Van der Hoek
Documenten

Wever Poelen Kw Blokker Poelen

Poelen

  1. Sjoerd AESGAMA, ook genoemd Sjoerd in de Poelen, geb ca 1463, “in de Poelen” bij Dronrijp, ovl (gesneuveld) 16-7-1500
  2. Doedt Offkes DOTINGA, ovl na 1511

Ouders van: Duedt Sjoerdsdr. (Syuerdtsdr.) (kw 26425)

Stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen werd slechts 37 jaar oud. Hoe kwam dat? In 1493 vindt de Duitse keizer Frederik III dat het onderlinge gedonder in Noord-Nederland maar eens uit moet zijn. De partij van de Vetkopers had in de jaren ervoor de Groningers bij hun strijd tegen de Schieringers te hulp geroepen en dat had succes gehad, in die zin dat Groningse legertjes heel Oostergo en een deel van Westergo terroriseerden. De keizer stuurde gezant Otto van Langen naar Zwolle en riep gemachtigden van Groningen en van Sneek (Schieringerpartij) op daar te verschijnen “en hunne aangelegenheden open te leggen”. Formeel gold het hele gebied immers als onderdeel van het keizerrijk, al toonden de opeenvolgende keizers meestal weinig belangstelling. Keizer Frederik III deed dat nu dus wel. De Schieringers vaardigden Douwe, pastoor van Ytens, “een geleerd heer”, af als hun voornaamste woordvoerder. Pastoor Douwe bleek zo’n goede pleiter “dat de Keizer, van de onregtvaardigheid der Groningers overtuigd, een nader onderzoek over die belangrijke zaak instelde.” Voordat dit kon worden afgerond, overleed de keizer. Zijn zoon Maximiliaan volgde hem op.

Hoewel de Groningers/Vetkopers misschien anders hadden verwacht, bleek de nieuwe keizer het “Friese” beleid van zijn vader een direct vervolg te geven. Zonder het beloofde nader onderzoek. Gezant Otto van Langen wordt eind 1493 er opnieuw op uitgestuurd “om de Friezen te doen weten, dat het de ernstige wil des Keizers was, dat zij alle tweedragt vergeten, eenen Potestaat uit hun midden, volgens oud vaderlijk gebruik, verkiezen en aan denzelven gehoorzaamheid bewijzen zouden; indien zij zich hiertoe niet lieten bewegen, zou de Keizer eenen heer naar zijn believen over Friesland aanstellen, en hen tot onderwerping dwingen.”

Pastoor Douwe had vermoedelijk goed duidelijk kunnen maken dat het om een Friese aangelegenheid ging en dat de Groningers onterecht erbij waren gehaald. Op 1 januari 1494 belegt de keizerlijke gezant te Sneek een landdag, “waar de voorname hoofden der Schieringers verschijnende, terstond eenen Potestaat kiezen, namelijk Juw of Julius Dekama, heerschap te Baard, die zich in de heerschende twisten zeer onzijdig en vredelievend had gedragen. Op den 14 Januarij had er een landdag te Bolsward plaats, en hier verschenen, behalve eenige Schieringers, de voornaamste hoofden der Vetkoopers, die, wel verre van Dekama als Potestaat te willen erkennen, spoedig alle onderhandelingen met de keizerlijke gezanten afbraken, zoodat van Langen zich gelukkig rekende, van behouden te Deventer te komen, waar hij wel nogmaals eenige edelen ter onderhandeling ontbood, doch zonder eenig gevolg.” Terwijl gezant van Langen de keizer ging berichten, dat zijn missie om de tweedracht onder de Friezen op te heffen, niet was geslaagd, gingen de Vetkopers/Groningers verhevigd met moord en brandstichting tegen de Schieringers te keer. Zo kwam het tweede deel van de “ernstige wil des Keizers” in werking. Hij wijst zijn ijzervreter, legerleider Hertog Albert van Saksen, aan tot landvoogd over Friesland “om de Friezen tot onderwerping te dwingen.”

Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Hertog Albert kreeg zijn benoeming in 1495 en bevond zich op dat moment al met een leger in Holland, maar hij pakte het strategisch aan. Hij stak de Zuiderzee niet over, terwijl de Schieringers hem toch als steun in de rug beschouwden. Zij keken nu ook over de grens en “verzamelden in Overijssel en Gelderland eenen hoop krijgsvolk onder de overste Nittert of Nuttert Fox, van geboorte uit Frankenland afkomstig, welke, in Friesland aangekomen, grooten schrik onder de Vetkoopers verspreidde.” De Schieringers hadden uiteraard niet verwacht dat dit huurleger voor eenzelfde schrik zou zorgen binnen hun eigen gebied (Zuiderzeekust, Wymbritseradeel rond Sneek, Gaasterland, Lemsterland). De huurlingen gingen in dat gebied erger te keer dan in de door de Vetkopers/ Groningers beheerste gebieden. Op 1 januari 1496 deed het leger wel een poging om Leeuwarden te overvallen, “doch tot het Galgeveld genaderd zijnde, overkwam hen plotselijk een geweldig onweder van regen en wind, dat hen niet alleen belette in hun voornemen, maar ook den moed benam, zoodat zij, na een molenhuis in brand gestoken te hebben, om zich te verwarmen, daardoor de burgerij tegen zich op de been bragten, die hen ijlings wegjaagden, en weder naar Sneek deden vluchten. De Groningers, voor het verlies van Leeuwarden beducht, zonden een groot aantal volks naar die stad, die er den geheelen winter stil bleven liggen, tot groote schade en kosten, gelijk ook tot misnoegen der stedelingen, die zich niet weinig over hunne verbindtenis met de Groningers beklaagden.”

De Leeuwarders verlieten gaandeweg het starre standpunt van de Vetkopers/Groningers. Het teruggeslagen leger van overste Nuttert Fox moest zich intussen weer op Schieringer gebied in leven houden en verloor daar alle goodwill. Strooptochten door Gaasterland en Lemsterland, een bloedige slag op het dichtgevroren Sneekermeer waar “de Woudlieden” hen met alle macht probeerden tegen te houden. Ellende alom. Hoe werd dit opgelost? De Snekers (Schieringerbolwerk) richtten zich tot de tegenpartij, de “Groningers”. Geef ons geld zodat we dat huurleger van Fox af kunnen betalen en jullie en wij van die mannen af zijn. Van geven geen sprake natuurlijk, maar de “Groningers” deden wel mee: ze zorgden ervoor dat de 8000 benodigde goudguldens via de rijke kloosters in Oostergo en Westergo ter beschikking werden gesteld “stellende zich borg voor de wederbetaling”. Fox en zijn leger werden betaald en vertrokken. De dag erna stonden de “Groningers” al met hun legers in Sneek, Sloten en Harlingen, “om geheel Friesland nu onder hun gezag te brengen”.

Iedere dag weer wat nieuws in die jaren (maar kranten om erover te berichten waren er nog niet). Het bleef in 1496 volop onderlinge oorlog in Friesland. Alleen de stad Franeker kon zich als Schieringer-bolwerk staande houden (met stiekume ondersteuning vanuit Sneek en omstreken). Er werd gemoord en geplunderd bij het leven. Dat Hertog Albert van Saksen, nog steeds afwachtend in Holland, het sluw speelde, bleek later in het jaar toen Goslik Jongama uit Bolsward zich tot hem richtte met de vraag een verrassingsaanval te doen. De Hertog ging er op in en stuurde, jawel, overste Fox met rond 800 man per vloot de Zuiderzee over. Hoewel de “Groningers” enigszins voorbereid waren (landing bij Zurig), waren zij dat niet op de terugkomst van de Fox-veteranen. Binnen enkele weken had Fox heel Westergo “van den overlast en moedwil der Groningers verlost.” Maar het Fox-leger deed vervolgens wat het eerder deed (plundering etc.), zodat “eindelijk de edelen besloten, om in het algemeen in Westergo eene schatting in te vorderen, waarmede zij Fox en zijne lastige gasten betaalden, die voorts over Workum naar Holland vertrokken. Tjerk Walta en Sybrand Roorda werden als gevangenen door Fox medegevoerd, doch zij kochten onderwege hunne vrijheid, de eerste voor 800 gulden, en Roorda voor de helft dier som; echter durfden zij niet in het land komen, waarom Walta een tijd lang zich als balling te Zwol en Kampen ophield.”

