Van der Hoek
Documenten

Willem Div Familie Oud Wp Turfmakers In de Voorfamilie

Turfmakers in de voorfamilie

De groeiende vraag naar brandstof in de steeds groter wordende steden zorgde ervoor dat steeds meer land werd ontgonnen voor de turfgraverij. Daar kon je geld mee verdienen. Zuidoost-Friesland was een gebied waar turf viel te halen. Bovenop de zandgrond had zich in een onvoorstelbaar lang verleden een veenlaag gevormd uit per seizoen verstorven planten. Uit die veenlaag wint men turf. Zoals men elders uit soortgelijke lagen die van nog vroeger dateren en die onderwaaiden en diep in ‘aardlagen’ werden samengedrukt, steenkool wint. Steenkoollagen zijn fossiele veenlagen. De stichters van Heerenveen (de drie compagnons) hadden rond 1560 al het commerciele idee grote delen van de grietenijen Aengwirden en Schoterland voor turfgraverij op te kopen. De turf verkochtten ze aan afnemers in Holland en Utrecht. Dat de plaats Heerenveen ontstond was een gevolg van hun eerste bezigheid met de venen rond Tjalleberd en boven Brongerga en Katlijk.

In dezelfde periode, tweede helft zestiende eeuw, werden in andere delen van het land soortgelijke initiatieven genomen. Zo’n 20-25 kilometer zuidelijk van (het latere) Heerenveen, in het niet-Friese gebied bij Steenwijk, begon commerciele turfgraverij misschien al wel eerder. In de omgeving van Giethoorn en Scheerwolde (Steenwijkerwold). Deze ‘Gieterse ontginning’ was heel productief. Vooral rond 1620 was de vraag vanuit Holland groot en de havenstad Blokzijl aan de Zuiderzee floreerde. De Gieterse turf bleef belangrijk in de eeuw erna, maar de beschikbaarheid verminderde. Veenlagen hebben een historisch bepaalde dikte en omvang. Wat je ontgint, is weg en komt niet meer terug. De ‘Gietersen’ kochten verdere gronden op om te vergraven. Rond 1750 komt hun turf vooral uit het gebied rond Wanneperveen en bij Vollenhove (Beulake). Wanneer in 1775 en 1776 het gebied door veel regen en storm overstroomt en de vergraven gronden in meren veranderen (Beulaker Wijde enz.), wordt de ontginningsaandacht in meer noordelijke richting verplaatst. En wordt ook de methode van turfbaggeren ontwikkeld, wat inhoudt dat men vanuit de boot gaat werken en de veenlaag met de baggerbeugel vanonder de waterspiegel naar de oppervlakte haalt om deze op stroken grond (‘weerribben’) te leggen en daar tot turf te laten drogen.

De verplaatsing in meer noordelijke richting had tot gevolg dat de vervening rond Kalenberg, Muggenbeet en het gebied bij de Friese grens werd aangepakt (nu het natuurgebied ‘Weerribben’) en nog verder noordelijk werd gegaan. Na 1780 trekken veel ‘Gieterse’ verveners naar de Friese verveningsgebieden. In het gebied bezuiden het Tjeukemeer (vanuit Oosterzee en Echten) vormen zij een ‘invasie’. Dit gebied was steeds schaars bewoond en had weinig bestaansmogelijkheden. Dankzij de Gieterse verveners veranderde dit.

De ‘Gieterse’ invasie

In onze voorfamilie hebben wij met ‘Gietersen’ te maken. Daarom schrijf ik dit. Aan de VanderHoeken-kant (uit Terwispel) is ‘Gieterse’ afkomst langs vrouwelijke lijn misschien te verbinden. Uit welke familie komt stammoeder Hendrikje Wolters (overleden 1822)? Betovergrootmoeder Grietje Bou(w)man is van Friese familie uit Mildam. Maar overgrootmoeder Hiltje Lukkes (uit de Knipe) lijkt qua naam toch ook Drentse of Gieterse voorfamilie te hebben. Gelukkig weten we zeker dat grootmoeder Neeltje Roem volledig buiten deze discussie staat. Zij is afkomstig uit Naaldwijk, ten zuiden van den Haag. Noch Fries, noch Gieters.

