Northsea Games
NORTHSEA GAMES
De Britse eilanden voor de noordwestelijke kust van Europa krijgen in de vijfde en zesde eeuw (na Chr) met een invasie te maken van migranten van overzee. Dat de invasie van Angelen, Saksen, Juten, Friezen en andere Germaanse “volken” over de Noordzee heen naar de eilanden plaatsvond, is onomstreden. Maar journalistieke of historische rapportering uit die tijd ontbreekt, zodat we op slechts heel enkele (later geschreven en bewaard gebleven) documenten zijn aangewezen. Die meer of minder betrouwbaar zijn.
De Germaanse “volken” aan de oostkant van de Noordzee, Angelen, Saksen enzovoort, woonden noordelijk en oostelijk van de Rijn, in “Germania”. Het Romeinse Rijk had met legergeweld en federatie (bondgenootschappen) de eigen grenzen tot ver in het noorden verlegd. De ambitie om de zeggenschap nog verder uit te breiden tot aan Weser of Elbe (in “Germaans” gebied) liep stuk, vanwege de grote afstanden in dicht-bebost en door brede rivieren doorstroomd gebied. Overal kregen de Romeinse legerleiders in dat gebied te maken met moeilijk te bevechten en voor hen vreemd te voorziene en aan geen standplaats verbonden, zich verdedigende, “barbaren”.
Oorlogen met Germaanse barbaren blijven doorgaan tot en met het einde van het Romeinse Rijk. En daf einde komt na een lange periode van steeds grotere onenigheid (te Rome) over het rijksbestuur. De Romeinse senaat is de zeggenschap over het bestuur kwijt geraakt. De rijkdom (handel, tributen, kolonisatie) vervalt. De senatoren te Rome worden door hun functie rijker dan ze ooit waren, maar het bestuur over de provincies of rijksdelen hadden ze niet meer onder controle, buiten het persoonlijk eigenbelang. In die tijd volgde benoeming (en moord) en volgende benoeming (en moord) van miltaire “keizers”. Regelmatig waren er keizers en tegenkeizers door hun eigen legioenen tot keizer uitgeroepen maar door anderen niet als zodanig erkend.
Uiteindelijk hield het Romeinse Rijk in West-Europa op te bestaan na een nasleep van zwakke (jonge) generaties die slechts nog “keizer” heetten op basis van een verre historische afstamming. De legerleider Odoaker doet in 475 bericht aan de (Oost-Romeinse) keizer dat diens West-Romeinse collega, de jongere neef, op vroege leeftijd is overleden. En dat daarmee het westelijke Romeinse Rijk is opgehouden te bestaan.
RONDOM DE NOORDZEE (EN OOSTZEE)
Tienduizenden jaren geleden, je mag ook honderden duizenden jaren geleden zeggen, was het het vasteland van “Eurasia” een door grote rivierstromen verdeeld gebied. Onze planeet, nu “Aarde” genoemd, ontstond ruim 4 miljard geleden, uit de verklontering van vaste stoffen rondom een groot, brandend, geheel, een ster nu “Zon” genoemd. Deze “Zon” is mogelijk 14 miljard jaar geleden ontstaan binnen een “heelal” van miljoenen soortgelijke sterren die samen boven de aarde en ver weg van ons de “Melkweg” vormen. In heldere nachten zijn delen van die Melkweg als sterrenbanen te zien. Vanaf de aarde keken vroege mensengenaraties naar de sterrenbanen en gaven namen aan onderdelen van wat ze zagen (“dierenriemen”). Dichtbij de aarde heb je de “Maan”. De Maan is, naast de stralende Zon, steeds opvallend aanwezig. Een grote bol aan de hemel bij “volle maan”. Afnemend tot half-maan of slechts rand-maan (sikkel, links dan wel rechts) of onzichtbaar. De veranderende maan-zichtbaarheid vanaf de aarde was opmerkelijk voor onze voorouders (mensen). Zoals het dagelijks verschijnen van de zon in de ochtend en het verdwijnen van de zon in de avond van elke dag. Rondom de zon en de maan ging men verhalen vertellen. Maan- en zon-religies werden doorverteld, ritiuelen begonnen en geheimdoenerijen (priesters, sjamanen, orakels, “weters”) volgden ook.