Denk niet dat het tweede vertrek van het Fox-legertje betekende dat de Friese partijen de onderlinge strijd beeindigden. Helemaal niet. Bijna iedere dag nieuwe doden. Wel was Westergo nu even van “Groningers” bevrijd en kwamen “de prelaten, geestelijken, edelen en regters” van dit deel van Friesland tot een soort van verbond “om alle gevangenen te bevrijden, de verschillen te beslechten, vreemd volk te weren.” Hertog Albert van Saksen haakt hierop in en via landdagen te Franeker en vervolgens te Dronrijp (1497) laat hij zijn gezanten de kwestie van hem als aangewezen gouverneur over Friesland tot een formeel te erkennen feit voorleggen. Westergo en Oostergo sturen hun gemachtigden. En wat gebeurt? Zij staan gezamenlijk achter het verbond “vreemd volk te weren”. En de hertog van Saksen valt ook onder de noemer van vreemd volk.

Hertog Albert was uiteraard furieus over deze nieuwe en onverwachte afwijzing. Zonder zelf naar Friesland te komen, stuurt hij nieuwe plunderlegertjes op de provincie af. Via zuidelijk Friesland (de Zevenwouden) waar geen tegenweer vanuit de stadjes kan worden georganiseerd. Opnieuw maakt hij gebruik van Fox-veteranen. De uit Friesland gevluchte Vetkoper Tjerk Walta betrekt hij in het complot, met de belofte dat deze niet voor de kosten van het huurleger hoeft op te draaien. Begin 1498 vriest het hard. Het binnenvallende leger heeft dankzij het dikke ijs overal doorgang. Slechts enkele versterkte steden (zoals Sneek) laten zich niet overrompelen. Maar daar trekt het leger net zo lief dan omheen, plunderend en moordend. Pas in Barradeel, boven Harlingen, maar veel verder noordelijk in Westergo kon je niet, worden ze gestopt.

In Barradeel veroverden ze nog wel “Rippert Eelsma huis te Sexbierum, alsmede die van Pybo HAARDA en Seerp BOTNIA te Oosterbierum, welke zij uitplunderden, en de edelen zelve gevangen naar Bolsward vervoerden. De landeigenaars, en in het gemeen alle ingezetenen werden woedend over dit bedrijf van het vreemde volk. In en omstreeks Barradeel verzamelde zich eene groote menigte, die deze roovers een goed deel van den buit ontzettede, en hen verjaagde, slaande wel vijftig van hun dood.”

De tegenslag in Barradeel leek een incident. De Saksische legers werden vanuit het zuiden almaar aangevuld. Zo werd de Liauckema-state te Sexbierum nog bezet en bij verlating in brand gestoken. Barradeel leek verder niet interessant genoeg meer. Het zuidelijke deel van Westergo gaf nog genoeg plunderkansen en Menaldumadeel tussen Franeker en Leeuwarden: “Menaldumadeel werd mede door deze roovers bezocht en zwaar gebrandschat.” Menaldumadeel..? Dan ben je op het terrein van stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen (Sjoerd Aesgama).

Laat ik nu het verhaal, dat toch al lang werd (maar dit gebeurde) inkorten. Lees elders meer. Vanwege alle voortdurende oorlogvoerderij zonder uitzicht, krijgt Hertog Albert van Saksen eindelijk zijn zin: hij wordt door de Friese partijen als landvoogd tegen heug en meug uiteindelijk toch maar erkend en gehuldigd. Voordat dit gebeurde waren nieuwe legers nodig en ook een veldtocht van (de inmiddels bekende) overste Fox tot in Groningerland. Dat maakte de Groningers definitief stil. In mei 1499 landt hertog Albert van Saksen eindelijk in eigen persoon op Friese grond. Te Harlingen, “welke stad, toenmaals door de beroerten der tijden zeer geschokt zijnde, den nieuwe heer gewillig inhuldigde. Hij begaf zich voorts naar Franeker, Bolsward, Sneek en eindelijk naar Leeuwarden, alwaar hij in de kerk van Oldehove plegtig gehuldigd werd, welk voorbeeld de edelen en landzaten weldra navolgden.”

De hertog (strateeg) bleef niet lang. Hij benoemde een nieuw gerechtshof dat op strikte orde moest toezien, eigende zich een belangrijk deel van de nieuwe inpoldering Het Bild toe als persoonlijk eigendom, regelde een bestuurlijke gezagsstructuur met een Hoge Raad etc., en droeg zijn zoon Hendrik het opperbestuur over Friesland op. Albert was zelf hooguit zes maanden in Friesland. “Met eene som gelds beschonken zijnde”, vertrok hij na vele jaren wachten eind 1499 naar zijn geliefde Saksen.

