraven verwachtende alhier uyt genade en salige opstandinge in christo iesuÊ

1763Ê 1184Ê Anno 1763 den 12 july is overleeden den eersame ende seer diskreete Beniamyn Bekius in leven oldt ........... als meede contraroleur van de convoyen der steede Dockum 69 jaaren 7 maanden 20 dagen ende leyt alhier begraven Die hier wel leeft, en 't quade laat een goede dood te verwachten staat ia die godt hier namaals geven het eevigh en het zaligh leeven doot 't offerbloedt van synnen soon en schenken hem des heemels troon ia laat het lighaam weer verrysen om godt in al zyn doen te prysenÊ

Vermelding: Ondertrouw van 1 augustus 1640 Man: Petrus Bechius, Leeuwarden Vrouw: Aukien Martens, Leeuwarden NB: hij is advocaat voor het Hof van Friesland Vermelding: Bevestiging huwelijk van 30 augustus 1640 Man: Petrus Bechius, Leeuwarden Vrouw: Aukien Martens, Leeuwarden Trouwregister Hervormde gemeente Leeuwarden, 1674 DTB nr: 980, 1671 - 1681 Vermelding: Attestatie afgegeven 5 juli 1674 Man: Abrahamus Bechius Vrouw: Antie Taecama, Leeuwarden NB: hij is advocaat voor het Hof van Friesland

  1. Tammerus Gerardi POUTSMA, geb ca 1575 in Reiderland (Oost-Groningen/ Duitsland), predikant te IJlst, ovl 17-7-1644 te IJlst, trouwt 16-10-1603 te Joure met
  2. Eelckien Sybrandts BAERDT, geb Arum ca 1585, ovl IJlst ca 1652

Gesteld wordt dat Tammerus (mede-)eigenaar was van POUTSMA State te Wierum (West-dongeradeel) en daar zijn familienaam aan ontleende. Dochters van hem worden genoemd met de familienaam BAERDT (van moederskant). De combinatie BAERDT POUTSMA komt in genealogische overzichten ook voor. Het is mij nog onduidelijk in hoever dit terecht is.

Toen Tamme Gerrits in 1603 te Joure trouwde met Eelkje Baerdt, was hij een jonge predikant. Hij stond als dominee te IJlst van 1604 tot en met zijn dood in 1644. Toen was hij er de oude predikant. Kennelijk beviel deze standplaats hem wel.