Inleiding
Aan de noordwestkant van Europa liggen, niet ver verwijderd van het vasteland, eilanden in de oceaan. Dit was aan de daar en om de zee heen wonende mensen (stammen, volken) een bekend gegeven. Ook aan de vogels en de vissen die hun eigen trektochten volgen, kon het bestaan van die eilanden niet ontgaan. Archeologisch onderzoek toont aan dat deze eilanden al door mensen zijn bewoond, lang voordat zij in “historische” bronnen expliciet worden gemeld. Historische bronnen zijn meldingen in geschrift. Wanneer je geschreven meldingen als uitgangspunt neemt voor de grens tussen historie en pre-historie, zet je allerlei andere aanwijzingen die mogelijk veel duidelijker zijn dan meldingen in geschrift (welk geschrift, hoe, door wie ook), buiten het verhaal. Geschreven, historische, teksten over de kustvolken van West-Europa komen, schaars, uit rapporteringen door Griekse en Romeinse zeevaarders, kooplui, politici of historici. De Grieken en Romeinen domineerden eeuwenlang het gebied rond de Middellandse Zee en ontwikkelden een schrift dat zich snel liet lezen, vanuit oudere schrifttradities die voor een deel niet of moeilijk zijn te lezen tot op deze tijd. Er is veel “pre-historisch” schrift, overal in een of andere vorm teruggevonden. Maar onbekend is nog, hoe deze te lezen.
Griekse of Romeinse schrijvers hadden weinig te maken, zeg maar niets, met de volken aan de noordwestkant van Europa. Zover reisde zelden iemand. Zeker geen schrijver. Een opmerkelijke uitzondering (voorzover bekend) is de Griekse koopmanszoon Pytheas, die vanuit Marseille, rond 330 BC meeging op een handelstocht die een zeereis inhield en hij schreef er een verslag over. Marseille (havenstad, toen “Grieks”, later Romeins en nu Zuid-Frankrijk) had een landverbinding voor handel met de streken aan de oceaankust. Pytheas reisde mee over land en daarna de zee. Zijn verslag is als tekst verloren gegaan. Maar door Romeinse schrijvers ver na hem wordt hij geciteerd. Volgens die citaten bracht zijn zeereis hem tot aan de Pretanikai Nesoi waaronder Ierne (Ierland) en Albion (later: Engeland). De naam “Albion” is mogelijk te verbinden (wit) aan de kalkkusten van zuidelijk Engeland. Waar “Pretanikai” aan te verbinden is, blijft onduidelijk. Maar “Pretanikai” (Pretani, Pritani) werd als aanduiding Britanni door Julius Caesar gebruikt toen hij als Romeins legerleider en veroveraar met zijn landleger de Keltische volken in Gallia (later: Frankrijk) tot aan de Noordzeekust versloeg dan wel uitmoordde. Hij ontdekte in zijn veldtocht van ruim 8 jaar dat hij in het verre noorden van Gallia met een andere soort tegenstanders te maken kreeg, die moeilijk bleken te overwinnen. De Belgae, een alliantie van Keltische en Germaanse stammen, de laatsten van “over de Rijn”. Die alliantie bleek ook in verband te staan met Keltische stammen van “over de zee”. Op de Britse eilanden waren er Belgae (Keltisch woord voor geallieerden) gevestigd. Caesar liet een invasievloot bouwen om, zoals hij Gallia met zijn legermacht vrij gemakkelijk onderwierp, ook op Brittania door te dringen. Hij probeerde het tot tweemaal toe. Maar zijn schepen waren onvoldoende. De politieke situatie in Rome dwong hem zijn legers terug te trekken en Italie binnen te vallen (Rubicon etc).
Britse eilanden
Aan de noordwestkant van Europa ligt een groot eiland in de zee. Ongeveer 8000 jaar geleden werd het van het Europese vasteland gescheiden door een aardverschuiving in het noordelijke deel, tussen hedendaags Noorwegen en Engeland, en een tsunami die het lagere land ertussen binnen enkele dagen overspoelde. De overspoeling zorgde voor een nieuwe zeestraat die over de delta-uitmondingen heen van Rijn, Maas, Schelde en Thames, hiervoor uitstromend in een naar het zuiden gaand “kanaal” richting oceaan (tussen Calais en Dover), en die geen zeestraat maar zee ging heten: “Noordzee”. De naam Noordzee lijkt gaandeweg, en relatief recent, algemeen geaccepteerd. Deense schrijvers gebruikten nog lang de term “Westzee” (heel begrijpelijk) en Britse schrijvers de termen “Friese zee” of “Germaanse zee” (ook begrijpelijk). De term Noordzee is mogelijk aan Friese zeevaarders te danken. Voor hen lag die zee in het noorden. In het land van de Friezen was er ook de Zuiderzee, in het zuiden. De Zuiderzee was het grote meer aan de uitmondingen van grote rivieren uit het Europese gebied afkomstig, Rijn, Maas, Schelde enzovoort.