Hoe kwam het nu dat stamoudovergrootvader Sjoerd in de Poelen op 16-7-1500 moest sneuvelen? Het antwoord op deze vraag komt akelig dichtbij. De jonge hertog Hendrik van Saksen die van zijn vader het bewind over Friesland kreeg opgedragen, ontpopte zich direct als een ambitieuze despoot. Hij koos het Sjaardema-slot te Franeker als zijn hoofdverblijfplaats (en joeg daarmee de Sjaardema’s van hun eeuwenoude plek) en gaf opdracht aan de havenmond te Harlingen een versterkt kasteel te bouwen. De hiervoor benodigde stenen werden o.a. beschikbaar gemaakt door stinsen in de omliggende dorpen te slopen (wat de eigenaren van deze stinsen uiteraard razend maakte). Ter betaling van de verdere kosten eiste hij ook nog “van alle steden, grietenijen en kloosters in Oostergo, Westergo en de Zevenwouden, om binnen acht dagen eene groote schatting, tot dit gebouw vereischt, op te brengen.” Bij overschrijding van dit termijn moest men het dubbele betalen. Omdat die boete meedogenloos in praktijk werd gebracht, slaagde de jonge Hendrik erin binnen enkele maanden na het vertrek van zijn vader “alle Friezen” tegen hem in het geweer te brengen.

Sjoerd Aijlva, Tjerk Walta (hierboven al eerder genoemd), Douwe Hiddema en Dooitze Bonga vormden het viertal edelmannen die de snelle opstand organiseerden. “Na uit alle oorden een leger van 16000 man bijeengebragt te hebben, begonnen zij den 12 Mei (1500) het beleg van Franeker, alwaar de Hertog zijn verblijf hield; ook bezette men op vele plaatsen de grenzen van Friesland, ten einde het binnenrukken van vreemd volk, tot onderstand van den Hertog te beletten.” Om vreemd volk te herkennen werd gebruik gemaakt van een leus die binnenkomers correct dienden te herhalen: Fjouwer lotter-claer leepaaijen op in finne herne yn ien nest. “Die deze woorden niet met eene genoegzame vaardigheid kon nazeggen, hield men voor eenen uitlander, en werd op staanden voet veroordeeld, om verdronken te worden.” De bedoelingen waren fraai, maar de belegering was slechts een belegering. Tot een inname van Franeker en gevangenname van Hertog Hendrik kwam het niet.

Hertog Albert van Saksen was op een rijksdag te Augsburg toen hij hoorde dat zijn zoon te Franeker omsingeld werd. De ijzervreter liet geen tijd vergaan en trommelde een leger bij elkaar te Aduard in Groningen. Het kostte hem weinig tijd om daar zelf te verschijnen en het Friese grensleger bij Bomsterzijl vervolgens in de pan te laten hakken (“wel vijfhonderd Friezen sneuvelden”). Hertog Albert liet geen tijd verloren gaan. “Alom ging de schrik het Saxische leger, dat steeds met plundering, moord en brandstichting voortging, vooruit, waarom de Friezen voor Franeker, op het vernemen van hunne komst, meestendeels de vlugt namen. Te Dronrijp en in het klooster Miedum, werden de geruchten van de komst der Saxen door de zoetelaars, die gaarne hunne waren duur wilden slijten, sterk en stellig tegengesproken, waardoor de Saxers, eer zij het dachten, hen in de schansen overvielen, en waarbij wel vijfhonderd Friezen verslagen werden, en er nog veel meer omkwamen van degene, welke in de vlugt veiligheid zochten. Zij namen de vlugt naar Miedum, Tzum en voorts landwaarts in, en werden overal van het woeste krijgsvolk des Hertogs vervolgd, dat dagen achtereen rondzwierf, steeds moordende en plunderende.”

Terwijl Hertog Albert vanuit het oosten binnenviel, stuurde Filips van Bourgondië, zoon van keizer Maximiliaan, graaf van Holland, vanuit het westen een leger, onder leiding van de graaf van Buren, over de Zuiderzee heen op Franeker af. Op 16 juli 1500 werd van beide kanten korte metten gemaakt met het beleg van Franeker.