Uit het huwelijk: 1. Titia Tammeri Baerdt (kw 1651), ged 23-10-1607 te IJlst, ovl Oosthem 16-7-1663. Trouwt Leeuwarden 21-2-1636 met de jonge predikant Johannes Petri Bechius (kw 1650) die hierna dominee werd te Oosthem. 2. Catharina (Katrijnske), 1609. ? 3. Jancke Tammeri Baerdt (Poutsma), 18-6-1612. Trouwt, Janke Tammes, 16-2-1644 (1645?) te Heeg met Anthonius Petri, geb ca 1620 te Ferwerd, ovl 1672 te Britsum. Genoemd als broer van Johannes Petri BECHIUS (kw 1650). Bij huwelijk was Anthonius werkzaam als (kandidaat-)predikant te Jutrijp-Hommerts, bezuiden IJlst (1642-1649). In 1649 wordt hij beroepen te Britsum, waar hij in 1672 overlijdt, 52j oud. Uit het huwelijk met Janke 6 kinderen waaronder de zoon: Petrus Antonides, ged 4-8-1657 te Britsum, ovl 9-5-1738 te Rauwerd. Deze zoon was predikant te Aalsum, waar hij 2-6-1689 trouwt met Trijntje VERHOECK, en vervolgens predikant te Rauwerd. Van hem stamt een ANTONIDES-lijn. 4. Tjitske Baerdt Poutsma, 13-10-1617 5. Cristina (Karstynke) Baerdt Poutsma, ged 7-3-1619. Trouwt IJlst 10-6-1648 met Frans Andries JENNEMA. 6. Oedtie Tammeri Baerdt, ged IJlst 12-1-1621, ovl Leeuwarden 1656. Trouwt IJlst 21-10-1639 met Johannes Nicolai, ovl 2-10-1712 te Oostermeer (?). Uit het huwelijk wellicht 6 kinderen geboren die de familienaam POUTSMA gingen gebruiken: Margareta (1640), Nicolaus Johannes POUTSMA (1641), Tammerus (1644), Petrus (1649), Sara (1651) en Eelckien (1655). De oudste zoon, Nicolaus POUTSMA, trouwt 11-3-1666 te Leeuwarden met Saapke WIERSMA, uit Britsum, en is dan al advocaat aan het Hof van Friesland. Bij de wagentelling binnen Leeuwarden van 1-5-1694 staat hij vermeld als Òde pensionaris dr. Nicolaus PoutsmaÓ aan de Eewal, in het bezit van 2 hoornse wagens, 1 boerewagen en 1 aardekar. Dan wordt ook genoemd Òde commijs PoutsmaÓ aan de Oosterstraat met 1 verdekte wagen en 1 hoornse wagen, en Òdr. Tammerus PoutsmaÓ met 1 sjees. Oedtie Tammeri Baerdt overleed toen ze 35 was (maar soms wordt haar geboortejaar op 1612 gesteld). De lijn hier verder niet gedocumenteerd, hoewel genoeg gegevens. 7. Gerrit Tammerus Poutsma, ged IJlst 14-10-1625. Schoolmeester te IJlst. Zijn zoon Tamme Gerrits Poutsma werd schoolmeester te IJlst en later te Joure. 8. Abrahamus Tammeri Poutsma, ged 6-4-1627 te IJlst. Wordt predikant te Haskerdijken (1651), te Haskerhorne (1664). Gehuwd met Saara Yzaaks CNOOP. Met emeritaat per 29-4-1697. Overlijdt na 1700 te Gorredijk, waar zijn zoon Tammerus POUTSMA het notarisberoep uitoefende.

  1. Petrus Rudolphi, gedoopt 7-6-1618, ovl 4-1-1668, 49j oud, notaris. Zoon van Rudolph Willemse, lakenbereider, en Anneke Willems. Gehuwd op 10-11-1644 Herv.gem.Schalsum, beiden uit Franeker, met
  2. Sake (Saskia) Scheltes VALCKENBURCH (Falkenburgh)

Ouders van: Rudolphus Petri (kw 824)

Petrus Rudolphi zal Pieter Rudolfs of Roelofs hebben geheten, maar studeerde en kreeg toen de verlatijnste naam Petrus RUDOLPHI. In het register van notarissen in Friesland vinden we Petrus RUDOLPHI vermeld per 29-1-1648. Als pas afgestudeerde en wellicht kandidaatnotaris trouwt hij 10-11-1644 (ca 25 jaar oud) met Sake (Saakje of Saskia) Scheltis VALCKENBURCH. Bevestiging van huwelijk te Schalsum bij Franeker, beiden van Franeker.

Het is aannemelijk dat Petrus Rudolphi studeerde aan de Hogeschool te Franeker, gesticht in 1585, hoewel we dit nog niet bevestigd vinden. Informatie over de VALCKENBURCH (Falckenburgh) herkomst is ook nog onduidelijk. Sake (Saskia) Scheltes Valckenburch trouwt in 1644 met Petrus Rudolphi. Op 21-1-1657 trouwt een Sytske Scheltes Valckenburch te Franeker met Claes Goslinghs Eekama. Geen gegevens betreffende Schelte Valckenburch. Was hij misschien militair in het Staatse leger?