ROMEINSE RIJK
BEDE
Begin 8ste eeuw (ca 731) voltooide de monnik, schrijver en historicus, voorzover de term historicus hier van toepassing is, zijn manuscript over de (voor)geschiedenis van de christelijke kerk in Engeland: Historia ecclesiatica gentis Anglorum”. Van Bede is de vroegste, redelijk betrouwbare, bron over de herkomst van de migranten
xxxx
“YORK”
[1] De Noordzee in het noordwesten van Europa heeft een watermassa van ongeveer 54.000 kubieke kilometer en een omvang van 575.000 kilometers in het vierkant. Maar de Noordzee is beslist niet vierkant, zoals je op elke kaart kunt zien. Het heeft veel meer een trechtervorm: breed aan de noordkant en in het zuiden versmallend, heel erg versmallend, tot en met het Nauw van Calais ofwel de Straat van Dover, die een zuidelijke verbinding vormt, enkele tientallen kilometers breed, met de oceaan (Atlantische Oceaan) waarmee de Noordzee ook in het noorden in verbinding staat. Eigenlijk is de Noordzee een tussenwater aan de zijkant van de genoemde oceaan. Als watermassa qua omvang even groot of zelfs iets groter dan het landoppervlak van het huidige Frankrijk. Om maar wat te noemen. De vergelijking is wat raar. De Noordzee ontstond definitief in ongeveer de huidige vorm ruim 8000 jaar geleden. Onze planeet (“de aarde”) kende daarvoor lange periodes van relatieve bevriezing. IJstijden van lange duur. Voorafgegaan door lange periodes van grote warmte, waaraan wij de in honderdduizenden jaren opgebouwde energie, steenkoollagen, olie- en aardgasbronnen, hebben te danken. Een “spaarpot” die we uiteindelijke ontdekten en die (misschien) te snel wordt leeggemaakt.
De Noordzee is in de recente 50 jaar ook ontdekt als meer dan een rijke bron voor visserij en nuttige handelsvaart. Onder de bodem van deze zee liggen ook vele eertijdse overblijfselen van aardse groei en bloei verborgen (van ver voordat “de mens” ontstond). Naar die overblijfselen wordt actief en met veel investering gezocht, zodat (olie, gas etc) uiteindelijk winst en economische dingen nog verder brengen. Ik ben daar niet tegen.
De Noordzee zoals we die nu kennen, is ruim 8000 jaar geleden ontstaan. Na de laatste ijstijd die tot circa 12000 jaar geleden de noordkant van onze planeet in bevroren toestand hield, met ijskappen tot ver over Europa en aan de zuidkant ervan vrij onbewoonbare gebieden, voor mensen, veranderde het weer. De verandering van het klimaat was gunstig en zorgde voor migratie van zuid naar noord. Hier gingen, mogen we aannemen, een paar duizenden jaren overheen. En de migratie naar het noorden betrof vooraleerst enkele pionier-families, uit nood of vanuit keuze, is denkbaar.
De naam “Noordzee” (North Sea) is gebruikelijk geworden, hoewel niet echt verklaarbaar. Of het moet zijn omdat de naam in het internationaal spraakgebruik door de Denen tenslotte (zij noemden het Westerzee) en de Engelsen (zij noemden het Germaanse zee tot en met 20ste eeuw) en omdat de naam “Noordzee” door Hollanders en Friezen hardnekkig werd gebruikt. Er was een tijd dat de naam Friese Zee (Mare Frisicum) gold.
Storegga Tsuanimi.
Historia Britonum (Welshe historieschrijver Nennius, begin 9de eeuw) over “de nacht van de lange messen”: It happened however after the death of Vortimer, son of King Vortigern, and after the return of Hengist with his forces, they called for a false Council, so that they might work sorrow to Vortigern with his army. For they sent legates to ask for peace, that there might be perpetual friendship between them. So Vortigern himself with the elders by birth of his people considered the matter and carefully thought over what they might do. And the same opinion was with them all, that they should make peace, and their legates went back and afterwards called together the conference, so that on either side the Britons and Saxons (Brittones et Saxones) should come together as one without arms, so that friendship should be sealed.
And Hengistus ordered the whole of his household that each one should hide his knife (artavum) under his foot in the middle of his shoe. 'And when I shall call out to you and say "Eu nimet saxas" (Hey, draw your swords!), then draw your knives (cultellos) from the soles of your shoes, and fall upon them, and stand strongly against them. And do not kill their king, but seize him for the sake of my daughter whom I gave to him in matrimony, because it is better for us that he should be ransomed from our hands.'
And they brought together the conference, and the Saxons, speaking in a friendly way, meanwhile were thinking in a wolvish way, and sociably they sat down man beside man (i.e. Saxon beside Briton). Hengistus, as he had said, spoke out, and all the three hundred elders of King Vortigern were slaughtered, and only he was imprisoned, and was chained, and he gave to them many regions for the ransom of his soul (i.e. life), that is Est Saxum, Sut saxum, Middelseaxan, with other districts under his control which they named.