Bij de omgekomen belegeraars o.a. de Friese edelen: Hessel Jongama, van Goënga; Lieuwe Fons, van Jorwerd; Wybe Laasz, van Boxum; Hero Rienks, van Dronrijp; Jarig Wybes, van Terschelling; Sjoerd in de Poelen, te Dronrijp; en Kempo Jaklesz, van Jelzum.

Dat hierna de Saksische bezettingsdruk op Friesland nog eens te groter werd, mocht je verwachten. Het verhaal heeft een lange staart. Maar hier stoppen we.

Stamoudovergrootvader Sjoerd sneuvelde in de strijd (1500). Zoals anderen.

Zijn naam was ook of eigenlijk: Sjoerd AESGAMA. Hij is ca 1463 geboren. Waar..? Te Sybrandaburen misschien (noordelijk van het Sneekermeer)? Over de AESGAMA-afstamming is nog weinig bekend. De naam lijkt te wijzen op een traditie van Friese “rechtsprekers” (a-saga), maar dit is speculatief.

In een nasleep van de “Donia-oorlog” die rond 1460 woedde in het midden van Friesland, pakte de houwdegen Agge Donia, in het voorbijgaan de Aesgama-stins te Sijbrandaburen, “die hij eenigen tijd bleef bezitten, roovende en plunderende van daar rondom op zijne vijanden”. Over waar de Aesgama’s na dit gebeuren (midden 1465) heentrokken en of zij terugkeerden, vinden we geen meldingen. Er is wel melding over een tak die naar Groningen vertrok (omgeving Ulrum), over Aesgama’s te Damsterwoude (Dantumadeel) en “onze” Aesgama’s rond Oosterend (bij Sneek) en vooral bij Dronrijp. Sjoerd Aesgama (Sjoerd in de Poelen) werd geboren vlak voordat Agge Donia de Aesgama-sate te Sybrandaburen veroverde en als uitvalsplaats voor plundertochten ging gebruiken. Generatie 17 (stam-oudbetovergrootouders, 65536-131071)

  1. Offke DOTINGA, grietman van het Marsumer Nieuwland (Menaldumadeel) rond 1470, trouwt (1) met Doedt OEDTSMA, trouwt (2) met
  2. Luts Feddes MERNSTRA (HAERDA)

Ouders van : Doedt Offkes DOTINGA (kw 52851)

Het Marsumer Nieuwland was nieuwbedijkt gebied aan de westkant van de (vroegere) Middelzee, tegenover het Leeuwarder Nieuwland aan de oostkant van die zee. In de eerste regel stellen we dat Offke Dotinga grietman van het Marsumer Nieuwland was, maar in het grietmannenregister staat hij, Ofcke Dottingha, vermeld als grietman van Leeuwarderadeel vanaf 1470. Het kan zijn dat de bedijking van dit Nieuwland ook vanuit Leeuwarderadeel werd ondernomen.

Zijn eerste vrouw Doedt Oedtsma kan dochter zijn geweest uit het hoofdelingengeslacht OEDTSMA te Boksum, dat iets ten westen van Marsum ligt.

Anno 1444: “Een nieuwe oorlog ontstond er weder tusschen de Schieringers en Vetkoopers in Westergo. Sikko en Douwe Sjaardema, Doeke en Abbe DOTINGA, Rommert Gabbinga, Keimpo Unia, Lieuwe OEDSMA, Worp Juckema, Rienk Kamstra, Sikko Martens, Ruurd Roorda en Gerrolt Herama trokken met eene menigte van hunne vrienden en hunnen aanhang voor de sterke stins van Sjoerd Grovestins te Engelum. Zij bemagtigden dit slot, een der sterksten in gansch Friesland, stormenderhand, namen Grovestins en zijnen zoon gevangen, die zij op Sjaardema huis te Franeker in bewaring stelden.”

Naast dochter Doedt (kw 52851) wellicht meer kinderen uit dit huwelijk. Een eventuëel DOTINGA-parenteel schijnt nog niet gemaakt.