Aan de DeJong-kant (Oudehaske/Nijehorne) zijn ‘Gieterse’ invloeden rechtstreeks aan te wijzen. Klaas Piers de Jong trouwde in derde huwelijk met Fokje Schippers. Fokje Schippers was jongste dochter van Jurjen Annes Schipper(s), afkomstig uit Gieterse familie. ‘Een Ommenaar’ noemde Elizabeth mij haar grootvader. ‘Een kromprater’. Er is alle reden haar gelijk te geven voorzover we haar indruk serieus willen nemen en ook informatie over Schipper(s)-familienamen. Familienaam al voor 1777 te Giethoorn in gebruik, maar voor die tijd ook al in Schoterland. Jurjens vader heette Anne.

Deze Anne moeten we nog terug kunnen vinden.Voordat dat de Gieterse verveners in het gebied zuidelijk van het Tjeukemeer volop te werk gingen (de invasie van Lemsterland), sloten zij zich al aan bij de ontginningen rond Heerenveen. De Heerenveense (Schoterlandse) compagnie richtte zich op de turfgraverij in oostelijke richting. Veel Gietersen vestigden zich westelijk van de Veenscheiding in het Schoterlandse gebied rond Sint-Johannesga en Rotsterhaule. Of rond de Haske (Oudehaske) in Haskerland. Binnen Friesland geldt dit gebied als ‘het lage midden’ . De veenlagen liggen op of onder het grondwaterniveau. In plaats van turfsteken (hoogveen) moet je turfbaggeren (laagveen). Een bezigheid die de Gietersen van huis uit leerden kennen en waarmee ze hoge produktie haalden. Maar ook ‘petgaten’ (zoals de ‘wiedes’ in Noord-Overijssel) en bij Sint-Johannesga en Oudehaske in het leven riepen. Al in 1767 schrijft Marten Jans uit Lippenhuizen een waarschuwgedicht:

Gaan wij weer treden voort Na ‘t Dorp van Oudehaske En zien hoe’t daar nu wort Tot eenen waterplaske. Door’t uitlandsch vreemde volk Wordt daar ‘t land verteerd.

Maatregelen werden ingevoerd om het ontstaan van veenplassen na turfbaggerij te voorkomen c.q. te bestraffen. Pas in 1822 (lang na de periode van Franse bezetting) werd een wet van kracht die eiste dat de vervener voor bedijking tegen overtollig water moest zorgen van het ontgraven gebied (poldermodel), daarbij gecontroleerd via specifieke heffingen: slikgeld en armengeld. Slikgeld als heffing op ontwaarde grond, armengeld als een fonds vanwaaruit benadeelden konden worden vergoed.

De voorfamilie De Jong lijkt aan Oudehaske te zijn verbonden. Het is mogelijk dat er Gieterse herkomst is, van voor 1800.

Notities (nog verder uit te werken)

a. Groepsmigratie: Overijsselse turfgraversfamilies naar de Friese laagveengebieden

Bijdrage van Jochem Kroes in Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 1993

Kroes behandelt vooral de families die in Lemsterland (Oosterzee en Echten) terecht kwamen. Hieronder citaten of samenvattingen uit zijn bijdrage.