VORTIGERN
In addition, Geoffrey states that Vortigern was the successor to HYPERLINK "http://en.wikipedia.org/wiki/Constans_son_of_Constantine"Constans, the son of the usurping emperor HYPERLINK "http://en.wikipedia.org/wiki/Constantine_III_(usurper)"Constantine III. Further, Vortigern used Constans as a HYPERLINK "http://en.wikipedia.org/wiki/Puppet_king"puppet king and ruled the nation through him until he finally managed to kill him through the use of insurgent HYPERLINK "http://en.wikipedia.org/wiki/Picts"Picts. However, Geoffrey mentions a similar tale just before that episode, which may be an unintentional duplication. Just after the Romans leave, the archbishop of London is put forward by the representatives of Britain to organise the island's defences. To do so, he arranges for continental soldiers to come to Britain. Besides that, more reminds us of Vortigern; the name of the bishop is Guitelin, a name similar to the Vitalinus mentioned in the ancestry of Vortigern, and to the Vitalinus who is said to have fought with an Ambrosius at Guoploph/Wallop. This Guithelin/Vitalinus disappears without a trace from the story as soon as Vortigern arrives. All these coincidences add up to the assumption that Geoffrey duplicated the story of the invitation of the Saxons, and that the tale of Guithelinus the archbishop might possibly give us some insight into the background of Vortigern before his rise to power. Geoffrey is also the first to mention the name of Hengest's daughter, who seduces Vortigern to marry her, after which his sons rebel, as a certain HYPERLINK "http://en.wikipedia.org/wiki/Rowena,_Queen_of_Britain"Rowen, also called Ronwen, Renwein or Rowena, none of which is a Germanic name. Like the Historia Brittonum, Geoffrey adds that Vortigern was succeeded briefly by his son Vortimer.
Meantime, from the continued inaction of our armies, a rumour prevailed that the commanders had been deprived of the right of leading them against the enemy. Thereupon the Frisii moved up their youth to the forests and swamps, and their non-fighting population, over the lakes, to the river-bank, and established themselves in unoccupied lands, reserved for the use of our soldiers, under the leadership of Verritus and Malorix, the kings of the tribe, as far as Germans are under kings. Already they had settled themselves in houses, had sown the fields, and were cultivating the soil as if it had been their ancestors', when Dubius Avitus, who had succeeded Paulinus in the province, by threatening them with a Roman attack if they did not retire into their old country or obtain a new territory from the emperor, constrained Verritus and Malorix to become suppliants. They went to Rome, and while they waited for Nero, who was intent on other engagements, among the sights shown to the barbarians they were admitted into Pompey's theatre, where they might behold the vastness of the Roman people. There at their leisure (for in the entertainment, ignorant as they were, they found no amusement) they asked questions about the crowd on the benches, about the distinctions of classes, who were the knights, where was the Senate, till they observed some persons in a foreign dress on the seats of the senators. Having asked who they were, when they were told that this honour was granted to envoys from those nations which were distinguished for their bravery and their friendship to Rome, they exclaimed that no men on earth surpassed the Germans in arms or in loyalty. Then they went down and took their seat among the senators. The spectators hailed the act goodnaturedly, as due to the impulsiveness of a primitive people and to an honourable rivalry. Nero gave both of them the Roman franchise, and ordered the Frisii to withdraw from the territory in question. When they disdained obedience, some auxiliary cavalry by a sudden attack made it a necessity for them, capturing or slaughtering those who obstinately resisted. Of this same territory, the Ampsivarii now possessed themselves, a tribe more powerful not only from their numbers, but from having the sympathy of the neighbouring peoples, as they had been expelled by the Chauci and had to beg, as homeless outcasts, a secure exile. Their cause was pleaded by a man, famous among those nations and loyal to Rome, Boiocalus by name, who reminded us that on the Cheruscan revolt he had been imprisoned by the order of Arminius, that afterwards he had served under the leadership of Tiberius and of Germanicus, and that to a fifty years' obedience he was adding the merit of subjecting his tribe to our dominion. "What an extent of plain," he would say, "lies open into which the flocks and herds of the Roman soldiers may some day be sent! Let them by all means keep retreats for their cattle, while men are starving; only let them not prefer a waste and a solitude to friendly nations. Once these fields belonged to the Chamavi; then to the Tubantes; after them to the Usipii. As heaven is for the gods, so the earth has been given to mankind, and lands uninhabited are common to all." Then looking up to the sun and invoking the other heavenly bodies, he asked them, as though standing in their presence, "whether they wished to behold an empty soil; rather let them submerge it beneath the sea against the plunderers of the land."
Avitus was impressed by this language and said that people must submit to the rule of their betters; that the gods to whom they appealed, had willed that the decision as to what should be given or taken from them, was to rest