Notities: Bij Dronrijp was er een sate Groot-Dotinga. Volgens berichten ging hieraan vooraf een DOTINGA-sate die rond 1520 werd verwoest, de stenen werden gebruikt voor de verdedigingswerken te Leeuwarden. Dotinga was dan partij in de twisten tussen Schieringers en Vetkopers, wellicht aan de kant van de Schieringers (zie hierboven). Nog te documenteren. Na 1600 levert een DOTINGH-familie burgemeesters van Leeuwarden. Mogelijk verband nog te vinden. In de kerk van Marsum noemen enkele grafzerken de DOTINGA-naam. Zoals: “Ano 1580 de 7 janiuarius sterf de ersaeme Annle Dotinga tot Marssum”, “Ao 1591 de 6 maius sterf d erbaere Imck Anles dr Dotinga syn wife h.b.” en “Ao 1592 in ianuarij sterf den ersaemen iongeling Hans Anles Dotinga”. Generatie 18 (edel-ouders, 131072-262143)

  1. Fedde MERNSTRA (HAERDA), geb ca 1400, woonde te Pietersbierum (zusterdorp van Sexbierum, Barradeel, aan de NW-Waddenkust), trouwt met
  2. Catharina

Ouders van: Luts Feddes Mernstra (Haerda) (kw 104703) en wellicht ook van Lolle MERNSTERA die vanaf 1463 grietman was te Barradeel.

Generatie 18 bestaat uit zo’n 130.000 personen, 65.000 echtparen. Ze hebben voornamelijk in Friesland dan wel in Holland gewoond, twee regio’s die in de periode van eind 14de eeuw toen onze edel-ouders leefden, vijandig tegenover elkaar stonden. Daar ging al een lange historie aan vooraf. Maar nadat in september 1345 de onverstandige graaf Willem IV van Holland met een vlootleger de Zuiderzee was overgestoken, bij Stavoren aan land was gegaan om Friesland definitief te onderwerpen en daarbij meteen met zijn leger in een hinderlaag liep (de Slag bij Warns) en samen met een groot aantal edelen sneuvelde, was de wraakbehoefte aan Hollandse kant extra vergroot. Op het niveau van de machthebbende families, in ieder geval. Onze Hollandse resp. Friese edel-ouders dachten er wellicht anders over of bemoeiden zich er niet mee. Kenden elkaar niet eens.

Omdat Willem IV geen mannelijke nakomeling had, ging de grafelijkheid over Holland en Zeeland (en de claim op Friesland) over naar zijn zus Margaretha van Henegouwen, getrouwd met Lodewijk van Beieren die in het Duitse rijk met de keizerstitel stoeide. Jonge zonen van Margaretha werden als waarnemers aangewezen, kregen ruzie met hun moeder en in Holland barstten de Hoekse en Kabeljauwse twisten los met vele nare gevolgen. Onze edelouders en edel-grootouders in Holland, vooral rond Den Haag, zaten daar maar mee in die tijd. De jongste zoon van Margaretha van Henegouwen, Albrecht van Beieren, die in 1357 het bewind kreeg toegewezen, nadat zijn broer Willem (V) er behoorlijk gek van was geworden, stelde zich diplomatieker op, maar met een hardhandig politietoezicht op de achtergrond. Rond Den Haag werd het leven draaglijker. Albrecht zorgde zelfs voor een hofleven en dat Den Haag residentiestad werd is aan hem te danken. Redelijk goede tijden voor onze edelouders in de nabijheid van Den Haag.

In 1392 wordt Albrecht van Beieren razend van woede. Hij (geboren 1330 te München) was als 60-jarige aan het Haagse hof smoorverliefd geraakt op de schoonheid, jonkvrouwe Aleid VAN POELGEEST. Zijn omgang met dit meisje was zo intiem en hardnekkig dat zoon Willem (VI) vreesde dat er kindjes van zouden komen en dat hij in zijn erfrechten vreselijk geschaad zou kunnen worden. Wat er precies aan complotten werd gesmeed is onduidelijk of elders te lezen. Zeker is wel dat de jonge Aleid, 22 jaar, bij een zondagse wandeling over het Buitenhof te Den Haag, 22 september 1392, samen met haar lijfwacht wordt overvallen en door messteken gedood. Albrecht vermoedde (of wist vrijwel zeker) van welke kant de moordenaars kwamen en stuurde er zijn mannen op af. In die tijd wordt rond Den Haag weer terreur uitgeoefend en worden veel huizen verwoest of verbeurd verklaard.