PRO MEMORIE: Meldingen in register van Friese notarissen - Johannes Petri, Leeuwarden, 17-11-1613. - Johannes Rudolphi, Bolsward, 12-7-1645. Zou een broer van Petrus Rudolphi kunnen zijn. Gedoopt te Bolsward 24-6-1664: Roelof, zv Johannes Rudolphi. - Petrus Rudolphi, 29-1-1648 (geen plaatsnaam vermeld) - Annius Rudolphi, 28-6-1678 (geen plaatsnaam vermeld)

  1. Johannes Petri BECHIUS, ged 30-6-1613 te Leeuwarden, predikant te Oosthem, ovl 1-12-1664 te Oosthem, trouwt 21-2-1636 te Leeuwarden met
  2. Titia Tammeri BAERDT, ged 23-10-1607 te IJlst, ovl 16-6-1663 te Oosthem

Johannes Petri wordt BECHIUS genoemd. Waarom? Misschien koos hij voor die naam, refererend aan personen/predikanten uit de periode van vlak ervoor, de tijd van de losmaking van de ÒgereformeerdeÓ kerk tegen de rooms-katholieke constructie (contra-reformatie, Tachtigjarige oorlog). Aan die losmaking speelden in Holland predikanten/leermeesters BECIUS of BEEKIUS een rol, - naam afgeleid van (van der) BEEK of BEECK). Zoals de dominee Wijnandus BEEKIUS uit Delft die aanwezig was op de Speciale Synode te Gouda van 29-8-1589, toen de zaak van de hervorming en losmaking van de katholieke kerk en het ÒSpaansÓ bewind nog lang niet op stevige voeten stond. In de periode waarin Johannes Petri theologie te Franeker studeerde, verschenen de publicaties van Johannes BECIUS (dominee te Dordrecht etc) zoals Ò De Belijdenisse des christelijken geloofs, gedaen naar de ordre ende verclaringe onses christelijcken Heydelbergschen CatechismiÓ (1631) en kwam de vertaling in de Nederlandsche taal van alle bijbelboeken tot een eindresultaat (Statenvertaling). Het zou kunnen dat voorvader Johannes Petri, predikant in opleiding, de BECHIUS-naam zich als een soort geuzennaam toeeigende. Zijn broer Antonius Petri die iets later met de opleiding startte, volgde hem daarin niet. Over het huwelijk van Joannes Petri Bechius, Leeuwarden, en Tietie Tammerus Baert (Baerdt), IJlst, melden bewaard gebleven registers van de Herv.kerk te Leeuwarden. Melding van ondertrouw per 6-2-1636, hij is kandidaat-predikant, en van een derde proclamatie per 21-2-1636. Het is aannemelijk dat het huwelijk te IJlst toen kerkeljk is ingezegend. Het predikantenechtpaar vestigt zich vlakbij IJlst te Oosthem waar Johannes tot aan zijn dood in 1664 (hij wordt 51j oud) als dominee diende.

Uit het huwelijk: 1. Sara 1637 2. Petrus Johannesz BECHIUS 1638. Op 29-11-1668 huwelijk: Petrus Bechius, Heeg, predikant, en Gesina VAN BRONKHORST, Zwolle. 3. Aurelia (Auckjen) Bechius (kw 825) 1643 4. Sybrandus BECHIUS 1645. Op 28-2-1677 doop te Harlingen: Johannes, zoon van Sybrandus BECHIUS en Ida Kiyl. 5. Abrahamus BECHIUS 1649. Op 5-7-1674 huwelijk: Abrahamus BECHIUS, dr., advocaat voor het Hof van Friesland, Leeuwarden, en Antie TAECAMA, Leeuwarden. Uit het huwelijk worden 10 kinderen geboren (doopdata Leeuwarden): Antonette (28-4-1675), Johannes (21-4-1676), Tytia (15-7-1677), Maria (28-2-1679), Johannis en Ysabella (3-10-1680), Johannus (14-8-1682), Johannis (1-8-1683), Sjouckjen (28-5-1686) en Eelckjen (18-12-1689). 6. Eva 1649 (? Nog nagaan)

De RK-kerk te Oosthem bracht voor de overgang naar de Hervormde richting 120 goudguldens per jaar op en het vicarisschap 85 goudgulden. Dat was relatief behoorlijk. De Hervormde prediker Feito Riords kwam al in 1565 naar Oosthem en leidde de overgang. De Hervormde gemeente Oosthem-Abbega-Folsgare, met drie kerkgebouwen, was in de eerste Hervormde eeuw geen slechte start voor een jonge predikant. Ook de rijke boeren verlieten de RK-kerk. Stamgrootvader Johannes Petri Bechius werd er de derde predikant na ÒHervormerÓ Feito Riords (Ruurds) die in 1593 naar Woltersum (Groningen) vertrok. Volgens de gegevens beviel de standplaats en bleef Johannes er tot zijn dood in 1664 actief.