“Tot het einde van de achttiende eeuw waren Oosterzee en Echten rustige boerendorpen. Vanaf die tijd kwam een migratiegolf van verveners vanuit met name Giethoorn en Wanneperveen op gang om het Friese laagveengebied, ook wel het Friese Lage Midden genaamd, “aan te pakken”. Aanvankelijk trokken de turfgravers vooral naar Schoterland en Haskerland, maar rond 1800 kwamen ze ook in groten getale in Lemsterland aan. De veranderingen die zich in dit gebied voordeden waren enorm. De migrantenbevolking nam zo sterk toe, dat de inheemse Friese bewoners in numeriek opzicht volledig werden overvleugeld. Het dan toe vrijwel lege gebied ten zuiden van de streekdorpen Oosterzee en Echten raakte bewoond, zo zelfs dat er kleine, nieuwe woonkernen gingen ontstaan. Eén daarvan was Bantega, dat in 1947 een zelfstandig dorp werd en het oude dorp Echten over het hoofd groeide.” (pag.201) De autochtone bevolking van Oosterzee en Echten woonde tot het einde van de achttiende eeuw vooral in het noorden, aan de zuidkant van het Tjeukemeer. “…langs een weg, de “rijd wech”, die van Lemmer via Oosterzee en Echten naar Delfstrahuizen en verder naar Heerenveen en Joure liep. In 1718 stonden er in Oosterzee 50 huizen en in Echten 21 huizen, grotendeels langs deze weg. Oorspronkelijk moeten dat er aanzienlijk meer zijn geweest, gezien het aantal stemdragende plaatsen waarop in 1640 elk een huis moet hebben gestaan. In Oosterzee waren er in 1640 98 en in Echten 42 stemdragende plaatsen. Wel waren er toen reeds enkele samengevoegd, zodat het aantal gezinnen in 1640 in Oosterzee (90) en in Echten (36) wat lager uitkwam. Rond het midden van de achttiende eeuw was het aantal huizen en gezinnen aanzienlijk lager dan in de zeventiende eeuw. In Oosterzee woonden in 1749 56 gezinnen en in Echten 22. Het aantal inwoners was toen in Oosterzee 223 en in Echten 92.” (pag.202) Familienamen uit die tijd o.a.: Hattinga/Hottinga, Samplonius, Huisinga, Wiarda (rijkere boeren) en in Oosterzee: Lemstra, Ruardi, Bruinsma, Duim, (van) Solkema, in Echten: Hepkema, Huitema, in beide dorpen o.a. Koopman(s), Bosma, Boersma. Bij de natte vervening werd het zwaarste werk, het opbaggeren van het veen, door arbeiders, de turftrekkers, gedaan. De periode waarin dit plaats vond was vaak maar kort, doorgaans van Pasen tot Pinksteren. Meestal huurde men er buitenlandse trekarbeiders voor in, over het algemeen uit de buurt van Munster en Osnabruck. In 1811 waren in Haskerland 149 en in Schoterland 111 buitenlandse arbeiders aan het werk. Vaak de helft of meer van het totale aantal veenarbeiders. De turftrekkers werkten meestal in groepen van twee, soms in groepen van vijf à zes. Het aanmaken en drogen, het voor vervoer klaar maken en laden van de turf werd door zgn. turfmakers gedaan. Vaak zorgden ze ook voor de huisvesting van de losse veenarbeiders. “Over het algemeen behoorden de turfmakers tot de inheemse (Overijsselse) bevolking en werden zij aanvankelijk als een elite onder de veenarbeiders beschouwd, maar in de loop van de negentiende eeuw nam dit verschil af. De turfmaker was meer afhankelijk van en minder vijandig gezind tegenover de veenbaas dan de veenarbeiders, bij wie het vrij regelmatig tot stakingen kwam.” (pag.207) Bovenaan stonden de veenbazen. Kleine ondernemers met een eigen bedrijf, die turf verhandelden en personeel in dienst hadden. “Vaak combineerden zij de veenderij met andere beroepen, met name met agrarische- en handelsactiviteiten. Vele veenbazen hadden een winkel, waar het personeel meestal verplicht was inkopen te doen, de zgn. verplichte winkelnering. Het is duidelijk dat de veenbazen vrij kapitaalkrachtig waren. Vaak bezaten zij in tegenstelling tot de andere categorieen veenwerkers huizen en landerijen.” (pag.207). Een veenbaas had gemiddeld 2-3 turfmakers en 5-6 arbeiders in dienst.