De woede van Albrecht strekt zich ook uit in noordelijke richting omdat hij weet dat in Friesland veel verklaarde tegenstanders van hem een (tijdelijke) onderduik kunnen vinden. In 1395 besluit hij tot een invasie. In de twintig jaar ervoor had hij zich al zwaar geërgerd aan de piraterij op de Zuiderzee van Friese en Kuinderse kant. In 1381 had hij zich de eilanden Urk en Schokland (Emmeloord) toegeeigend, die zogenaamd tot de heren van Kuinre behoorden en door deze heren als uitvalsbasis voor de zeestroperij werden benut. Begin 1396 maakt hij een afspraak met de zittende heer Herman II van Kuinre om (ver oostelijk van Warns) in diens gebied aan land te kunnen gaan om vandaaruit Friesland in te trekken. Zo gebeurt in augustus 1396. In de slag bij Schoterzijl sneuvelen in twee dagen tijd ruim 1600 Friezen, volgens de verhalen. Een complete overwinning voor Albrecht die zijn leger daar laat overwinteren. Herman van Kuinre schijnt een dubbelrol te hebben gespeeld en wordt gevankelijk naar Holland afgevoerd. Het slot te Kuinre en de bezittingen worden geplunderd. Na Schoterzijl vinden geen grote veldslagen meer plaats omdat noordelijk Friesland daartoe niet bereid is of de legers niet kan vormen. In 1398 erkennen Kuinre, de Stellingerwerven en Oostzingerland (Lemsterland) Albrecht als hun heer. Na het overlijden van Albrecht in 1404 kan de bisschop van Utrecht de aanspraken op het gebied vernieuwen.

In Holland verhevigen zich de Hoekse en Kabeljauwse twisten (rond Jacoba van Beieren, kleindochter van Albrecht) en de aandacht voor Friesland vanuit Holland nam weer een tijd af.

Bijna een eeuw later wanneer ook de Friezen zich onderling bestoken in twisten, Schieringers en Vetkopers, en Groningen (bisschop van Utrecht) Oostergo bezet, roepen de Schieringers (Westergo) een verre opvolger van Albrecht van Beieren te hulp, Albrecht van Saksen. Dit leidt tot een bezetting van heel Friesland voor enkele tientallen jaren, de “vrijheidsstrijd” onder “leiding” van Grutte Pier en dat soort zaken. Maar dan zijn onze edelouders in Holland zowel als Friesland allang overleden en hebben jongere generaties met deze kwesties te maken. Een aanvulling hierna.

H.W. Steenstra “Geschiedenis van Friesland” (1845), deel II pgs 315-342. De andere kandidaat was Maximilaans zoon, graaf Filips II van Holland, maar de keizer was Hertog Albert een heleboel geld verschuldigd dus diens benoeming tot erfpotestaat of gouverneur van Friesland (Albert zag het wel zitten) bevrijdde hem ook nog van een financiële last. Albert kon belastingen gaan innen voor zichzelf. Steenstra, II pag 319: “Tusschen de vier en vijfduizend Woudlieden kwamen hier om het leven, door het zwaard der vijanden en het water.” HAARDA of HAERDA: Was Pybo Haarda een broer misschien van edelvader Fedde Mernstra (Haerda) (kw 209406) of anderszins gelieerd? Het achteraf-verslag door Steenstra kan je niet echt objectief noemen. Het is niet te bepalen waar hij overdrijft. Zie ook kwartierstaat van Theunis-Jan en Ellen de Leeuw (Donia-kant). Steenstra II pag 285. De edelvader Fedde MERNSTRA wordt ook HAERDA genoemd. De naam “Mernstra” heeft misschien te maken met de getijstroom Marne die door het gebied stroomde. “Haerda” is nog niet verklaard. In 1498 rukte het huurleger van overste Fox tot ver in Barradeel op. Daarbij werd de sate van Pybo HAARDA te Oosterbierum ingenomen en geplunderd. Pybo werd aan het paard gebonden en naar Bolsward afgevoerd. Misschien was hij een zoon of kleinzoon van edelvader Fedde. Engelum is dorp in Menaldumadeel, noordelijk op korte afstand van Marssum. H.W. Steenstra “Geschiedenis van Friesland” (1845), deel II pag 264.