  1. Rudolphus Petri, geb ca 1650 te Franeker, trouwt 20-9-1671 te Franeker met
  2. Aurelia BECHIUS (Aukien), geb 1643 te Oosthem

Ouders van: Johannes Rudolphi (kw 412)

Rudolphus Petri studeerde rechten aan de Franeker hogeschool en wer secretaris van het gerecht van Franekeradeel.

  1. Joannes RUDOLPHI, gedoopt 19-12-1680 te Franeker, vanaf 1707 predikant te Paesens (Oostdongeradeel) en vanaf 1730 te Witmarsum (Wonseradeel), ovl 7-1-1755 te Witmarsum, 74j oud, trouwt 2-10-1712 te Paesens met
  2. Aukje Eelkes, ovl na 1755 ?

Ò1707. Johannes Rudolphi, geboren in het laatst van 1680 te Franeker, waar zijn vader J. U. Dr. en Secretaris van het gerecht van Franekeradeel is geweest, is als kandidaat geapprobeerd den 3 October en bevestigd 13 November. Op de klassis den 10 October 1712 is hij provisioneel gesuspendeerd, omdat zijn meid van hem in de kraam moest, gelijk hij zelf bekende; den 24 October,(toen was hij al met de meid getrouwd),is hij gesuspendeerd tot 19 Februarij 1713, met verlies van traktement, maar daarna moest hij een boetpreek doen in tegenwoordigheid van twee klassikale gecommitteerden, zullende op denzelfden dag door een der gecommitteerde des voormiddags, zoo hem als der gemeente, de wederzijdsche plichten worden voorgehouden. Deze sententie is den 30 October van den predikstoel gepubliceerd. Rudolphi nam tot tekst II Kron. 33: 12, 13. Hij vertrok naar Witmarssum en nam afscheid 16 Julij 1730.Ó (www.wumkes.nl)

Doopregister N.H.gemeente te Paesens: 1. Rudolphus, 30-11-1712 (2 maanden na huwelijkssluiting. Jong overleden) 2. Rudolphus, 30-9-1714, wordt ook dominee (kw 206) 3. Aurelia (Aukje), 15-12-1720

Bij de Quotisatie 1749 staat Joannes als ds. Rudolphy te Witmarsum (Wonseradeel) vermeld, gezin van 3 volwassenen, dochter Aurelia was kennelijk nog thuiswonend. De dominee krijgt een aanslag van 30 Caroliguldens. Dat was 9 guldens minder dan de aanslag die zoon Rudolphus, dominee te Jutrijp-Hommerts (Wymbritseradeel), kreeg. Zie ook kw 206.

Ds. J. Rudolphi overlijdt 7-1-1755 te Witmarsum. Op de 20ste januari daarna: ÒDs. C.T.Visscher te Pingjum doet ten sterfhuize van ds. J.Rudolphi te Witmarsum een rede over 2 Kon 4:1.Ó (bron: Wumkes). Deze bijeenkomst vindt 13 dagen na het overlijden plaats. Het is aannemelijk dat Joannes RUDOLPHI in de week ervoor al werd begraven en dat de bijeenkomst ten sterfhuize op de 20ste nog speciaal werd georganiseerd voor speciale vrienden en kennissen van de oude dominee die vanwege het barre januariweer niet bij die begrafenis aanwezig konden zijn. De bijbeltekst die ds. Visscher als uitgangspunt voor zijn (lijk)rede neemt, kan er op wijzen dat Aukje Eelkes toen nog in leven was. Visscher neemt het thema van de olie der weduwe.

  1. Rudolphus Rudolphi, geb 25-9-1714 te Paesens, predikant te Jutrijp (Wymbritseradeel), ovl 26-12-1781 te Jutrijp, gehuwd 7-8-1740 te Witmarsum met
  2. Aukjen Ulbes, geb 1-3-1718 te Witmarsum

Doopregister N.H.gemeente Hommerts/Jutrijp: 1. Trijntje, 3-4-1741 2. Aukjen, 30-1-1743 3. Antie, 22-2-1745 (kw 103) 4. Joanna, 11-5-1747 5. Joannes, 21-2-1751 6. Aurelia, 28-2-1753.

Rudolphus Rudolphi is zoon van ds. Joannes Rudolphi die eerst predikant was te Paesens en later te Witmarsum (kw 412). Rudolphus is te Paesens geboren en in Witmarsum opgegroeid. Hij trouwt 1740 te Witmarsum met Aukjen Ulbes. Hij had zijn opleiding tot predikant (aan de hogeschool te Franeker) toen al achter de rug en zijn benoeming te Jutrijp al verkregen. Op 6-10-1738 ziet ds. Fredericus Deketh te Jutrijp zijn beroep naar Schalsum goedgekeurd (bronÊ: Wumkes). Waarschijnlijk is de dan pas afgestudeerde en nog ongehuwde Rudolphus daarna in Jutrijp-Hommerts zijn opvolger geworden. Zijn hele verdere leven is Rudolphus dominee aldaar.

Ds. Rudolphus Rudolphi was de laatste dominee onder onze direkte voorvaderen. Hij werd 67 jaar oud. De kerkelijke gemeente Jutrijp-en-Hommerts had in beide dorpen een kerkgebouw. Ruim zestig jaar na overlijden van deze oudovergrootvader (in de DE JONG-lijn), meldt Van der Aa dat de gemeente 550 zielen groot is, waarvan 100 lidmaat zijn (belijdend lid). Rudolphus Rudolphi werd opgevolgd door dominees, die het tot hoogleraar schopten. Zijn directe opvolger was ds. Anneus Ypey die er in de periode 1784-1788 stond en daarna hoogleraar in de godgeleerdheid te Groningen werd. Diens opvolger ds. Johannes Henricus Regenbogen was over de periode 1789-1809 predikant te Jutrijp-en-Hommerts, daarna even hoogleraar in de godgeleerdheid te Franeker (onder het Franse bewind werd de hogeschool van Franeker opgeheven) en vervolgens hoogleraar in de geschiedenis te Leiden. Ook maar kort overigens want hij overlijdt te Leiden 22-2-1814.

Ò1764. Verkooping der pastoriegoederen: De ijsselijke plaag der veesterfte, gevoegd bij de zware schatting, had, ten aanzien van de koop- en huurwaarde der landerijen, eenen zeer nadeeligen invloed ter verarming van velen. Ook een aantal predikanten wier inkomsten uit de huurwaarde der pastoriegoederen bestonden, werden hierdoor derwijze in hun bestaan verminderd, dat sommigen 200, anderen nog weiniger behielden. Reeds voor lange jaren hadden de Staten sommige lage traktementen door bijdragen tot 450 aangevuld; zijnde hiertoe in 1713 eene som van 18,968 besteed. Van tijd tot tijd werden de aanvragen meerder, naar mate de behoeften, ten gevolge van het ongeluk der tijden, vermeerderden. Na het uitbreken der veepest in 1745 klom de nood veler predikanten tot eene voorbeeldelooze hoogte, zoo dat eenigen, op vergunning der Staten, hunne pastoriegoederen en renten voor tien jaren aan de Provincie opdroegen, tegen genot van 450 traktement. In 1764 nam men, onder behoorlijk overleg met de Grietmannen en andere belanghebbenden, eenen anderen maatregel, om in de bedoelde behoeften te voorzien. De goederen en renten van vijfennegentig plaatsen, aan de pastorien behoorende, werden nu openbaar verkocht, ten voordeele van de provinciale kas, terwijl aan die predikanten, in stede van het genot dier goederen, een traktement van 500 van de Provincie duurzaam verzekerd werd.Ó

  1. Klaas Klases DE JONG, gedoopt 12-7-1744 (Doniawerstal), ovl v—or 1811 ?, gehuwd met
  2. Antje Rudolphus RUDOLPHI, gedoopt 22-2-1745, ovl te Indijken (Doniawerstal) 27-10-1826, 81 jaar oud, weduwe (Donia 82).

Oudgrootouders die eind 18de eeuw een boerenbedrijf hadden in de buurschap Dijken (of Indijken) ten zuiden van Langweer (Doniawerstal). De OENEMA-zonen uit Ouwsterhaule (Doniawerstal), Jochum (kw 50) en Wietze (zie kw 100), trouwden met resp. Trijntje Klazes uit Indijken en Ynske Klazes de Jong uit Indijken.

Kinderen (doopregister Doniawerstal): 1. Aachje, gedoopt 21-1-1770. 2. Trijntje, 2-6-1772 (kw 51) 3. Ynske, 13-9-1774 (zie kw 100) 4. Yke, 26-10-1777, jong overleden 5. Rudolphus, 14-8-1779, jong overleden 6. Rudolphus, 8-10-1781. Rudolphus Klazes DE JONG trouwt 17-5-1811 (Donia 4) met Lijsbert Tijsses BAKKER, dochter van Tijs Melles en Aafke Jans. Op 10-7-1812 wordt dochter Antje geboren, 16-4-1816 zoon Tijs en 10-7-1818 zoon Klaas. Rudolphus wordt 61 jaar en ovl 26-5-1843, gehuwd (Donia 5). 7. Yke, 1-3-1784. Yke Klazes DE JONG (Indijken) trouwt 14-4-1805 te Langweer met Durk Rimmers (Woudsend), die als Dirk Rimmerts DE JONG op 14-1-1818 overlijdt (Donia 1), 34 jaar oud. Voor 1811 werd in ieder geval een zoon Klaas geboren (trouwt met Antje Jentjes DIJKSTRA (Dijksma), krijgt o.a. een dochter Saske), op 6-10-1812 een zoon Rimmer, 12-10-1816 een zoon Dirk en 30-7-1818 een dochter Durkje. Vader Durk was toen al 6 maanden dood. Yke is niet hertrouwd. Ze overlijdt 10-11-1852 (Donia 11), 68 jaar, weduwe. 8. Zaske Rudolphi, 4-12-1786 (Saske). Saske Rudolphi Klazes DE JONG overlijdt 26-1-1850, 63 jaar oud, ongehuwd (Donia 3). 9. Klaas, 6-6-1791. Trouwt 14-7-1814 (Donia 8) met Grietje Tijsses OOSTING. Ze krijgen de dochters Geeske (1-9-1814) en Antje (8-9-1816). Klaas overlijdt 14-1-1818, 26 jaar oud. Grietje Oosting trouwt 23-5-1823 (Haskerl 9) met de 41-jarige weduwnaar Jetze Klases DE JONG. Op 15-1-1829 wordt een zoon Klaas geboren. Grietje (ÒOostinkÓ) overlijdt 25-9-1852, 63 jaar oud, gehuwd (Donia 10). Jetze overlijdt 15-10-1874, 92 jaar oud, weduwnaar (Donia 46).

1831 Langweer, notaris T.ðS.ðvanðderðLey Inv. nr. 074013 repertoire nr. 34 d.d. 16 april 1831 Verklaring, akte niet aanwezig Betreft het overlijden van de vader en de grootouders - Sjerp Johannes Wierda, boer te Tjerkgaast, zoon van wijlen Johannes Sjerps Wierda en kleinzoon van na te noemen grootouders; overleden te Tjerkgaast - Sjerp Hylkes, in leven grootvader van vaderszijde en gehuwd met wijlen Ymkjen Wiebes; overleden te Tjerkgaast - Rudolphus Rudolphi, in leven grootvader van moederszijde en gehuwd met wijlen Aukjen Ulbes; overleden te Jutrijp

Laatste update: 12-4-2004